De genodigden op 17 augustus


Op 17 augustus 1959 zaten de genodigden op de tribune. Onder het fluwelen baldakijn was het heet. De dames in hun batikrokken waaierden zich koelte toe met het programmaboekje. De heren in wandelkostuum en uniform voerden een trage conversatie.

Men wachtte op Soekarno, de genodigden. Het nieuwe systeem was hun al bijgebracht. Er waren een heleboel nieuwe functies te vergeven. De gesprekken werden op zachte toon gevoerd.

‘Je moet je firma aan een staatsbedrijf koppelen, zei de man van de handelsbank tegen zijn oom, ik zal de afdeling licenties overnemen. Ik regel dat wel’.
‘Die parlementsklucht in Bandoeng is tenminste voorbij, zei een generaal tegen zijn collega van de luchtmacht, wij hebben alles al te lang laten verwaaien. Nu moeten wij als één man die rebellen in Oost Sumatra en Noord Sulawesi hard aanpakken’.
‘Zeg, die kolonel Kawilarang, die aanvoerder van de rebellen, was toch jouw oude baas, zei de man van de luchtmacht, wat gaat het leger doen nu alle partijen aan de kant zijn gezet?’
‘Mee regeren. Duidelijke verhoudingen scheppen. De veiligheid herstellen en daarna opbouw en orde. Slechts één beveelt, de anderen gehoorzamen’.
‘Dat riekt naar dictatuur. Maar inderdaad U weet wel, het land kan niet zonder hem’.
‘Ach, Karno, dacht de socialistenleider, het paleis heeft jouw oordeel vertroebeld. Je had altijd al een zwak voor mensen die je naar de mond praten. Ze zijn ijdel, hebzuchtig en al omgekocht voordat ze minister werden. Arm Indonesië. Maar misschien heb jij gelijk. Wij deugen niet voor het regeren. Kijk maar hoe jij het alleen doet’.

Karbouwengat en Kota Gadang

“The Grand Canyon” van Indonesië “ wordt hij genoemd, voorheen het Karbouwengat. De kloof is ontstaan tijdens erupties van de nabij gelegen Sumatraanse Merapi.

Nabij Bukittingi (voorheen Fort de Kock) in de Padangse Bovenlanden van West Sumatra ligt Ngarai Sianok, een 100 meter diepe en 4 km lange kloof tussen steile bergwanden, beter bekend als het “Karbouwengat”.
Beneden in het diepe dal dat door de rivier de Ngarai Sianok is uitgeslepen, loopt een wandelpad.
Komend van Bukittingi eindigt het pad, via een zeer steile opgang aan de andere kant van de kloof in het zilverstadje Kota Gadang, dat bekend is door het sierlijke filigrane-werk in goud en zilver. Uit de eigen zilversmederij wordt zilverwerk vervaardigd bestaande uit 95% zilver en 5% koper. Verder is Kota Gadang bekend om de kostbare sarongs die er geweven worden en in vroegere jaren ook door de grote ontwikkeling van zijn bewoners in vergelijking met de rest der bevolking.
Toen de eerste Inlandse school te Fort de Kock geopend werd, waren het bijna uitsluitend jongelingen van Kota Gadang, die de school bezochten. Als gevolg daarvan trof men in de koloniale tijd onder de Kota Gadang-inwoners vele inheemse ambtenaren aan, zoals djaksa’s, koffiemantries en schoolmeesters, velen ook in dienst van de Nederlands-Indische regering en werkzaam in Fort de Kock. In de beginjaren van de Republik Indonesia speelden intellectuelen afkomstig uit Kota Gadang een grote rol in het Republikeinse Landsbestuur, te denken valt aan twee voormalige Indonesische premiers: Agus Salim en Mohammed Natsir.

“Mooi weertje, vandaag”

Repatrianten die voor het eerst “Mooi weertje vandaag” als begroetingsritueel kregen te horen, doken vanwege de schrale koude wind nog dieper in de kraag van hun jas en waren het absoluut niet eens met die opmerking.

