Sinterklaas 1957


De Sinterklaasavond van 1957 verliep voor
50.000 Nederlanders dramatisch, omdat ze juist
op deze dag hoorden dat ze Indonesië moesten
verlaten. Het was de climax van oplopende
spanningen en toenemende haat tegen de Nederlanders
als gevolg van de Nieuw-Guinea kwestie.

Niemand van de Nederlandse gemeenschap had er eind
1957 op gerekend dat ze weg moesten uit Indonesië.
Maar de Indonesische regering had genoeg van de
Nederlanders, die zich gedroegen alsof het land nog
steeds van hun was. Bovendien viel Nieuw-Guinea nog
onder Nederlands bestuur.
Twee pijnlijke zaken, die in december 1957 tot
utbarsting kwamen.
Al weken scandeerden de nationalisten tijdens massademonstraties
leuzen tegen de “Hollandse ratten”.
Ze werden daarbij flink aangevoerd door nationalistische
toespraken van Soekarno.
Het hek was van de dam toen de Verenigde Naties op 29
november 1957 besloot dat Nieuw-Guinea toch onder
Nederlands bestuur bleef.
De Indonesiërs gingen over tot bezetting van de
Nederlandse bedrijven.
Duizenden Nederlanders moesten de maanden daarna
uit Indonesië vertrekken.
Het Sinterklaasfeest van een week erna werd er opeens
heel anders door. Soekarno gaf juist op deze dag een
uitwijzingsbesluit uit voor vrijwel alle Nederlanders.
Pakjesavond werd zelfs helemaal verboden, omdat het
een puur Hollands feest was.
Na Sinterklaas kwam de uittocht van veel Nederlanders
op gang. Zij probeerden een plekje op één van de
schepen te bemachtigen en lieten huis en haard achter.

Corruptie


In de jaren ’50 groeide de macht van het leger in
Indonesië tot ongekende hoogte. Militairen
namen op elk bestuurlijk gebied de zaken in
handen. Hun invloed op het sociaaleconomische
leven van de bevolking leidde tot een
desastreuze samenleving.

Het Indonesische volk werd in de jaren ná de soevereiniteitsoverdracht
door de militairen compleet uitgebuit.
Corruptie en ander onwettig gedrag van zowel de
militairen als de burgerlijke autoriteiten was aan de orde
van de dag. Meer dan 60% van de door de overheid
opgeëiste bevolkingsproducten o.a. suiker en textiel
werden door de militairen doorverkocht aan Chinese
handelaren, 40% werd verkocht voor hoge prijzen.
De bevolking werd gedwongen hoge prijzen op de zwarte
markt te betalen voor hun dagelijks levensonderhoud.
Hiervoor verkochten ze hun kostbaarheden en zelfs hun
spaarzame veestapel aan Chinezen waarbij plaatselijke
militairen de helpende hand boden.
Alles was te koop, als het maar liep via de militairen, van
de militaire gouverneur tot de onbelangrijkste sergeant.
Ach, zo gaat dat nu eenmaal in het Oosten zeiden ze in
het Westen. Corruptie kent vele gezichten. In Indonesië
zei men toen: corruptie is een dochter van de nood.
De koopman die zijn bederfelijke waar op tijd bij de
wachtdoende militair in de haven wilde loskrijgen
verkeerde in een dwangpositie en dat is ook het geval
met diezelfde kinderrijke wachtdoende militair in de
haven die slechts een minimum aan salaris ontving.
Talrijke Europeanen maakten zich in hun relaties met
Indonesië en Indonesiërs aan omkoping schuldig, precies
zoals de Indonesiërs onder elkaar. Ze deden het allen,
als gevers en ontvangers, uit verweer tegen de
administratieve situatie.

Koloniale houding bleef gehandhaafd

Op grond van de Rondetafelconferentie in 1949 oefenden politiek gesproken na de soevereiniteitsoverdracht, de Indonesiërs in Indonesië de macht uit. Voor wat betreft de economische macht bleef het accent liggen op de Nederlandse handelshuizen en grote plantages.

