De Linggadjati-overeenkomst bezien door buitenlandse bril

“De verdragspartners tijdens het Linggadjativerdrag, Nederland en Indonesië, ondertekenden de overeenkomst wel, doch het ontbrak hun aan goede wil en wederzijds vertrouwen”.

De Amerikaanse auteur Louis Fischer heeft tien jaar ná de bewogen periode 1945-1949, waarin taaie, slepende onderhandelingen uiteindelijk leidden naar de soevereiniteitsoverdracht, de Nederlandse hoofdrolspelers uit die tijd geïnterviewd.
Hij komt tot de volgende uitspraak:
“De Nederlanders zijn een halsstarrig, onbuigzaam volk. Hun militairen dragen op hun uniformen het motto van hun staat, “Je maintiendrai”, (Ik zal handhaven).

Een volk dat schier onbewoonbare moerassen tot een rijk, welvarend land heeft gemaakt en de zeebodem in vruchtbare akkers heeft veranderd, moet wel koppig, taai, aan zijn bezittingen verknocht en conservatief zijn.
De Nederlanders voelden zich nooit van Indonesië gescheiden. Het zit hun nog steeds in het bloed. Ze verlangen ernaar.
Ze spreken innig en bewogen over het land, hartelijk over zijn bevolking en verbitterd over zijn regering. Hun woningen zijn gevuld met batiks, Balinees houtsnijwerk, wajangpoppen en andere herinneringen. Hun harten zijn vol weemoed.

Dat alles doet pijn en pijn verandert liefde vaak in haat. Ze haten de politici die hun de onafhankelijkheid hebben afgedwongen”.

Ataka, textiel’winkel’in de woestijn

De ‘eerste golf’ repatrianten uit Indië (1945- 1949) werd per boot overgebracht naar Nederland. Tijdens de reis werden zij in ‘Kamp Ataka’ nabij Suez, voorzien van warme kleding voor de koude winter en het vroege voorjaar in Holland.

1946. Een enorm kledingmagazijn ingericht in Ataka, een voormalig Brits legerkamp, voorzag de van alles berooide repatrianten uit Indië van warme kleren voor de winter in Holland.
Het was een gezamenlijk initiatief van de ‘Repatriëringsdienst-Indie’ van de Overheid, de ‘Oost- Indische Kamer’ van het Rode Kruis en het particuliere Comité ‘Nederland helpt Indië’.
De boten met repatrianten op weg naar Nederland meerden af in de havenstad Adabya.
Per trein werden groepen van circa 400 man overgebracht naar de grote kledinghangar aan de voet van het steile Ataka-rotsgebergte, de reis duurde een kwartier.
De enorme kledingloods was rijkelijk versierd met vlaggen, de voorste helft was ingericht als ontvangst centrum waar snacks werden geserveerd.
Er speelde ook een orkestje van soms Duitse en soms Italiaanse krijgsgevangen populaire Engelse songs.
De winkelafdeling in het achterste gedeelte was verdeeld in drie gaanderijen, één voor dames, één voor heren en één voor kinderen.
Boven- en onderkleding, schoeisel, toiletartikelen, sjaals, handschoenen, enz. Er werd gepast en geruild. Voor mannen de eerste stropdas, plusfours, enz..
Alles was gratis en van goede kwaliteit. Iedereen kreeg een witte plunjezak om alles op te bergen.

Linggadjati getekend

Langdurig werd er in de Tweede Kamer getwist over het nog te tekenen Linggadjati-akkoord. Het was Romme (KVP-leider) die onder zware druk alsnog het reeds geparafeerde concept-akkoord voorzag van een extra aantekening.

“Vertel mij toch, wat is een aangeklede en wat is een uitgeklede overeenkomst?”.
“Je hebt het natuurlijk over de ontwerp-overeenkomst van Linggadjati die op 15 november 1946 onder Britse bemiddeling door beide partijen werd geparafeerd. Nadien woedde er in Nederland een ware oorlog tussen pro’s en contra’s, in deze volgorde tussen PVDA en KVP. Daardoor kon de overeenkomst niet snel worden ondertekend”.
“En wij hier in Indië stonden in brand. Hoelang hebben die kabeljauwse twisten dan wel geduurd?”.
“Wel 4 maanden. Uiteindelijk bood Nederland de Republikeinen, o.l.v. van Soetan Sjahrir, een overeenkomst aan gebaseerd op de reeds geparafeerde overeenkomst. Echter, ze voegden er nogal wat andere eisen aan toe die te maken hadden met de veiligstelling van hun zeggenschap op de gang van zaken in Indië. De overeenkomst werd dus eenzijdig aangekleed met nieuwe eisen,
“Een Linggadjati met . . ”.
“Juist ja. Zoiets moesten ze mij niet flikken”.
“Dat pikte de Republiek ook niet. Intussen snapten Amerika en Engeland niet waarom het zolang moest duren. Door verhoogde internationale druk op Nederland, een dreigend bankroet vanwege het dure leger in Indië en een ernstig voedseltekort in de Indische grote steden, ondertekende Nederland op 25 maart 1947 ‘Linggadjati met . . . ‘, de Republiek tekende ‘Linggadjati zonder . . . ‘, dus uitgekleed”.

De Britse bezetting vertrekt

Het Britse bezettingsleger in Java bestond voornamelijk uit soldaten die afkomstig waren uit gebieden van het voormalig Brits-Indië. De nieuwe Staat India wilde ze graag terug hebben voor militaire dienst in het eigen land.
Dr. H J van Mook,

Indonesië, Nederland en de Wereld. Het tijdstip van vertrek van alle Britse troepen uit Sumatra en Java werd bepaald op 30 november ’46. Langer kon het ook niet duren, omdat in India in september een interim-regering was opgetreden en Premier Nehru een langer verblijf van Indiase troepen in Indonesië niet zou goedkeuren.
Er werd van Engelse zijde met klem aangedrongen op hervatting van besprekingen tussen Nederland en de Republiek Indonesië. In vervolg hierop zou de door Nederland ingestelde Commissie-Generaal in Indië besprekingen voeren
Al eerder werd in Borneo, Banka en Biliton, en de Grote Oost (alle eilanden in Oost Indonesië) door de geallieerde opperbevelhebber de verantwoordelijkheid voor deze gebieden overgedragen aan de Indische regering. Dit gebeurde op 15 juli 1946 te Makassar met een korte plechtigheid.
Van Mook, als Hoofd van de Indische regering, memoreerde in zijn rede . . “te betreuren dat dit thans vrije Indonesische gebied nog gescheiden is van de belangrijke eilanden Java en Sumatra. Maar die scheiding is, naar mijn volle overtuiging, kunstmatig. . . . .
Misschien, dat het voorbeeld van Borneo en de Grote Oost beslissend is voor de toekomst van Indonesië”. Als eerste maatregel werd in Borneo en de Grote Oost de staat van beleg opgeheven en het burgerlijk gezag hersteld.

