NICA

Op 3 april 1944 werd in Australië de NICA (Netherlands Indies Civil Administration) opgericht. De organisatie was verantwoordelijk voor het burgerlijk bestuur en de rechtspraak in de Nederlands-Indische gebieden die op de Japanners heroverd werden.

Luitenant-Gouverneur-Generaal H.J. van Mook en generaal Douglas MacArthur, opperbevelhebber SWPA, kwamen begin 1944 overeen dat de Amerikaanse troepen in de heroverde gebieden van Nederlands-Indië voor de bestuurstaken de NICA zou inzetten.
Het personeel van de NICA was militair of gemilitariseerd en droeg een uniform.
In april 1944 gingen de eerste NICA-detachementen aan land in Nieuw-Guinea (Hollandia, Biak, Noemfoer en Manokwari), de Molukken (Morotai) en Borneo (Tarakan en Balikpapan).
Bekend werd dat na 15 augustus 1945 Nederlands-Indië (minus Sumatra) naar het Britse bevelsgebied van SEAC werd overgeheveld.
De herbezetting van Borneo, Celebes, de Molukken en de andere eilanden in Oost-Indonesië was nu een Australische en de herbezetting van Sumatra, Java, Bali en Lombok een Britse verantwoordelijkheid.
Op 24 augustus werd daarom met de Britten een nieuwe Civil Affairs Agreement gesloten.
In september 1945 kwamen de eerste NICA-vertegen-woordigers in Batavia aan.
Omdat de Indonesiërs fel reageerden op de komst van de NICA (met in de naam Netherlands Indies) werd in januari 1946 de naam gewijzigd in AMACAB (Allied Military Administration, Civil Affairs Branch). Ondanks haar naam bestond de organisatie volledig uit Nederlands-Indische ambtenaren.

APWI en IFTU


In april 1946 sloten de Indonesische autoriteiten met de Britse legerleiding op Java een formeel akkoord over de evacuatie van alle geïnter-neerden vanuit republikeins gebied naar de steden. De Nederlandse autoriteiten werden buiten de besprekingen gehouden.

De eerste Brits-Indonesische bespreking van 9 januari 1946 ging over de begeleiding van APWI uit de binnenlandse kampen door POPDA-manschappen.
Het begrip APWI werd als volgt gedefinieerd: alle ex-Japanse geïnterneerden (dus alle Allied Prisoners of War and Internees). Tegelijk werd onder dezelfde noemer geplaatst de nieuwe groep geïnterneerde Indo-Europeanen die door de Engelsen IFTU (Inhabitants Friendly To Us) werden genoemd.
Dat betekende dat onder het begrip APWI werd begrepen alle totoks en Indo-Europeanen uit Japanse interneringskampen én totoks en Indo-Europeanen die tijdens de Bersiap in Republiekeins kampen waren ondergebracht. In de laatste drie maanden van 1945 werden in totaal circa 46.000 mannen, vrouwen en kinderen geïnterneerd.
Onder de groep van 46.000 personen bevonden zich circa 4.500 blanke Nederlanders (totoks). Na de Japanse capitulatie op 15 augustus hebben zij het geallieerde bevel om in de kampen te blijven genegeerd en zijn op eigen houtje naar hun oude woningen in republikeins gebied teruggekeerd om vervolgens opnieuw te worden geïnterneerd tijdens de Indonesische interneringen in de Bersiap periode.
De Indonesische organisatie POPDA (Panitia Oeroesan Pengangkoetan Djepang dan APWI – Organisatie voor de evacuatie van Japanners en APWI) was nu verantwoordelijk voor de evacuaties.

RAPWI in Indonesië

In februari 1945 werd de organisatie “Recovery of Allied Prisoners of War and Internees” (RAPWI) opgericht. Admiraal Lord Mountbatten, opperbevelhebber van South East Asia Command (SEAC) beoogde hiermee om RAPWI-teams in te zetten achter de oprukkende geallieerde troepen.