Als je dat aarzelend beaamde, bedacht je dat op die dag inderdaad de zon flauw aan de matblauw getinte hemel stond. Tegelijk streelde de schrale ijskoude Noorden-wind langs je wangen. Nee, warm was het bepaald niet in Holland, maar. . . het regende die dag niet.
In Indië hoorde je “mooi weertje” nooit zeggen, het was altijd “mooi weertje” en tegen 12 uur in de middag zelfs verstikkend. Vooral als je woonde en werkte in de grote steden langs de kust. Omdat de hevige warmte verre van aangenaam was, negeerde men dat onderwerp.
In Holland hebben de mensen rode wangetjes en zien er frisser uit. Men slaapt onder een deken en dat is een sensatie. Geen enkele muskiet, dus er was ook geen klamboe nodig. Verse lucht kwam via een klapraampje boven de deur, een bovenlicht noemden ze dat.
Met het matte zonnetje aan de hemel ging men toch eerder bij de warme kachel vandaan. Men besloot niet alleen te wandelen maar tevens inkopen te doen. ‘Inkopingen’, zeggen Indische mensen. Ik heb er zelfs gekend die ‘inkopeningen’ zeiden. Hoe het ook zij, met mooi weer trok men naar de winkels in de stad.
Ajo, we gaan ‘stadten’?
De naoorlogse stad was bezig zich te moderniseren. Voor de eerste repatrianten was het zalig om in alle rust langs de winkels te slierten. Na lange, lange jaren ellende met Jappen en Pemoeda’s, bezetting en revolutie, kon men nu in volle vrijheid een saucijzenbroodje bij Rutek eten.

Dreigbrief aan Indo’s en Ambonezen

Aan het begin van de onlusten in Batavia eind 1945 en 1946 hadden Soekarno’s jeugdige volgelingen, Pemoeda’s, het vooral gemunt op de Indo-bevolking en Ambonezen. Hun trouw aan de Europese status werd hun fataal en zij moesten er voor boeten.

“. . . Indo’s, thans zegeviert gij. Gij vergeet zeker onze vergiftigde soempits ( vergiftigde pijltjes uit blaaspijp), onze vergiftigde golok’s en krissen? Als wij nu niets doen, dan is dat alleen maar omdat onze grote leider Boeng Karno vrede en orde commandeert.
Denk aan uw toekomst. Gij wilt hier leven, te midden van wakker wordende Indonesiërs! Nica, Van der Plas heeft Inlandse aanhangers, maar dat zegt niets, want die gekke Inlanders zijn reeds geschreven in onze zwarte lijsten en die vinden hun weg naar het hiernamaals.
Weet u, de Yaps trainden duizenden en nog eens duizenden Pemoeda’s. U denkt dat wij van de Yaps houden. Kita bikin abis dengan mereka (wij maken korte metten met hen). . . . . want wat jullie binnen 350 jaar deden, deden de Yaps dat in 3½ jaar, tot wij helemaal werden uitgehongerd en uitgenaakt.
. . . .en nu willen jullie Indo’s, Ambonezen de Djapanners (Japanners) in wreedheid nadoen, in plaats van vrede te zaaien. Door dat moordpolitiek graven jullie je eigen graf! We bedoelen hiermee alle Indo’s en Ambonezen!” Tot zover het pamflet.
De sterk ingekorte brief vervolgde met dreigende kreten als gifslangen in badkamers, kidnappen van kinderen, Goena-Goena, verminkte levende halfdoden, vergif in waterleidingen, en nog veel meer onheil.
De brief werd door Batavia verspreid en zaaide angst onder de bewoners van de buitenwijken. Hij was onder-tekend door “Kromo de Wreker”.

‘Staatsblad-Europeanen’

Wim Walraven was naar eigen zeggen “geketend aan Indië, geketend aan zijn Soendanese vrouw Itih, geketend aan zijn 8 Indische kinderen”. Maar ook in Holland had hij niets meer te zoeken. Hij hekelde de toestanden in Dirksland, zijn geboortedorp, dat hij ontvluchte voor Indië.

In zijn brieven aan familieleden in Holland beschreef de auteur W. Walraven hoe hij zich ergerde aan de in zijn ogen verwaande opvattingen van de Indo-Europeanen. “Deze gedroegen zich plus royaliste que le roi, meer Europeaan dan de Europeanen zelf. Zij vormen een zelfbewuste klasse, die ter onderstreping van dit pseudo- Europeaanschap een hooghartige houding tegen de inheemse bevolking aannemen. Deze staatsblad-Europeanen hebben veelal een minderwaardigheids-complex, dat zich soms kan uiten in overdreven brutaliteit, soms ook in overdreven bescheidenheid en schuwheid. Ze zijn karig met woorden, althans als er een blanda aanwezig is. Indo-Europese vaders zijn zelf hun leven lang ondergeschikte geweest, hetgeen geen waarborg gaf voor een goede behandeling van hun (inheemse) ondergeschikten, want slaven zijn dikwijls op hun beurt de grootste tirannen als ze de kans krijgen.
Indo-Europeanen drijven bovenop de inheemse samenleving als een vlies op de melk.
Er is oppervlakkig contact met de inheemse bevolking waarin zijzelf hun oorsprong hebben, merendeels was er zelfs geen contact met de eigen inheemse familieleden”.