Laurens van der Post

Laurens van der Post (Engels officier geboren in 1906 in Zuid-Afrika) was de belangrijkste politiek en militaire adviseur van admiraal Lord Mountbatten, de opperbevelhebber van het geallieerde leger in Zuidoost-Azie.

Als gedecoreerd Engels officier werd hij in 1942 naar Nederlands-Indië gezonden met een speciale missie. In april 1942 werd hij geïnterneerd in het Japanse krijgsgevangenkamp bij Bandoeng.
Na de capitulatie van Japan kreeg hij de opdracht de Engelse legerleiding bij te staan in de hun opgedragen taak om zowel de afvoer te regelen van Japanse troepen naar Japan als de evacuatie van de honderdduizend Nederlandse krijgsgevangen en burgergeïnterneerden uit de Japanse interneringskampen.
Even later brak de ‘Bersiap” uit en raakte hij betrokken in de chaotische vrijheidsstrijd van Indonesië.
Zijn berichten en adviezen over de gewelddadige situatie op Java werden door het Engelse opperbevel onverkort overgenomen. De Britse bezettingsmacht kreeg het consigne zich zoveel mogelijk afzijdig te houden in de Indonesische vrijheidsstrijd.
Tegen de achtergrond van de moeizaam beëindigde vrijheidsperikelen in de voormalige Engelse koloniën India, Birma en Maleisië, trachtte hij een rol te vervullen als intermediair tussen de Indonesische nationalisten en de Nederlandse regering die vast besloten was deze nationalisten te bestrijden. Zijn bemiddelingsbemoeienis, met een zekere sympathie voor de nationalisten, werd hem niet in dank afgenomen door de Nederlandse autoriteiten.
Na vertrek van de Engelsen in nov.’46 bleef Van der Post tot 1947 Engels militair attaché in Batavia.

Oprichting van Oost-Indonesië en Borneo

Met het akkoord van de conferentie van Malino, verklaarden vertegenwoordigers van de buiten Java en Sumatra gelegen eilanden zich akkoord met de oprichting van de deelstaten Oost- Indonesië en Borneo. Van Mook kon zich nu toeleggen op Linggadjati.

Met de resultaten van de Malino-conferentie kon Van Mook tijdens het tweedaags overleg op 12 november 1946 het LinGGadjatti-akkoord afronden.
Hierin staat aangegeven dat Nederland het gezag van de Republiek op Java en Sumatra erkende en dat Nederland op 1 januari 1949 de soevereiniteit zou overdragen aan de Verenigde Staten van Indonesië (VSI).
De VSI zou dan bestaan uit de Republiek (Java en Sumatra), en de deelstaten Oost-Indonesië en Borneo.
Nu moest zo snel mogelijk worden overgegaan tot de definitieve oprichting van Oost-Indonesië en Borneo.

De deelstaat Borneo kwam niet tot stand omdat grote delen van Borneo niet wilden meewerken. Daarvoor in de plaats werd de deelstaat West-Borneo opgericht, met aan het hoofd sultan Hamid II Alkadri van Pontianak.

De oprichtingsconferentie voor Oost-Indonesië vond in december 1946 plaats in Den Passar op Bali.
De 70 gedelegeerden, die deels door getrapte verkiezingen waren gekozen, werden door Van Mook tot parlement verklaard. Dit Parlement besloot tot oprichting van de deelstaat Oost-Indonesië, Negara Indonesia Timur. De hoofdstad werd Makassar, het volkslied werd het Republikeinse volkslied “Ïndonesia Raya”. Uiteindelijk werd Anak Agung Gde Agung minister-president van

De Malino-Federale gebieden

Ten tijde van de Malino-conferentie van 15-25 juli 1946 had in de betreffende deelgebieden de gezagsoverdracht plaatsgevonden van het geallieerde opperbevel aan de Indische regering. Het overleg kon dus gehouden worden zonder inmenging van derden.

Malino, een rustig dorpje op circa 1000 meter hoogte in de bergen van Zuid-Celebes, diende op 16 juli 1946 als conferentieplaats voor vertegenwoordigers van Zuid- Borneo, West-Borneo, Bali, Zuid-Celebes, Minahassa, Zuid-Molukken, Banka-Biliton-Riouw.
Er waren drie vragen die behandeld moesten worden.
   1. welk systeem van opbouw van de Indonesische staat de voorkeur verdiende, het federale of het unitarische,
   2. de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een overgangsperiode, waarin onder de soevereiniteit van Nederland, doch in nauwe samenwerking, die staat zou worden georganiseerd en uitgerust,
   3. de vraag of en welke duurzame band tussen Nederland en Indonesië zou worden gehandhaafd, wanneer de Indonesische staat zijn onafhankelijkheid zou hebben bereikt.
Men kwam tot de volgende conclusie:
-Een federalistische opbouw in niet te kleine eenheden had de voorkeur, -De noodzaak voor een overgangsperiode werd erkend,
-Een duurzame, bijzondere verhouding tussen Nederland en Indonesië was gewenst.
Voor een verdere uitwerking van het staatkundig bestel betreffende de nieuw te vormen deelstaten werd afgesproken op 30 november 1946 in Den Pasar op Bali weer bijeen te komen.

Sjahrir (1909-1966)

Minister Logemann van Overzeese gebieden (1945-1946) besliste: "Met Soekarno zal nièt, met Sjahrir wèl overlegd worden". Hoewel Sjahrir een nationalist was, werd hij als een aanvaardbare onderhandelingspartner gezien omdat hij niet met de Japanners had geheuld.

Sutan Sjahrir werd geboren op 5 maart 1909 in Padang- Pandjang (Sumatra). In 1929 kwam de 20-jarige Sjahrir naar Nederland om in Amsterdam economie te studeren. Hij werd actief in de Perhimpunan Indonesia, een beweging die was opgericht door studenten die in Nederland studeerden en daar in aanraking kwamen met ideologieën als nationalisme, liberalisme en met de staatsidee van democratie. Naast Sjahrir was ondermeer ook Mohammed Hatta actief in de vereniging.
Sjahrir keerde terug naar zijn vaderland en nam samen met Hatta de leiding van de Pendidikan Indonesia op zich.
Beiden konden zich niet verenigen met het nationalisme van Soekarno’s Partai Nasional Indonesia. Sjahrir en Hatta legden meer nadruk op een goed opgeleid bestuur.
Na de muiterij op "De Zeven Provinciën" (1933) traden de Nederlanders scherper op tegen personen van nationalistische aard. Sjahrir samen met Soekarno en Hatta, en nog enkele tientallen nationalisten werden gearresteerd.
Van 1945–1947, na de uitroeping van de Indonesische onafhankelijkheid was Sjahrir premier.
In 1948 stichtte hij de gematigde Partai Socialis Indonesia (PSI). Wegens verzet tegen de politiek van president Soekarno werd hij geïnterneerd van 1962– 1965. OP 9 april 1966 stierf hij in Zurich.