De eerste Indonesische regeringen deden grote moeite de negatieve opinie tegen de Nederlanders gunstig te stemmen, daarbij aangevend welke cruciale rol het Nederlands bedrijfsleven speelde bij de ontwikkeling van de nationale economie.
Het volk begon echter te morren bij het zien van de vooroorlogse levensstijl van de Europeanen, in casus de Nederlanders, die hun gedrag en comfort van vroeger uitbundig voortzetten.
In 1951 schreef de Hoge Commissaris Lamping nog aan Den Haag dat de vooroorlogse apartheid mentaliteit nog steeds werd gehandhaafd. Hij waarschuwde, dat deze koloniale houding (en gedrag) van de Nederlanders zodanige irritaties bij de Indonesiërs opriep, dat grote schade zou kunnen worden berokkend aan het Nederlandse bedrijfsleven in Indonesië.
De nachtmerrie van het koloniale regiem zit er bij het volk nog diep in, de herinnering aan de bloedige eindstrijd, het lijden en de overwinningen, de frontgeest en zijn kameraadschap was voor deze generatie een levensbepalende ervaring. Haar wereldbeeld was nog gekleurd door de tegenstelling ‘blanke heersers- onder- drukte Aziaten, waarom zij rijk en wij niet’.
En toch bleven de Nederlanders doof voor het gevaar. In een Bandungse Club werden Indonesiërs geweerd, men zou niet met hun kunnen praten. De Nederlandse bedrijfsleiding, adviseurs en deskundigen bleven zich in de ogen van de Indonesiërs arrogant en unfair gedragen.

De inname van de Zuid-Molukken


Tijdens de invasie van de Zuid-Molukken
popelden de duizenden Ambonese militairen in
de kampen op Java om mee te vechten tegen het
Indonesische leger. Dat werd hun onmogelijk
gemaakt door de Nederlandse en Indonesische
autoriteiten.

Zonder uitzondering waren alle Ambonese ex-KNIL
militairen het eens met een onafhankelijk RMS. Hun
wens om gerepatrieerd te worden naar Ambon werd door
de Indonesische autoriteiten verboden. Dit om een
grootschalig verzetscentrum op Ambon te vermijden.
Een vredesmissie van dr. Leimana van het Republikeins
Kabinet in Jakarta mislukte. Een Nederlandse missie die
de militairen opdracht gaf om naar hun barakken terug
te keren had als resultaat dat de militairen ontslag
vroegen om loyaal hun diensten aan de RMS aan te
bieden.
Een tweede missie van dr. Leimana liep stuk op het feit
dat inmiddels het leger had besloten Ambon aan te
vallen. Dr. Leimena werd op Ambon begroet met een
bombardement van de Indonesische luchtmacht.
Gesterkt door de geslaagde aanval op Makassar was het
Legerhoofdkwartier in Jakarta nu bereid om de laatste
weerstand van het KNIL in Ambon stevig aan te pakken.
Met een strijdmacht van circa 20.000 man landde de
Indonesische invasiemacht op diverse plaatsen in de
molukse archipel, met name op Buru en Ambon.
De defensie van het RMS-leger, hoewel in aantal ver de
mindere, was furieus en krachtig. Aan beide zijden
sneuvelden zeer velen en het aantal doden onder de
burgerbevolking was hoog, velen werden dakloos.
Na de inname van Ambon verplaatste de strijd zich
naar het eiland Ceram, waar tot in de jaren 70 nog
guerrilla activiteiten plaatsvonden.

De Republiek der Zuid Molukken


Hoeveel publiekelijke ondersteuning met het
uitroepen van de RMS gepaard ging is niet geheel
duidelijk. Historicus H. Meyer gaat ervan uit dat
alle Christelijke Ambonezen de RMS ondersteunde.
E. Utrecht noemde bijna alle Christenen plus
een derde van de Muslims.

(Wat er aan vooraf ging)
Begin 1946 kwam er in Ambon een pro-Republik
Indonesia beweging op, die uiteindelijk zijn weerslag
vond in de Partai Indonesia Merdeka (PIM). De PIM was
marxistisch getint en eiste onder leiding van Urbanus
Pupella aansluiting met de Indonesisch Republiek.
In 1950 waren nog twee partijen actief in Ambon, de
conservatieve Gabungan Sembilan Serangkai (GSS), die
door de traditionele radjas en andere elitaire leiders
werd gesteund, en de Gerakan Democraat Maluku
Selatan (GDMS) van J. A. Manusama, een politiek
gematigde partij, die niet op voorhand de aansluiting
met de Republik Indonesia afsloeg.
Alles op Ambon was rustig, het politieke spel raakte de
bevolking nauwelijks, slechts de elite hield zich met
politiek bezig.
Dan kwamen Ambonese parachutisten en Commandoeenheden
van het KNIL terug in Ambon. Direct daarop
ontstonden schermutselingen met de PIM-aanhangers.
Er vielen doden. De politie schaarde zich achter de KNIL
militairen. Er was nieuws over een ontbinding van het
federaal stelsel en een mogelijke invasie van Javaanse
eenheden op Ambon. Verder het nieuws over Andy Azis
en de inval van Indonesische strijdkrachten in Makassar.
Er was paniek en in deze over elkaar duikelende
controversiële berichtgeving besloot de Conservatieve
Partij op 25 april 1950 de Onafhankelijke Republik
Maluku Selatan (RMS) uit te roepen.