De RAPWI-teams kregen de opdracht om de opvang van krijgsgevangenen en geïnterneerden te verzorgen. Met de plotselinge capitulatie van Japan moest in het hele bevelsgebied van SEAC gelijktijdig alle hulp worden geboden.
Nadat men van de Japanse commandanten op Java en Sumatra de verzekering had gekregen dat zij zich aan het capitulatiebevel zouden houden (handhaving van rust en orde), kwam op 28 augustus de RAPWI op gang. Zowel kampbewoners als Japanners kregen instructies via boven de kampen uitgeworpen pamfletten. Daarna werden contactteams gedropt bij de interneringskampen.
Het eerste team o.l.v. majoor A.G. Greenhalgh landde op 8 september in Batavia. Daarna volgden RAPWI-teams in Magelang, Soerabaja, Bandoeng en Semarang.
Op Sumatra liep de zaak op rolletjes na voorbereidend werk van teams uit het Korps Insulinde. RAPWI-teams leidden de evacuaties vanuit de kampen naar Padang, Medan en Palembang. Eind november waren alle kampen ontruimd.
Op Java werd het werk van de RAPWI-teams in een snel verslechterende politieke situatie bemoeilijkt door het Pemoeda-geweld tegen Nederlanders en Indo’s. Toen in oktober Indonesiërs met Britten en Japanners in strijd raakten, stagneerden de evacuaties vanuit de kampen naar de inmiddels gevormde Engelse bruggenhoofden op Java. Alleen met hulp van goedwillende Indonesische voormannen werd enige voortgang geboekt.

Engelse troepen naar Indië

Pas op 28 september gaan de eerste Britse en Indiase eenheden aan land in Batavia. Mountbatten stuurt drie divisies naar Nederlands-Indië: de 23ste Indian Division en 5de Indian Division gaan naar Java, de 26ste Indian Division naar Sumatra.
Door de politiek explosieve situatie besluit Mountbatten af te zien van de voorgenomen herbezetting van het eiland Java en Sumatra. Hij besluit alleen bruggenhoofden te bezetten (de key-area strategie): Batavia en Soerabaja op Java en Padang, Medan en Palembang op Sumatra. Later worden daar op Java Bandoeng, Buitenzorg en Semarang aan toegevoegd.

De Britse en Indiase troepen zijn er om twee taken uit te voeren: het geven van hulp (voedsel, medicamenten, hulp aan zieken, kleding, enz) aan de ex-geïnterneerden in de Japanse kampen en de evacuatie van de Japanners.
Onder geen beding mogen de troepen worden ingezet tegen de jonge Republiek Indonesië. Om een escalatie te voorkomen verbiedt Mountbatten op 19 november bovendien de landing van Nederlandse troepen op Java en Sumatra.

De Onwankelbare staat Indonesië

In het boekje “Van proclamatie tot onwankelbare staat”, gepubliceerd door de Ambassade van de Republiek Indonesië in Nederland, uitgave 2002”, valt de term onwankelbaar ietwat vreemd op.

De subtitel “De Republiek Indonesië van 1945-1950”, geeft aan dat het boekje handelt over de uiterst wankele, gewelddadige beginperiode van Indonesië op weg naar een onafhankelijke staat. Het beschrijft die periode waarin men nog hevige strijd leverde met de Nederlanders, terwijl men intussen ook intern bezig was met de uitwerking van de staatkundige grondbeginselen voor de nieuwe staat Indonesië, zoals die in 1945 hun beslag kregen in de nieuwe Grondwet, bekend als de UUD 1945 (Undang- Undang Dasar 1945).
Het boekje vermeldt dat in die zomer van 1945 men vastberaden was over de onafhankelijkheid. Naar later bleek, veel vastberadener dan de Nederlanders en de oprukkende geallieerden vermoedden.
Voorbij gegaan wordt aan de drie jaren Japanse bezetting, die het Indonesische volk grondig hadden veranderd. De Japanners betrokken de Indonesische intelligentsia veel meer bij het bestuur dan de Nederlanders hadden gedaan, het zelfvertrouwen van die groep nam toe. De landelijke bevolking werd veel wreder uitgebuit dan de Nederlanders ooit gedaan hadden, de haat tegen overheersing nam toe. Daar kwam nog bij dat de Nederlanders indirect hadden geregeerd d.m.v. de inheemse adel. De Japanners heersten direct tot diep in elke kampong en vernielden daarmee het effect van het traditionele gezag door de regentenklasse. Nooit eerder was de bevolking bereid om te strijden voor een onwankelbare onafhankelijkheid.