Mohammed Hatta

Mohammed Hatta werd geboren in Bukittinggi (Sumatra) op 12 augustus 1902. Hij was de eerste vice-president van het in 1945 tot onafhankelijke staat uitgeroepen Indonesië. In 1956 trok hij zich terug uit de politiek. Hatta stierf in 1980 in Jakarta.

Hatta studeerde economie in Rotterdam en was voorzitter van de ‘Perhimpunan Indonesia’, een beweging die was opgericht door studenten die in Nederland studeerden en daar in aanraking kwamen met ideologieën als nationalisme, liberalisme, communisme en met het staatsidee van democratie.
Na zijn terugkeer in Indonesië (1932) werd hij voorzitter van de Pendidikan Nasional Indonesia, een nationalistische organisatie. Voor zijn activiteiten in deze organisatie werd Hatta in 1934 gearresteerd en verbannen naar Boven-Digoel en vandaar in 1936 naar Banda Neira.
In 1942 vrijgelaten door de Japanse bezetters van Indonesië besloten Hatta en de latere president Soekarno samen te werken met de Japanse autoriteiten om met hulp van deze de onafhankelijkheid van Indonesië nader uit te werken.
In augustus 1945 riep Hatta samen met Soekarno de republiek Indonesië uit. Van 1945-1956 was Hatta vicepresident en van 1948-1950 tevens premier.
Als zodanig leidde hij de delegatie van de Republiek Indonesia bij de Ronde Tafel Conferentie in 1949 te Den Haag, die tot de soevereiniteitsoverdracht leidde.
Hatta distantieerde zich steeds meer van Soekarno en brak tenslotte met hem. Ook na de machtswisseling in Indonesië, volgende op de mislukte (als communistisch gedoodverfde ) staatsgreep van 1965, heeft Hatta geen openbaar ambt meer bekleed.

Dr. H. j. Van Mook

Hubertus J. van Mook, Ltn. Gouverneur Generaal van Nederlands-Indië, beleefde zijn jeugd in Semarang, volgde in Leiden de studie Indologie en kwam als Controleur terug in Semarang. Zijn droom was een federatief zelfstandig Indonesië in Unieverband onder gezag van Nederland.

Na de Japanse capitulatie arriveerde Van Mook op 4 oktober 1945 te Batavia. Bij afwezigheid van de GG, Van Starkenburgh Stachhouwer, nam hij de leiding van het Nederlandse bewind in Indonesië in handen.
Vanaf dat moment zette hij zich in om zijn denkbeelden op bestuurlijk niveau te verwezenlijken, een federatief zelfstandig Indonesië in een Nederlands-Indonesische Unie onder supervisie van de Nederlandse kroon.
Bij het najagen van dit einddoel ondervond hij van meet af aan forse weerstand uit verschillende invalshoeken, de Engelsen die het militaire gezag uitoefenden in Indonesië, de Indonesische nationalisten die herstel van het Nederlands gezag verhinderden en in de eerste plaats de onafhankelijkheid nastreefden, de niet- Javaanse bevolkingsgroepen uit de hele archipel die de Javaanse superioriteit op bestuurlijk terrein niet wilden, en niet in de laatste plaats de Nederlandse regering en het parlement in Den Haag, die gespeend van deskundig inzicht in de revolutionaire toestand waarin Indonesië zich in die jaren bevond, kortzichtig beleid afstemde op de in hun ogen volstrekt ontoelaatbare eisen van een afscheiding van hun Nederlands-Indië.
De vader van de federale deelstaten werd hij genoemd, en ze zijn er gekomen. Van Mook heeft het einde niet meer meegemaakt, in oktober 1948 werd hij ontslagen. Den Haag nam de zaken zelf in handen.
Nooit officieel benoemd tot Gouverneur-Generaal bleef hij toch voor velen de laatste landvoogd

Perhimpunan Indonesia

Perhimpunan Indonesia was een vereniging van inheemse studenten uit Nederlands-Indië die aan diverse universiteiten in Nederland studeerden. Vanaf 1922 vormden zij de voorhoede van de Indonesische nationalistische beweging, die onafhankelijkheid van Nederland nastreefde.

Het Indonesische volk heeft er recht op te weten welke status Nederland aan Indonesië na de bevrijding zal toekennen. Het heeft er recht op de uitvoering te zien van de democratische beginselen, neergelegd in de rede van H. M. de Koningin van 7 december 1942, waarin Zij verklaarde dat de verhouding Nederland-Indonesië na de oorlog geregeld zal worden in "vrij overleg" en "op de stevige basis van een volledig deelgenootschap", uitgaande van het feit, dat de oorlogsjaren hebben bewezen, dat beide volken de wil en bekwaamheid bezitten tot een eensgezinde en vrijwillige samenwerking". In aansluiting aan deze klare uitspraak en plechtige toezegging van H.M. de Koningin en uitgaande van het door het Indonesisch Volkscongres, dat als zodanig de stem van de gehele nationale beweging vertegenwoordigt, in 1939 ter zake ingenomen standpunt, constateert de Perhimpunan Indonesia de zowel in Nederland als in Indonesië uitgesproken wens tot een definitieve liquidering van de koloniale status. Zij meent de verhouding als volgt te wijzigen:
De status van zelfstandigheid van Indonesië met een eigen volksvertegenwoordiging en een daaraan verantwoordelijke regering naast een orgaan, waarin vertegenwoordigers van Nederland, van Indonesië, Suriname en Curaçao de gemeenschappelijke zaken behandelen.

Linggadjati in concept

Het bergdorpje Linggadjati, aan de noordkust van Java even ten zuiden van de havenstad Cheribon, was de plaats waar de Nederlandse en Indonesische delegatie, respectievelijk onder voorzitterschap van Schermerhorn en Soetan Sjahrir, het concept akkoord ondertekenden.