Walraven is hier geciteerd om aan te geven dat de Indo’s zich als afzonderlijke bevolkingsgroep manifesteerden. Elke poging om een versmelting met de Indonesische samenleving te bewerkstelligen is te allen tijde mislukt.

Waar zij over spraken op 17 augustus

Het grote Vrijheidsplein in Jakarta was op 17 augustus 1959 volgestroomd met duizenden mensen. Soekarno zou een redevoering houden. Onder de wachtenden bevonden zich vele jongeren. Zij hadden de revolutie en de strijd niet echt bewust meegemaakt.

Tegen het gietijzeren hek voor het witte paleis zat een groepje jongelui te wachten op wat Soekarno te zeggen had. De kranten hadden reeds melding gemaakt van het nieuwe systeem, maar ze hadden geen idee wat er veranderen moest en zou.
Tien jaren waren er verstreken sinds 1949. Het was niet naar wens gegaan. Plechtig was in 1945 verklaard dat er een rechtvaardige en welvarende gemeenschap zou ontstaan. Daar hadden hun ouders en broers voor gestreden, schouder aan schouder. En daarna begon het kibbelen en redetwisten, het gekrakeel van partijen, hebzucht en het telkens beter weten.
De rijken werden rijker en de armen steeds armer. Laatst nog zei iemand dat het vroeger beter was. Zijn vader diende bij een Hollander en van zijn spaargeld kon hij een nieuwe fiets kopen en kleren voor zijn kinderen. Vorig jaar 17 augustus kostte een liter rijst 4 roepiah, nu 20. Vanmorgen bij het ontbijt was er weinig rijst. En hun hemd was op deze feestdag al erg oud. Sarongs en batik zijn niet te betalen. 12 roepiah per dag verdiende je. Dat is anders bij die hoge pieten, die verdienden 4000 roepiah per maand. Geloof jij dat? Alleen de batik van mevrouw is al zoveel waard. Hij rijdt in een dure auto, hoe betaalt hij dat? Boven onze straat hangt zo’n spandoek met ‘Weg met Corruptie’. Laat mij niet lachen, tegenwoordig is iedereen corrupt.
Zou ‘onze’ Karno hier in het paleis het weten? Natuurlijk weet hij dat. Maar wat voor een systeem heeft hij nu.

Theo Meier

Geboren in 1908 in Bazel, Zwitserland, werd de schilder Meier getroffen door de primitieve kunst van Gaugin. Hij reisde in 1936 naar Tahiti en trof naar zijn zeggen de door Gauguin vertolkte schoonheid aan zowel in de kleurenpracht als in de lokale vrouwen.

Maar datgene wat Gaugin zo karakteriseert in zijn schilderijen, primitieve eenvoud, miste hij ten volle. Hij concludeerde dat Gaugin meer volgens zijn eigen artistieke fantasie schilderde dan de werkelijk aangaf.
Maar de componenten van de tropische natuur die Gaugin verweefde in zijn schilderijen trof hij later in Bali aan. In die tijd was Bali nog erg traditioneel ingesteld. Hier vond Meier wat hij miste in Tahiti, naast de uitbundige tropische natuur, een volk dat nog leefde volgens de oude tradities.
Hij vestigde zich in Sanur, een omgeving die hem inspireerde. Zijn objecten lagen direct voor de hand, de tempels en het dagelijks leven op Bali.
Hij sloot vriendschappen met de vele buitenlandse kunstenaars op het eiland. Onder hen de Duitser Walter Spiess, wiens bamboe woning in Iseh hij later overnam.
Hij trouwde twee keer met een Balinese vrouw. Beiden stonden model in zijn schilderijen.
De Japanse bezetting en de daarop volgende onafhan-kelijksstrijd van het Indonesische volk brachten Bali niet meer terug in zijn vooroorlogse staat. Maar Meier bleef zijn geliefde eiland schilderen.
Meier prijsde zich gelukkig dat President Soekarno een kunstliefhebber was. Deze kocht Meiers schilderijen en bracht o.a. Nasser en Nehru als kopers aan. Nehru was het die poëtisch Bali noemde “The morning of the world”.
Meier vertrok in 1957 met alle buitenlanders uit Indo-nesië en ging naar Thailand. Hij overleed daar in 1982.