Badan Keamanan Rakjat, BKR

Met de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 viel tevens de Japanse leiding weg over de militair getrainde jeugdkorpsen. De regering bestudeerde nog een eventueel op te richten ordedienst die later zou kunnen overgaan tot de vorming van een leger.

Kort na de proclamatie op 17 augustus 1945 werden de Peta-bataljons (35.000 man) opgeheven, net als de Heiho-troepen (25.000 leden). In feite werden alle min of meer militair opgeleide leden van de Keibodan, Seinendan, Barisan Pelopor en andere jeugdgroeperingen op straat gezet. Samen ongeveer anderhalf miljoen jonge mensen.
President Soekarno zette het sein op groen om op 23 augustus te starten met een Volksveiligheidsorganisatie, de Badan Keamanan Rakjat (BKR).
De toestroom naar de BKR was zeer groot. Echter, vele anderen zagen niets in de BKR, omdat het niet een regulier leger betrof maar naar hun mening een aftreksel daarvan. Zij organiseerden zelfstandige groepen die op eigen gezag handelden. Onder hen waren misdadigers-benden die onder de kreet ”Merdeka” tot gewelddadigheden overgingen.
De kern van de BKR bestond uit Peta-kader, ruim 1200 officieren. Zij namen het initiatief bij de snelle vorming van BKR-eenheden in heel Java en Madoera.
De opbouw geschiedde vanuit de plaatselijke Peta-bataljons. Bij hen voegden zich Heiho- en ex-KNIL-manschappen.
De BKR’s stonden in de oprichtingsfase onder de KNI’s en niet onder militair gezag. Net als de lokale politie traden zij op afhankelijk van de situatie ter plaatse.
Op 5 oktober 1945 werd de BKR-Darat opgericht, de voorloper van de landmacht van het Indonesische leger.

De organisatie rond de interneringen

Na de proclamatie van de Republik Indonesia op 17 augustus 1945, werd het grondgebied van de republiek verdeeld in 8 provincies, t.w. West-, Midden- en Oost-Java, Sumatra, Borneo, Celebes, Molukken en de Kleine Soenda-eilanden. In september werden de 8 gouverneurs benoemd.

In de nieuwe republiek was geen plaats meer voor de traditionele bestuurselite, de regentenklasse of Pamong Pradja. Hun taak werd overgenomen door de Komité’s Nasional Indonesia (KNI’s).
De KNI’s waren lokale bestuurlijke instanties die onder de gouverneur en zijn residenten functioneerden, maar boven de districtshoofden (wedana’s) en desahoofden (loerahs) stonden.
In de maand augustus 1945 werd naast de oprichting van de KNI’s ook een begin gemaakt met de oprichting van een Volksveiligheidsorganisatie, Badan Keamenan Rakjat (BKR).
Bij de grootscheeps uitgevoerde interneringen van Indo’s in heel Java en Madoera vormden de KNI’s in samenwerking met de plattelandsautoriteiten de uitvoerende en controlerende macht. Zij stuurden de plaatselijke BKR en politie aan om de mensen van huis op te halen en naar de beschermende kampen te begeleiden. Aan deze operatie namen ook betrouwbaar geachte groepen Pemoeda’s deel. Naast de interneringen moesten ook de kampen worden bewaakt.
Onder de steeds grimmiger wordende anti-Nederlandse stemming slaagde men erin om de naar schatting 46.000 personen op te halen op vastgestelde tijdstippen, te vervoeren met bijeen gezochte vervoersmiddelen en ongedeerd af te leveren op snel uitgezochte locaties en kampen, waar terstond een bewaking werd ingesteld.

Na de mannen nu de vrouwen

De sfeer die Johan Fabricius midden 1945 in Batavia aantrof was door de gewelddadige acties van jeugdige Pemoeda’s gericht tegen alle Europeanen, uiterst grimmig. Anarchie voerde de boventoon. Na de mannen nu de vrouwen