“Ik vind het maar raar dat ze Linggadjati hebben uitgekozen, het is een gat zonder gat daarachter. Waarom moesten ze precies daar over gewichtige staatszaken praten?”.
“Nee, de voorbereidende besprekingen gebeurden in Batavia. Om beurten in Paleis Rijswijk bij Van Mook en bij Sjahrir thuis in Pegangsaän Oost 56”.
“Dat is tenminste stijlvol. Maar waarom zijn ze naar Linggadjati verhuisd?”.
“Toen de Nederlandse delegatie met de Commissie- Generaal (Schermerhorn, Van Poll, De Boer) en Van Mook aan de ene kant en de Indonesische delegatie met Sjahrir, Mohammed Roem, A. Gani, en Soesanto Tirtoprodjo aan de andere kant, nagenoeg overeenstemming hadden bereikt over de besproken punten, dacht men dat het wel nuttig zou zijn om te verhuizen naar typisch Repubikeins gebied. Dan kunnen Soekarno en Hatta er ook bij zijn. En toen koos men voor Linggadjati, het koele bergplaatsje bij Cheribon”.
“De Nederlanders in het hol van de leeuw dus”.
“De aankomst per torpedoboot ‘Bankert’ in de baai van Cheribon was op zich al provocerend. Eén fanatiekeling zou de lont in het kruitvat kunnen steken. De delegaties werden ontvangen door een erewacht en dichte hagen mensen langs de route naar het plaatsje Linggadjati, die vrolijk Merdeka riepen. En daar in Lingadjatti is het ontwerp-akkoord door Soekarno en Hatta goedgekeurd.
Toen is de naam Lingadjatti-overeenkomst ontstaan”.

Evacuatie van APWI

De chaotische politieke situatie op Java na de capitulatie van Japan was debet aan de stagnatie in de evacuatie van Japanse militairen en APWI (Allied Prisonors of War and Internees), geallieerde krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden in de Japanse kampen op Java.

De evacuatie van Japanse militairen en APWI was in handen gelegd van de Britse legerleiding op Java.
Deze kwam tot het besef dat de evacuatie vanuit het door Indonesische strijdgroepen gecontroleerde en dus volstrekt onveilige binnenland van Java alleen kon worden uitgevoerd met de hulp van Indonesiërs.
Begin 1946 voerde de Britse legerleiding op Java besprekingen met vertegenwoordigers van het pas opgerichte Indonesische leger. Politiek Nederland was hier fel op tegen, alweer werd in hun ogen de Republiek door de Engelsen erkend.
Ja, maar Nederland, er zaten tienduizenden Nederlandse gevangenen in de Republikeinse kampen !!!
De Engelsen volgden hun eigen koers, de evacuatie was hun taak en om die uit te voeren hadden ze te weinig troepen ter beschikking.
Het overleg met de Indonesische legerleiding bleek succesvol. Een Republikeinse eis om ten behoeve van de bescherming van de evacuatietransporten een Indonesisch bataljon infanterie te bewapenen werd ingewilligd. Onder zware politieke druk van premier Sjahrir op de Republikeinse leiders in Djokja stemden deze schoorvoetend met de evacuatie in.
Gedurende het hele jaar 1946 werden, onder begeleiding van de z.g. POPDA-afdelingen van het Indonesische leger, gevangenen uit de kampen in het binnenland met treintransporten naar de door de Engelsen veilig gestelde havensteden op Java vervoerd.

POPDA

Uit de gelederen van het op 5 oktober 1945 opgerichte Indonesische leger, de Angkatan Darat, werd later de POPDA ingesteld met het doel zowel Japanners als Allied Prisonors of War and Internees (APWI) uit de Japanse kampen te evacueren.

In de tumultueuze tijd even na de capitulatie van Japan in augustus 1945, waarin vooral ongeorganiseerde groepen extremisten de dienst uitmaakten, werd in oktober 1945 de TKR opgericht, de Tentara Keamanan Rakjat, het Indonesische veiligheidsleger, later overgegaan in de TNI.
Op initiatief van de Indonesische politieke en militaire leiding in die dagen, werd binnen dit leger in opbouw de afdeling “POPDA” ingesteld, Panita Oeroesan Pengangkoetan Djepang dan APWI.
De POPDA had tot taak de organisatie te verzorgen van het transport van Japanners en Nederlandse krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden uit de Japanse kampen.
Het hoofdkwartier POPDA I was in Solo gevestigd en stond onder leiding van gen.-majoor Soedibjo (oud KNIL, KMA Breda 1930), later opgevolgd door gen.-majoor Abdoelkadir (Peta-officier).
Zo hield POPDA II zich in Malang bezig met de evacuatie van geïnterneerden. Vele treintransporten, alle met bestemming Batavia, werden begeleid door POPDAofficieren van zeer hoge rang. Vele malen moesten deze ingrijpen als de treinen bedreigd werden door opgeruide groepen Indonesiërs, bewapend met messen en hun befaamde ‘bamboe roentjing’.
POPDA heeft tot mei 1947 en vele tienduizenden Nederlandse geïnterneerden en Japanners uit Javaans Republikeins gebied geëvacueerd.

De “Westerling methode”

In Zuid-Celebes was de staat van oorlog afgekondigd. Het openbare leven was er totaal ontwricht door vele moordpartijen, brandstichting, vernielingen aan bruggen en wegen, intimidatie van bevolking en bestuursambtenaren.

Met bestaande middelen waren de onlusten in Zuid- Celebes niet meer onder controle te krijgen.
Westerling vroeg en verkreeg toestemming van de Nederlandse legerautoriteiten in Makassar om standrechtelijke executies te mogen uitvoeren.
Het ging hierbij om duizenden zogenaamde guerrillastrijders.
De “Westerlingmethode” kwam er op neer dat geba- seerd op inlichtingen van, enerzijds manschappen van het Depot Speciale Troepen, die als inheemsen gekleed zich onder de bevolking begaven en anderzijds vanuit de bevolking zelf, de namen van gewapende bendeleden bekend werden en de verblijfplaats gelokaliseerd.
De bewuste kampong werd dan omsingeld en de bevolking verzameld. De mannen die hij, Westerling, schuldig achtte aan gewapende misdaden, werden voor de ogen van de kampongbevolking standrechtelijk geëxecuteerd.
Zo werden zonder vorm van proces tientallen ‘guerrilla’s’ per actie neergeschoten.
De brute acties waren bedoeld om de bevolking te laten zien dat het Nederlandse gezag bereid was korte metten te maken met rampokkers en gewapende misdadigers.
De Westerlingmethode had succes, de bendes kregen nagenoeg geen vat meer op de bevolking die angstig werd voor represailles van de DST-patrouilles.

