Op 17 augustus 1959 zaten de genodigden op de tribune. Onder het fluwelen baldakijn was het heet. De dames in hun batikrokken waaierden zich koelte toe met het programmaboekje. De heren in wandelkostuum en uniform voerden een trage conversatie.
Men wachtte op Soekarno, de genodigden. Het nieuwe systeem was hun al bijgebracht. Er waren een heleboel nieuwe functies te vergeven. De gesprekken werden op zachte toon gevoerd.
‘Je moet je firma aan een staatsbedrijf koppelen, zei de man van de handelsbank tegen zijn oom, ik zal de afdeling licenties overnemen. Ik regel dat wel’.
‘Die parlementsklucht in Bandoeng is tenminste voorbij, zei een generaal tegen zijn collega van de luchtmacht, wij hebben alles al te lang laten verwaaien. Nu moeten wij als één man die rebellen in Oost Sumatra en Noord Sulawesi hard aanpakken’.
‘Zeg, die kolonel Kawilarang, die aanvoerder van de rebellen, was toch jouw oude baas, zei de man van de luchtmacht, wat gaat het leger doen nu alle partijen aan de kant zijn gezet?’
‘Mee regeren. Duidelijke verhoudingen scheppen. De veiligheid herstellen en daarna opbouw en orde. Slechts één beveelt, de anderen gehoorzamen’.
‘Dat riekt naar dictatuur. Maar inderdaad U weet wel, het land kan niet zonder hem’.
‘Ach, Karno, dacht de socialistenleider, het paleis heeft jouw oordeel vertroebeld. Je had altijd al een zwak voor mensen die je naar de mond praten. Ze zijn ijdel, hebzuchtig en al omgekocht voordat ze minister werden. Arm Indonesië. Maar misschien heb jij gelijk. Wij deugen niet voor het regeren. Kijk maar hoe jij het alleen doet’.