Door de razend snel om zich heen grijpende, onbeheersbare onrust in vooral steden en dorpen op Java en Madoera, werden kort na de internering van de mannen nu ook de achtergebleven vrouwen en kinderen uit hun woningen opgehaald en naar bewaakte kampen gebracht. De angst voor het willekeurige en gewelddadig optreden van de Pemoeda’s had gemaakt dat zij zich in hun woningen terugtrokken en zo onzichtbaar mogelijk leefden.
De Indo’s, maar ook de met Nederland sympathiserende Indonesiërs bevonden zich in een beklagenswaardige positie, schreef Johan Fabricius in zijn boek ‘Hoe ik Indië terugvond’. Hij was in de begindagen van de Bersiap als oorlogscorrespondent in Batavia werkzaam. Door zijn werk kwam hij op vrijwel alle onveilige stadsdelen van Batavia onvermijdelijk in contact met groepen Pemoeda’s, waarbij hij soms zelf ternauwernood het vege lijf kon redden.
Op tal van momenten werd hij rechtstreeks geconfronteerd met de hachelijke situatie waarin vooral Indo’s zich bevonden.
Het kidnappen was een voortdurende bedreiging.
Mensen werden uit hun bed gelicht of verdwenen in de nabijheid van hun huis. Men hoorde nooit meer van hen. De geheimzinnigheid, het zwijgen, dat om deze misdaden hing, werkte nog meer enerverend dan het gevaar op straat te worden doodgeschoten.

Massale interneringsgolf

Een maand na het uitroepen van de Republiek Indonesia begonnen de revolutionaire jongeren (Pemoeda’s) zich te roeren. Ongeorganiseerde jeugdbenden uit de kampongs sloten zich hierbij aan met als enig motief d.m.v. roof, moord en doodslag Europese huizen te plunderen.

De beginfase van de revolutie kenmerkte zich door chaos en anarchie. De door de Japanners beoogde paraatheid van de Indonesische jongerenorganisaties tegen de geallieerde vijand sloeg om in een explosieve haat tegen Nederlanders en Indo-Europeanen. Het optreden van de opstandige jeugd openbaarde zich door intimidatie, voedselboycots, afsluiten van waterleiding, telefoon en elektriciteit, grof geweld en uiteindelijk moord.
In de grote steden vielen er dodelijke slachtoffers onder Nederlandse en Indische families. Plundering, moord en doodslag, schietpartijen op straat vertoonden een pandemonium van bloed en afgehakte lichaamsdelen.
De Republikeinse leiders hadden de chaos niet meer in de hand.
Midden in deze kritieke situatie heeft waarschijnlijk Soekarno omstreeks begin oktober 1945 in een radiorede de opdracht gegeven om alle Nederlanders en Indische Nederlanders te interneren om hen te beschermen tegen het kwaad om hen heen. Van 11-19 oktober 1945 werden inderdaad over heel Java en Madoera de interneringen uitgevoerd.
Alle Europese en Indische mannen en jongens en een deel van de vrouwen en kinderen werden van huis opgehaald en in bewaakte kampen ondergebracht. Later werden de overgebleven vrouwen en kinderen eveneens opgehaald. Net op tijd!
De massahysterie begon om zich heen te grijpen.

Bersiap

Eind september 1945 begon de Indonesische revolutie zich te richten op de Indo-Europeanen, door hun Nederlandse nationaliteit, op de Chinezen, als welvarende handelsgroep, op de Menadonezen en Ambonezen, door hun banden met het KNIL. Zij allen werden het doelwit van geweld.

De kreet ”Bersiap” is volgens Roeslan Abdulgani, in zijn ‘Indonesische versie van de Bersiap periode’, ontstaan in de 30-tiger jaren bij de Nationalistische Padvinderij Organisatie. Het stamwoord “Siap” betekent letterlijk “Geeft acht”. Bij de militaire training van Japanners aan Indonesische jeugdigen werd dit woord populair.
In navolging van het bevel “Géééééft Acht” schreeuwde men een langgerekt “Siàààààp”.
Tijdens de Indonesische revolutie was de Bersiap-kreet een sein aan Pemoeda-benden om aan te vallen. Dat gebeurde in de periode oktober t/m december 1945, die dan ook de gewelddadige Bersiapperiode werd genoemd.