T-brigade

Legereenheden uit Nederland werden voorlopig in Malakka ondergebracht. Ze kregen om politieke redenen geen toestemming van de Engelsen om in Indië te landen.
Koninklijke olie in Indië, Jack Boer, 1997

In Indië was de Engelse troepenmacht bezig, onder chaotische omstandigheden tijdens de beginperiode van de Indonesische revolutie, het Japanse leger en de krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden uit de Japanse kampen te evacueren uit de brandhaarden van opstand en geweld.
Intussen werden in Malakka uit de verspreid liggende Nederlandse legeronderdelen 3 brigades samengesteld, de T-, U- en V-brigade.
De T-brigade werd geformeerd uit 4 bataljons infanterie, 2 bataljons stoottroepen en verder aangevuld met ex-KNIL-troepen die terugkeerden uit krijgsgevangenschap in Thailand.
Als eerste Nederlandse troepenmacht zette de T-brigade op 16 maart 1946 voet aan wal in Semarang in Midden Java. Direct werden ze ingezet bij de verdediging van de stad tegen heftige aanvallen van Indonesische legereenheden en pemoeda’s.
In augustus verlegde Boeng Tomo, de fanatieke opruier uit de roerige tijd in Soerabaja, zijn terrein naar Semarang. Hij beloofde de Semarangse bevolking de Nederlanders in zee te drijven. Fanatiek uitgevoerde en massale aanvallen van duizenden Indonesiërs waren het gevolg. Met kunst en vliegwerk hield de T-brigade stand tot in de eerste maanden van 1947.
De brigade begon zich de “Tijgers” te noemen en er werd een embleem ontworpen. De Tijgerbrigade bleef tot de opheffing van het KNIL bestaan.

Misleidende propaganda

Nederland bleef onkundig van de gevaarvolle en erbarmelijke positie van de soldaten in Indonesië. De propagandamachine draaide op volle toeren. Van een juiste berichtgeving was totaal geen sprake.

In de jaren 1946-1950 werden vooral geen beelden van oorlogsgeweld en guerrilla-aanvallen op het Polygoon- Profilti nieuwsbulletin in de bioscopen vertoond.
Ook de berichtgeving in de kranten was ronduit slecht te noemen, verslaglegging van de zware oorlogsomstandigheden waar de troepen zich hier en daar in bevonden was pover en onjuist.
De journalistiek droop van eerbied voor de autoriteiten. De radio-interviews werden vol respect voor de gezaghebbers op een overbeleefde en bijna kinderlijke wijze afgenomen.
Geïnformeerd werd bijvoorbeeld of de reis van betrokkene goed was verlopen en hoe de reis werd voortgezet. Niets wees op het voortdurende gevaar waaraan de troepen waren blootgesteld of de miserabele voedselsituatie waarin ze verkeerden.
Officiële instanties hamerden het erin, het gaat slechts om een handjevol extremisten en terroristen.
Heus, de Indonesiërs staan achter Nederland.
In de bioscopen werden filmbeelden vertoond van duizenden juichende Indonesiërs die blij waren met de komst van de Nederlanders alsook beelden van nonchalant lopende patrouilles door vriendelijke kampongs waar de soldaten voedsel van de bevolking kregen aangereikt als ze even gingen rusten.
Zo werd de werkelijkheid voor het grote publiek in Nederland angstvallig weggehouden.

Amerikaanse legergoederen in Hollandia

De gigantische hoeveelheid legergoederen, door de Amerikanen achtergelaten in Nieuw-Guinea, werd gekocht door de Nederlands-Indische regering. Bovendien lagen er nog de in beslag genomen grote voorraden van het Japanse leger.

Op 25 januari 1946 werd de inmiddels door de Amerikanen verlaten basis in Hollandia overgedragen aan de Nederlands-Indische regering.
Waar voordien nog duizenden Amerikanen de basis beheerden, moesten nu enkele tientallen Nederlanders het werk doen.
Alle legergoederen moesten worden geïnventariseerd, verzendklaar gemaakt en gedistribueerd naar Batavia en Makassar om gebruikt te worden voor de wederopbouw van Nederlands-Indië.
De verwerking van de immense hoeveelheid goederen vergde veel arbeidskrachten.
En daar ontbrak het aan.
Als noodoplossing werd eerst met Japanse krijgsgevangenen gewerkt. Toen die repatrieerden naar Japan verzorgden Makassaren het werk.
Nog later werd het beheer overgenomen door het Ingenieursbureau Ingenegeren-Vrijburg, die werkkrachten rekruteerde uit Timor en de Tanimbar eilanden.
Uit Nederland werden rond 1947-1948 ex-NSB-ers en ex-Wehrmachtsoldaten, die als politiek delinquent hun straf in kampen in Nederland uitzaten, naar Nieuw- Guinea gestuurd.

Terwijl de liquidatie van de bases in volle gang was moest tevens Hollandia als nieuwe gouvernementszetel met spoed worden opgebouwd.

Chaos en verwarring op Java

Door niet in zee te gaan met de Amerikanen maar de voorkeur te geven aan een Brits opperbevel in Zuid-Oost-Azië heeft het Nederlands Kabinet in Londen een beslissing genomen die leidde tot een gezagsvacuüm in Indië ná de capitulatie van Japan.

Na de capitulatie van Japan, 15 augustus 1945, werd op 24 augustus, in het ‘Civil Affairs Agreement”, een afspraak met Engeland ondertekend waarbij het Nederlands gezag in Nederlands-Indië zou worden hersteld.
De bezetting van Java en Sumatra was sinds 15 augustus 1945 in handen gelegd van Lord Mountbatten, de Britse opperbevelhebber in het Verre Oosten.
Behalve het westelijk deel van de Indische archipel kreeg Mountbatten ook de verantwoording over Indo-China, waardoor zijn toch al immens takenpakket fors toenam.
Hij besliste dat een snelle bezetting van Nederlands- Indië niet mogelijk was door gebrek aan mankracht en materiaal. Bovendien vernam hij uit betrouwbare bron dat er een groot nationalistisch leger op Java klaar stond om de geallieerden op te wachten. Mountbatten bepaalde zich tot bezetting van de eigen Britse gebieden en besloot de hulpverlening en evacuatie van de tienduizenden geallieerde Prisoners of War (POW’s) absolute voorrang te verlenen. Geen Britse troepen voor Java, geen Nederlandse militairen die het gezag van de Japanners overnamen.
Op Java was de Republiek Indonesia zich aan het inrichten en het 16de Japanse leger was bezig taken van bestuur over te hevelen aan de prille Republiek.
In dit gezagsvacuüm verlieten duizenden Nederlanders en Indische Nederlanders de kampen op zoek naar hun familie. De chaos was compleet.