Politiek geharrewar over Nieuw-Guinea

Een poging tot staatsgreep in de federale staat
Pasoendan (Bandoeng en omliggende regio’s),
kort na de soevereiniteitsoverdracht op 27 dec.
1949, vormde voor Indonesië de aanleiding om
de Verenigde Staten van Indonesië af te breken.

De federale staat Pasoendan werd ontmanteld en op 11
maart 1950 onder centraal bestuur geplaatst. In de
volgende maanden werden één voor één de overige
federale staten ontbonden en op 17 augustus 1950 werd
de eenheidsstaat ‘Republik Indonesia’ uitgeroepen.
Gebeurtenissen die in Nederland als contractbreuk
werden beschouwd en de gemoederen in de regering
sterkten om de status van Nieuw-Guinea ongewijzigd te
houden.
Er werd begonnen met de opbouw van zelfbeschikking
voor de Papoea’s, de bevolking moest onder Nederlands
gezag tot rijpheid en zelfbestemming worden gebracht.
Gezien het culturele peil van de bevolking zou daarmee
heel wat tijd heen gaan.
Op de eerste ministersconferentie van de Nederlands-
Indonesische Unie in 1950 werden beide partijen het niet
eens over het geschil Nieuw-Guinea. Nederland stopte de
kwestie Nieuw-Guinea in de “ijskast”.
Langzamerhand werd de verhouding tussen de twee
landen slechter en later zelfs vijandig.
Met de komst van een nieuw kabinet van premier
Harahap voerden de twee landen eind 1955 opnieuw
besprekingen met elkaar, eerst in Den Haag en daarna
op neutraal terrein in Geneve. Ook de kwestie Nieuw-
Guinea kwam aan de orde.
De conferentie in Geneve mislukte en als protestgebaar
werd door Indonesië eenzijdig

De kwestie Nieuw-Guinea


Het Nederlands bestuur in Westelijk Nieuw-
Guinea zal gehandhaafd blijven (status quo),
echter met de bepaling dat, binnen een jaar
vanaf de datum van soevereiniteitsoverdracht,
over de politieke status van Nieuw-Guinea
overleg zal plaatsvinden tussen Nederland en de
Republiek der Verenigde Staten van Indonesië.

Ondanks eerder vastgelegde afspraken besloot
Nederland tijdens de Nieuw-Guinea Conferentie van
1950 vast te houden aan zijn bezit. Nederlands Nieuw-
Guinea moest als zodanig behouden blijven.
Het laatste stukje Indië zou dienen als vestigingsgebied
voor Indische Nederlanders die het nieuwe Indonesië
moesten ontvluchten en, getuige het dwingende
ontmoedigingsbeleid van de Nederlandse regering, ook
in Nederland niet welkom zouden zijn.
Een ander argument om het beheer van Nieuw-Guinea te
bestendigen was om de Papoea bevolking op korte
termijn te begeleiden naar het recht op zelfbeschikking.
De Papoea bevolking zou in staat gesteld moeten worden
om op een bepaald tijdstip geheel zelfstandig te kunnen
kiezen zich wel of niet aan te sluiten bij Indonesië.
Voor het merendeel van de bevolking gold, dat op dat
moment de naar schatting 400.000 Papoeas in hun
onderontwikkelde status niet in staat zouden zijn om een
gefundeerde keuze te maken.
Hier zou nu een schone taak voor Nederland liggen.
Aan de voortzetting van de verantwoordelijkheid van
Nederland over Nieuw-Guinea zou verder geen politiek
kolonialistisch streven ten grondslag liggen, eerder zou
het een goedbedoeld en humanistisch doel dienen.
Soekarno en zijn regering voelden zich bedrogen. Steeds
had Soekarno geroepen dat zijn onafhankelijk Indonesia
zich zou uitstrekken van Sabang tot Merauke in het
zuidelijkste puntje van Westelijk Nieuw-Guinea.