Die aanvallen werden met fanatiek opgezweepte haat uitgevoerd op Nederlandse personen, Indo-Europeanen en alle met Nederlanders sympathiserende Indonesiërs en Chinezen.
De Indo-Europeanen werd vooral verweten dat zij in de Japanse tijd zoveel mogelijk hun bloedverwantschap met de Indonesische bevolking hadden gebruikt om buiten de Japanse interneringskampen te blijven.
Na de Japanse capitulatie haalden zij hun Nederlandse nationaliteit weer naar voren. Net als indertijd de Japanners, probeerden nu de Indonesiërs druk op de Indo-Europeanen uit te oefenen om de zijde van de Republiek te kiezen.
Men bleef halsstarrig weigeren.
Eind september 1945 verschenen aanplakbiljetten met de oproep om die parasieten, de Indo’s, uit te roeien.

Sinterklaas 1957


De Sinterklaasavond van 1957 verliep voor
50.000 Nederlanders dramatisch, omdat ze juist
op deze dag hoorden dat ze Indonesië moesten
verlaten. Het was de climax van oplopende
spanningen en toenemende haat tegen de Nederlanders
als gevolg van de Nieuw-Guinea kwestie.

Niemand van de Nederlandse gemeenschap had er eind
1957 op gerekend dat ze weg moesten uit Indonesië.
Maar de Indonesische regering had genoeg van de
Nederlanders, die zich gedroegen alsof het land nog
steeds van hun was. Bovendien viel Nieuw-Guinea nog
onder Nederlands bestuur.
Twee pijnlijke zaken, die in december 1957 tot
utbarsting kwamen.
Al weken scandeerden de nationalisten tijdens massademonstraties
leuzen tegen de “Hollandse ratten”.
Ze werden daarbij flink aangevoerd door nationalistische
toespraken van Soekarno.
Het hek was van de dam toen de Verenigde Naties op 29
november 1957 besloot dat Nieuw-Guinea toch onder
Nederlands bestuur bleef.
De Indonesiërs gingen over tot bezetting van de
Nederlandse bedrijven.
Duizenden Nederlanders moesten de maanden daarna
uit Indonesië vertrekken.
Het Sinterklaasfeest van een week erna werd er opeens
heel anders door. Soekarno gaf juist op deze dag een
uitwijzingsbesluit uit voor vrijwel alle Nederlanders.
Pakjesavond werd zelfs helemaal verboden, omdat het
een puur Hollands feest was.
Na Sinterklaas kwam de uittocht van veel Nederlanders
op gang. Zij probeerden een plekje op één van de
schepen te bemachtigen en lieten huis en haard achter.

Corruptie


In de jaren ’50 groeide de macht van het leger in
Indonesië tot ongekende hoogte. Militairen
namen op elk bestuurlijk gebied de zaken in
handen. Hun invloed op het sociaaleconomische
leven van de bevolking leidde tot een
desastreuze samenleving.

Het Indonesische volk werd in de jaren ná de soevereiniteitsoverdracht
door de militairen compleet uitgebuit.
Corruptie en ander onwettig gedrag van zowel de
militairen als de burgerlijke autoriteiten was aan de orde
van de dag. Meer dan 60% van de door de overheid
opgeëiste bevolkingsproducten o.a. suiker en textiel
werden door de militairen doorverkocht aan Chinese
handelaren, 40% werd verkocht voor hoge prijzen.
De bevolking werd gedwongen hoge prijzen op de zwarte
markt te betalen voor hun dagelijks levensonderhoud.
Hiervoor verkochten ze hun kostbaarheden en zelfs hun
spaarzame veestapel aan Chinezen waarbij plaatselijke
militairen de helpende hand boden.
Alles was te koop, als het maar liep via de militairen, van
de militaire gouverneur tot de onbelangrijkste sergeant.
Ach, zo gaat dat nu eenmaal in het Oosten zeiden ze in
het Westen. Corruptie kent vele gezichten. In Indonesië
zei men toen: corruptie is een dochter van de nood.
De koopman die zijn bederfelijke waar op tijd bij de
wachtdoende militair in de haven wilde loskrijgen
verkeerde in een dwangpositie en dat is ook het geval
met diezelfde kinderrijke wachtdoende militair in de
haven die slechts een minimum aan salaris ontving.
Talrijke Europeanen maakten zich in hun relaties met
Indonesië en Indonesiërs aan omkoping schuldig, precies
zoals de Indonesiërs onder elkaar. Ze deden het allen,
als gevers en ontvangers, uit verweer tegen de
administratieve situatie.