Ereveld Menteng Pulo (Jakarta)

De zeven Nederlandse erevelden op Java vormen een blijvende en tastbare herinnering aan het leed uit de Japanse bezetting en de woelige jaren daarna tussen 1945 en 1950.

Het ereveld en de gebouwen werden in 1947 ontworpen door architect H A van Oerle, Genie commandant van de 1ste Divisie “7 December”. De aanleg geschiedde hoofdzakelijk door militairen van het bataljon Genietroepen van deze divisie. Naast vele burgers liggen hier honderden militairen van het KNIL en de KL begraven.
Tussen zijn mannen ligt hier ook de toenmalige Legercommandant, Generaal S. H. Spoor, begraven.
Ter nagedachtenis aan de gevallenen van de “7 December” divisie, de Luchtstrijdkrachten en de Gouvernementsmarine zijn monumenten opgericht.

Menteng Pulo telt 4.270 graven van oorlogsslachtoffers waaronder 728 urnen met de asresten van in Japan omgekomen krijgsgevangenen.

De graven zijn ingericht met witte houten graftekens, die verschillend zijn in vorm voor mannen, vrouwen en kinderen én voor slachtoffers met andere geloofsovertuiging, zoals Boeddhisten, Islamieten en Joden.

De Oorlogsgravenstichting heeft het onderhoud van de erevelden in beheer en voert dit uit met vaste Indonesische arbeidskrachten die grote zorg besteden aan tuinen, graven en beplanting.

VS wil gedeeltelijke autonomie voor Papoea

Anno 2009 komt voormalig Nederlands Nieuw-Guinea weer in het nieuws als blijkt dat de Beweging Vrij Papoea nog steeds strijdt voor een vrij Papoea.

(Novum/AP) – Indonesië moet zijn provincie Papoea, voormalig Nederlands Nieuw-Guinea, ‘een zekere mate van autonomie’ toestaan. Dat heeft de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Hillary Rodham Clinton woensdag gezegd. Clinton zei dat de regering-Obama de kwestie bij de Indonesische regering zal aankaarten.
Sinds het in 1962 gesloten Verdrag van New York maakt Papoea deel uit van Indonesië. Er woedt echter al tientallen jaren een opstand, waarbij een grote rol is weggelegd voor de Beweging Vrij Papoea (OPM).
De rebellie kostte naar schatting honderdduizend Papoea’s, eenzesde van de bevolking, het leven.
Clinton zei dat de provincie steun verdient ‘in haar pogingen een mate van autonomie te verkrijgen’.
Zij legde de verklaring af in antwoord op vragen van
F.H. Faleomavaega, een lid zonder stemrecht van het Huis van Afgevaardigden.
Faleomavaega is afgevaardigde van Samoa en een bekend criticus van de Indonesische regering.

Nederland werd in 1962 onder druk van de VS gedwongen Nederlands Nieuw-Guinea af te staan aan Indonesië.

Makassar

Makassar, vanouds het dominante centrum van de handel in het Oosten van Indonesië, kende een beleid van vrijhandel waarbij de nadruk werd gelegd op het recht van elke bezoeker om zaken te doen in de stad. Men handelde in alles wat wenselijk was en iedereen deed mee.

Even na de capitulatie van Japan voelde Makassar erg chaotisch aan, het droeg de klemmende sfeer van een wildwest stadje in het Middenwesten van Amerika in de vorige eeuw. De drukke handelsstad gaf de indruk dat de stedelijke smeltkroes van verschillende bevolkings-groepen het heft in eigen handen nam, de militairen waren bezig de orde te bewaren, de burgers storten zich op uiteenlopende handelsactiviteiten en de bureaucratie nam toe, terwijl iedereen achter het grote geld aanjoeg.
Het vliegveld van Makassar lag op 20 km van de stad af en het vervoer naar de stad geschiedde in open legertrucks die een kleine gewapende militaire escorte kregen vanwege de onveilige route door het gebied. Het opkomend nationalisme ontaarde in fanatiek geweld van de vooral jonge bevolking, de Pemoeda’s.
Op 13 juli 1946 kreeg Nederland van de geallieerden het bestuur van Celebes in handen. Men kreeg onmiddellijk te maken met het geweld van de Pemoeda’s tegen buitenlanders, maar ook de Indonesische bevolking had het zwaar te verduren. Van eenheid was geen sprake, het waren beconcurrerende partijen die ook nog eens samenwerkten met rampokkende benden. Enkele benden in Makassar waren de “Tentara Lipan Badjeng” (het Badjengse Duizendpotenleger) en de “Semoet Merah”(de Rode Mier). Zij gijzelden de eigen bevolking en pleegden moord en doodslag, ontvoering, roof en brandstichting. Kortom, in en rond Makassar heerste de anarchie.

Bangkinang

Uit de Japanse tijd is het stadje Pakan Baroe in Midden-Sumatra bekend geworden doordat Nederlandse en geallieerde krijgsgevangenen onder erbarmelijke omstandigheden een spoor-weg moesten aanleggen. Minder bekend is dat op 50 km verderop langs dezelfde weg het burgerinterneringskamp ‘Bangkinang’ lag.

Bij het plaatsje Bangkinang langs de weg naar Pakan Baroe lag midden in de rubberbossen het burger-interneringskamp ‘Bangkinang’. In feite waren er twee Japanse kampen, een vrouwen en een mannenkamp. Tussen de kampen bevond zich de begraafplaats Koeboeran. Het vrouwenkamp telde ruim 2.200 vrouwen en kinderen, het mannenkamp 970 mannen en jongens.
“Prang ampir habis (oorlog is bijna voorbij)”, fluisterde een goedwillende Japanse bewaker de vrouwen in de moestuin toe. En dat was ook zo, want op 22 augustus werd hun meegedeeld dat Japan had gecapituleerd. Begin september vonden voedseldroppings plaats en nam de RAPWI de regie over.
Eind september kwam de Indonesische revolutie naderbij en de Japanners moesten de kampen nu beschermen tegen de gewelddadigheden van de Pemoeda’s.
Er vonden evacuaties plaats per vliegtuig via Pakan Baroe naar Medan en Palembang. Maar het overgrote deel van de kampbevolking werd in Engelse legertrucks vervoerd naar Padang, dat op 12 oktober door Engelse troepen werd bezet. In Padang werden mannen, vrouwen en kinderen ondergebracht in het grote gebouw van de Landraad en bewaakt door Gurkhas en Indiase Six. Ze mochten het gebouw niet verlaten vanwege het fanatieke Pemoedaregiem in de stad.
De evacuatie naar veiliger oorden als Medan en Djakarta gebeurde per boot rond 11 november 1945.