Rapwi

De RAPWI (Recovery Allied Prissoners of War and Internees) slaagde erin op Java en Sumatra 23.250 ex-Japanse geïnterneerden op te vangen en te verzorgen. Op 26 januari 1946 wordt de RAPWI op Java officieel opgeheven, hulpdiensten vielen onder AMACAB, een Nederlandse bestuursorganisatie, voorheen NICA.

Pas na de komst van de eerste RAPWI-teams lopen de spanningen op en vinden steeds meer incidenten plaats. Eind september 1945 nemen Indonesische jongeren (pemoeda’s) in Djokjakarta, Solo, Malang, Bandoeng, Soerabaja, Batavia de publieke diensten en overheidsgebouwen over van het Japanse bestuur. Tegelijkertijd wordt een algemene voedselboycot afgekondigd tegen Europeanen en wordt de toevoer van water en elektriciteit naar de interneringskampen afgesneden.
Eind september breekt de Bersiap in alle heftigheid uit. In de grote steden op Java vinden in de maanden oktober, november en december 1945 aan de lopende band ontvoeringen (verdwijningen), beschietingen, berovingen en moorden plaats. Vooral Indo-Europese, Chinese en Molukse families die buiten de kampen verblijven, ongewapend zijn en verspreid van elkaar wonen, zijn slachtoffer van het geweld. De Bersiap bereikt een hoogtepunt in de laatste weken van oktober en in de maand november. In die periode zijn Britse troepen in gevechten verwikkeld met Indonesiërs in Midden-Java en in Soerabaja. Eind december 1945 slagen de Britse troepen in Batavia erin de rust te herstellen maar in Bandoeng blijft het tot maart 1946 onrustig. De schatting van het aantal burgerslachtoffers tijdens de Bersiap loopt sterk uiteen: over heel Java zouden in de drie laatste maanden van 1945 tussen de 3.500 en 20.000 doden zijn gevallen.

Snelle internering van Nederlanders en Indo’s

In haar proefschrift “De Republikeinse kampen in Nederlands-Indië, oktober 1945 – mei 1947, getuigt de auteur Mary van Delden, op een indringende wijze van de interneringen van Nederlanders en Indo-Europeanen in de Bersiap- tijd. De Republik Indonesia was net uitgeroepen.

In de maanden oktober, november en december 1945 hebben de interneringen plaatsgevonden. Vooraf wees Sukarno in zijn brief aan de Britse bevelhebber Christison dat hij vreesde voor een Indonesisch-Nederlandse rassenoorlog, waarbij naar zijn mening geen enkele macht in Indonesië in staat zou zijn de veiligheid van Nederlanders en Indo ’s te garanderen. Dit zou de internationale erkenning van de jonge Republiek sterk kunnen schaden. De explosieve situatie vereiste snel handelen. En dus begon men kort na de brief van Sukarno met de interneringen door Republikeinse manschappen waarbij eerst de mannen en daarna de vrouwen van huis werden opgehaald. Men gebruikte de lijsten van het Japanse Tonari-gummie-systeem waarop iedere inwoner naar woonadres geregistreerd stond.
Behalve de benodigde vervoermiddelen moesten ook in rap tempo locaties gevonden worden waar aan geïnterneerden bescherming kon worden geboden. Het geheel overziend werd een diversiteit aan locaties gebruikt, variërend van ex-Japanse interneringskampen, gevangenissen, hotels, kerken, kloosters, sanatoria, scholen en gebouwen van cultuurplantages tot vakantie-huizen, grote leegstaande huizen en kantoorpanden.
In de 18 residenties op Java ontstonden in de laatste drie maanden van 1945 in
West-Java 104 beschermde kampen, in Midden-Java 143 en in Oost-Java 142 en op Madoera 9. Ruim 46.000 mensen werden op die manier aan het Pemoeda-geweld in de Republiek onttrokken.