“De verdragspartners tijdens het Linggadjativerdrag, Nederland en Indonesië, ondertekenden de overeenkomst wel, doch het ontbrak hun aan goede wil en wederzijds vertrouwen”.
De Amerikaanse auteur Louis Fischer heeft tien jaar ná de bewogen periode 1945-1949, waarin taaie, slepende onderhandelingen uiteindelijk leidden naar de soevereiniteitsoverdracht, de Nederlandse hoofdrolspelers uit die tijd geïnterviewd.
Hij komt tot de volgende uitspraak:
“De Nederlanders zijn een halsstarrig, onbuigzaam volk. Hun militairen dragen op hun uniformen het motto van hun staat, “Je maintiendrai”, (Ik zal handhaven).
Een volk dat schier onbewoonbare moerassen tot een rijk, welvarend land heeft gemaakt en de zeebodem in vruchtbare akkers heeft veranderd, moet wel koppig, taai, aan zijn bezittingen verknocht en conservatief zijn.
De Nederlanders voelden zich nooit van Indonesië gescheiden. Het zit hun nog steeds in het bloed. Ze verlangen ernaar.
Ze spreken innig en bewogen over het land, hartelijk over zijn bevolking en verbitterd over zijn regering. Hun woningen zijn gevuld met batiks, Balinees houtsnijwerk, wajangpoppen en andere herinneringen. Hun harten zijn vol weemoed.
Dat alles doet pijn en pijn verandert liefde vaak in haat. Ze haten de politici die hun de onafhankelijkheid hebben afgedwongen”.