Generaal Christison

Generaal Philip Christison was in 1943 comman-dant van het 15de Brits-Indische Legerkorps. Het waren zijn troepen die in 1944 aan het Burmafront als eerste in de 2de Wereldoorlog de Japanse aanval tegenhielden en terugdrongen. In sept.1945 kwam hij namens Lord Mountbatton met zijn troepen naar Nederlands-Indië.

Wegens tekort aan mankracht manoeuvreerde Christison zodanig dat hij op Java vier bruggenhoofden in stand kon houden, Batavia, Bandoeng-noord, Semarang en Soerabaja. De Nederlandse krijgsgevangenen uit de Japanse kampen werden via deze enclaves op transport gezet naar Singapore en Bangkok of zaten in beschermde gebieden in Bandoeng, Tjimahi of Batavia. Er ontbraken nog 4.500 Japanse ex-krijgsgevangenen die tegen het bevel in de kampen waren ontvlucht op zoek naar hun families. Deze mannen zaten nu gevangen in Republiekeinse kampen diep in het binnenland, onbereikbaar voor de Britten. Ook waren de Britten nog niet toegekomen aan het ontwapenen en afvoeren van het Japanse 16de leger. De Britten wilden graag hun troepen die al jaren op diverse fronten hadden gevochten eindelijk demobiliseren.
Generaal Christison nam, zonder de Nederlanders hierover in te lichten (die bleven zich toch verzetten tegen samenwerking met de Indonesische regering) zijn besluit om steun van de Indonesiërs te vragen. Hij kreeg steun van Sjahrir en Sjafroeddin die verklaarden dat de Britse taken waren opgedragen door de United Nations en dus als zodanig moesten worden uitgevoerd. Binnen het pas opgerichte Indonesische leger, de TKR, werd tijdelijk de POPDA opgericht, die zich onmiddellijk bezig hield met het vervoer van krijgsgevangenen en Japanners uit de kampen in het binnenland.

Warga Negara in Republikeinse kampen

In de meeste Republikeinse kampen werden de Indo-Europese geïnterneerden geconfronteerd met de keuze die ze moesten maken om de Nederlandse nationaliteit te blijven behouden of om Indonesiër te worden, een keuze tussen “serikat” of “Warga Negara”, tussen in het kamp blijven of vertrekken.

“Er is nog plaats in de Republiek”, schreeuwden de kranten.
Sommigen kozen bewust voor de Indonesische nationaliteit om een aantal redenen: ze gaven hun overtuiging te kennen dat de Indo in Indonesië thuishoort, er geboren en getogen is, op dit land zijn toekomst bouwt en tenslotte in dit land zijn laatste rustplaats zal vinden, dat het bloed dat door de aderen van de Indo stroomt overwegend Indonesisch bloed is en hij moet worden aangemerkt als een zoon van het volk en een kind van Indonesia.
Voor de meeste Indo-Europeanen was het nauwelijks een keuze. Zij hadden in de Japanse tijd al aangegeven niets van gelijkschakeling met de Indonesiërs te willen weten. In hun ogen zou dat een statusverlaging betekenen.
Het leidde tot felle discussies in de kampen, zodanig dat er vechtpartijen ontstonden. Gevolg hiervan was dat WN-sympathisanten (trekkers) aparte huisvesting kregen en in ieder geval werden gescheiden van de “blijvers”.
Het waren niet alleen ideologische redenen om Indonesiër te worden, er waren ook praktische redenen, o.m. de angst bij vertrek alles te moeten verliezen zal groot zijn geweest, de band met de familie zal verbroken worden, het huizenbezit speelde een rol of men wilde in vrijheid gesteld worden om werk te zoeken om zodoende in eigen onderhoud te kunnen voorzien.

Kamp Sawiran

In het kleine Republikeinse kamp in het bergdorp Sawiran aan de weg naar Pasoeroean, waren in drie huizen 145 mannen en jongens ondergebracht. Na hun gevangenschap in de gevangenis van Pasoeroean was het verblijf in Sawiran een aanzienlijke verbetering, hier was het klimaat goed met volop frisse lucht.

En in dit kamp was men gevrijwaard van de luizen, vlooien, kakkerlakken en ander ongedierte.
Het voedsel bleef echter slecht, per persoon 2x per dag 2½ ons half om half gekookte djagoeng-rijst met doorgekookte kangkoeng, af en toe tempé of vlees.
Op een dag werd de kampbevolking bij elkaar geroepen om te luisteren naar een toespraak van de politiechef Sasmidi uit Bangil. In een gloeiend betoog schetste Sasmidi de heerlijkheden die men zou verkrijgen als de keuzemogelijkheid om Nederlander te blijven of Indonesiër te worden, zou doorslaan naar het zg. Warga Negara-schap. In volledige vrijheid zouden herenigde gezinnen in de nieuwe Republiek verder kunnen leven en werken. Hun beroepsmatige kennis van zaken zou uiterst gewaardeerd worden in de jonge Republiek en hun expertise zou dienen om de verdere ontwikkeling van het land omhoog te stuwen.
24 mannen gaven aan dat ze WN-er wilden worden, zij verlieten het kamp in volle vrijheid.
Nadien vroeg een jonge Indonesische politieman van het Sasmiditeam aan een van de Indische Nederlanders:
“Wat doet U, als U het kamp uitkomt en vrij bent om de Nederlandse of Indonesische nationaliteit te kiezen?”
“Ik blijf Nederlander”, was het antwoord.
“Dat is dan jammer voor U, want dan blijft U wat U altijd bent geweest, namelijk geen vlees en geen vis”, sprak de jongeman wijsgerig.

Singapore

Net waren ze ontsnapt aan de oorlog in Soerabaja, de vrouwen en kinderen uit het verzamelkamp in de Darmowijk. De konvooien naar de haven Tandjong Perak ondervonden weinig hinder van de vijandig gezinde Pemoeda’s die met duizenden de stad Soerabaja bevolkten.

Aangekomen in de haven werden vrouwen en kinderen direct overgebracht naar Engelse of Amerikaanse troepentransportschepen. Mogelijk dat ze zagen hoe de 5de Divisie Brits-Indische troepen op volle oorlogssterkte werd ontscheept. Zij waren veilig met circa 6.000 personen door de lange corridor in de Republikeinse stad Soerabaja gekomen.
Velen kregen als bestemming Singapore.
Met landingsvaartuigen werden de repatrianten naar hun schip gebracht. Op de overvolle schepen werd met moeite een plaatsje gevonden. Na een korte zeereis bereikten ze de volgende dag Singapore. Eenmaal aan land ging het in vrachtwagens naar een enorm groot Engels kamp.
Het Wilhelminakamp werd geleid door Nederlandse militairen. Alles was tiptop verzorgd. Zij die hun mannen hadden moeten achterlaten in gevangenschap in Soerabaja kregen hier schone huizen toegewezen. Per persoon kregen ze een veldbed, een deken, een laken, een handdoek en eetgerei. Met de ontvangen spulletjes en het weinige dat ze als bagage bij zich hadden, voelden zij zich rijk én veilig. Er werden ook voedselpakketten uitgedeeld met o.m. blikken met haring in tomatensaus en cornedbeef. Het huis werd schoongemaakt door een Chinese amah.
Maar de meeste vrouwen dachten met smart aan hun mannen in de diverse gevangenissen in Soerabaja. En dat deed heel veel pijn!

Dreigbrief aan Indo’s en Ambonezen

Aan het begin van de onlusten in Batavia eind 1945 en 1946 hadden Soekarno’s jeugdige volgelingen, Pemoeda’s, het vooral gemunt op de Indo-bevolking en Ambonezen. Hun trouw aan de Europese status werd hun fataal en zij moesten er voor boeten.

“. . . Indo’s, thans zegeviert gij. Gij vergeet zeker onze vergiftigde soempits ( vergiftigde pijltjes uit blaaspijp), onze vergiftigde golok’s en krissen? Als wij nu niets doen, dan is dat alleen maar omdat onze grote leider Boeng Karno vrede en orde commandeert.
Denk aan uw toekomst. Gij wilt hier leven, te midden van wakker wordende Indonesiërs! Nica, Van der Plas heeft Inlandse aanhangers, maar dat zegt niets, want die gekke Inlanders zijn reeds geschreven in onze zwarte lijsten en die vinden hun weg naar het hiernamaals.
Weet u, de Yaps trainden duizenden en nog eens duizenden Pemoeda’s. U denkt dat wij van de Yaps houden. Kita bikin abis dengan mereka (wij maken korte metten met hen). . . . . want wat jullie binnen 350 jaar deden, deden de Yaps dat in 3½ jaar, tot wij helemaal werden uitgehongerd en uitgenaakt.
. . . .en nu willen jullie Indo’s, Ambonezen de Djapanners (Japanners) in wreedheid nadoen, in plaats van vrede te zaaien. Door dat moordpolitiek graven jullie je eigen graf! We bedoelen hiermee alle Indo’s en Ambonezen!” Tot zover het pamflet.
De sterk ingekorte brief vervolgde met dreigende kreten als gifslangen in badkamers, kidnappen van kinderen, Goena-Goena, verminkte levende halfdoden, vergif in waterleidingen, en nog veel meer onheil.
De brief werd door Batavia verspreid en zaaide angst onder de bewoners van de buitenwijken. Hij was onder-tekend door “Kromo de Wreker”.

Bersiap in Batavia

Al snel werd Batavia het strijdtoneel voor de eerste confrontaties tussen het oude Nederlands-Indië en de nieuwe Republiek.
Het vrijheidsgevoel onder de jonge Indonesiërs sloeg over in een verblindende haat tegen alles wat Nederlands was.

De uit ex-krijgsgevangenen gevormde KNIL-eenheden trachten zoveel mogelijk op te treden tegen het nu ontstane geweld van de Pemoeda’s en groepen rovende benden uit de kampongs. Op klaarlichte dag vonden slachtingen, verkrachtingen en ontvoeringen plaats onder Nederlanders, Indo-Europeanen en Indonesiërs die verdacht werden van sympathie voor de Nederlanders.
In Batavia verkeerde de chaos!
Het waren vooral de Ambonese KNIL-ers die de strijd aangingen met het gepeupel onder de Pemoeda’s. Door hun fanatieke loyaliteit aan de Nederlandse vlag werden zij het mikpunt van haat. Hun vrouwen werden al te vaak mishandeld en vermoord.
De Ambonezen, zelf Aziaten, wisten dat terreur in Azië met terreur moest worden beantwoord. Het was hard tegen hard. Zij overvielen het Indonesische politiebureau en namen de politiebezetting gevangen. Een andere keer brandden zij een hele kampong af, waarop de hemel ten oosten van het Koningsplein zwart kleurde.
De Ambonese KNIL-peletons waren gelegerd in het 10de Bataljon aan het Waterlooplein, midden in het chaotische en onveilige centrum van Batavia. De gebouwen van dit kamp stonden gegroepeerd om een binnenterrein. Vanuit de klapperbomen buiten het kamp werd gericht geschoten op een ieder die zich op het binnenterrein bevond. Door het korte bladerdak waren de snipers te zien en werden dan ook prompt uit de boom geschoten.

Nakhon Pathom

Na de Japanse capitulatie kregen krijgsgevangenen uit de kampen langs de Birmaspoorlijn hun vrijheid terug. Van hen werd een groot deel getransporteerd naar Nakhon Pathom. Het stadje ligt op 40 km van Bangkok vandaan aan de Birmaspoorlijn. Hier was in 1944 een groot Japans hospitaalkamp gebouwd.

Het Japanse hospitaalkamp in Nakhon Pathom werd na de capitulatie geheel ingericht voor de opvang van de uitgemergelde krijgsgevangenen. De 50 barakken, geheel uit planken gebouwd, boden plaats voor elk 200 man. Hier kregen de mensen medisch onderzoek en verpleging. Engelsen, Amerikanen, Australiërs werden al snel naar hun landen teruggevlogen. 5.000 Nederlanders moesten blijven, zij konden niet naar hun ‘hometowns’ in Indië, vanwege het nieuwe bewind van Soekarno.
Het was in dit kamp dat een apart ingericht Bureau Burger-Geëvacueerden (BBG) van de Militaire Missie in Bangkok ervoor zorgde dat vrouwen en kinderen van deze ex-gevangenen uit het gevaarlijke Java werden geëvacueerd om hier te herenigen met hun mannen en vaders. Opvang en huisvesting gebeurden in 4 kampen, tw. Wilhelminadorp, Emmadorp, Julianadorp en Beatrix-dorp.
Op 12 december 1945 opgericht herbergden de dorpen in totaal 4.640 vluchtelingen, waarvan 2.100 vrouwen, 1.955 kinderen tot 12 jaar, 585 jongeren en mannen. Op 11 september 1946 sloot het kantoor van BBG.
Vanuit de Republikeinse kampen bevrijd en overgebracht naar verzamelpunten op Java, werden de vrouwen en kinderen geselecteerd voor hereniging met hun mannen en vaders in Thailand.
Met Engelse en Amerikaanse troepentransportschepen werden zij vervoerd naar Bangkok.