Semarang

In Semarang bevond zich het RAPWI-hoofdkwar-tier voor Midden-Java, dat de belast was met de zorg over de ex-Japanse interneringskampen in Semarang, de vrouwenkampen Halmahera en Lampersari-Sompok, het mannenkamp Bangkong en kampen in Ambarawa en Bandjoebiroe.

Het grootste deel van de havenstad Semarang ligt in de droge vlakte aan de noordkant van Midden-Java aan de Javazee. Drie km landinwaarts bevindt zich op de heuvel Gombel het hoger liggende, koelere woongebied. Op een afstand van 4 km ten westen van het centrum van Semarang ligt het vliegveld. Van hieruit vertrokken de Dakota’s met ex- Japanse geïnterneerden naar Jakarta. Er woonden in 1945 ongeveer 185.000 Indonesiërs, 40.000 Chinezen en naar schatting ongeveer 5000 Europese burgers.

Zoals overal op Java namen radicale jongeren de macht in handen. Gewapende Pemoeda’s liepen schreeuwend door de straten en namen bezit van de openbare diensten in Semarang. Ook het RAPWI-personeel werd lastig gevallen bij de hulpverlening.
De onrust nam toe toen de Pemoeda’s op zoek gingen naar wapens van de Japanners. Gesterkt door het succes in Soerabaja, waar Japanners vrijwillig op grote schaal hun wapens inleverden, eisten zij en kregen zij wapens van de Japanse generaal Nakamura in Magelang.
Inmiddels begonnen de interneringen van 2.700 buiten de kampen verblijvende (Indo)-Europeanen, Ambonezen, Menadonezen. Allen kregen een onderkomen in de Djoernatan-, de Mlaten en de Boeloegevangenis.
In de gevangenissen was het een komen en gaan van al of niet radicale groepen Pemoeda’s, die wel of niet een beschermende taak uitoefenden. Een werkelijk zeer beangstigende situatie voor alle geïnterneerden.

Interneringen in Buitenzorg

Begin oktober heerste in Buitenzorg een zeer gespannen sfeer, de macht lag in handen van het Pemoeda ‘Volksfront’ dat zich fel keerde tegen de Nederlandse gemeenschap. De (Indo)-Europese mannelijke bevolking werd door de BKR in de gevangenis Pledang opgesloten.

In de Pledang gevangenis werden ook de mannen uit de Christengemeenschap in het naburige Depok onder-gebracht. Onderweg werden 12 van hen vermoord. De rest van de groep uit Depok werd later weer uit hun cellen gehaald en om het leven gebracht.
Intussen werden door de gespannen situatie met de Pemoeda’s, zoveel mogelijk vrouwen uit de Nederlandse gemeenschap door de BKR naar het Ursulinenklooster gedirigeerd. Ook de vrouwen uit Depok, die door Gurkha’s uit handen van radicale Pemoeda’s werden bevrijd, kregen een plek in het klooster.
In Jakarta besliste het Britse opperbevel dat i.v.m. de alarmerende berichten over kidnapping, moord en doodslag van Pemoeda’s op Europeanen in Bandoeng en Buitenzorg, die twee steden tot Brits bruggenhoofd te maken. Bovendien was het een Britse taak om zorg te dragen voor de grote concentratie APWI, ex- Japanse krijgsgevangenen en burgers, in Bandoeng.
Het eerste detachement Gurkha Rifles dat op 14 oktober in Buitenzorg aankwam, bevrijdde ruim 800 (Indo)-Europeanen uit hun benarde situatie in de Pledang gevangenis. Deze ex-geïnterneerden werden in de beschermde wijk Gedong Halang ondergebracht.
Het bleef onveilig. Er werd op de kampen geschoten. Dat veranderde toen meer Britse troepen binnenstroomden.
Vanaf 23 oktober kregen 2.200 (Indo)Europeanen uit Soekaboemi een veilige haven in de Buitenzorgse kampen Gedong Halang en het 14de Bataljon.

Bandoeng onder Brits gezag

Op 17 oktober 1945 kwam de 37ste Indiase infanterie-brigade van brigadier N. MacDonald in Bandoeng aan. Andere eenheden volgden kort daarna en op 1 november was Bandoeng een Brits bruggenhoofd.

Al snel werd het duidelijk dat de Britten met een veel te kleine troepenmacht moeite hadden om hun officiële taak in Bandoeng te vervullen, namelijk het zorgdragen voor de ex-Japanse krijgsgevangenen en geïnterneerden (APWI). De duizenden Indo-Europeanen in en buiten Bandoeng werden niet beschermd, noch door de Britten, noch door de Japanners.
Echter, door de terreur van Pemoeda’s in de buitenwijken ontstonden grootscheepse vluchtelingenstromen, waaronder ook vele Chinezen, die allen de bescherming zochten van het Britse leger.
De situatie in Bandoeng verslechterde. Op het meest kritieke moment stelde MacDonald in een ultimatum aan de gouverneur van West-Java voor om de spoorlijn die Bandoeng in tweeën deelde als demarcatielijn te gebruiken. Alle Indonesiërs woonachtig in Noord- Bandoeng moesten verhuizen naar Zuid-Bandoeng. Tussenkomst van de centrale Indonesische autoriteit in Jakarta was nodig om tot een compromis te komen.
Op 29 november 1945 begon de volksverhuizing.
Om het noordelijk deel van Bandoeng werd een cordon gelegd van Brits-Indiase en Japanse militairen. Tot 24 maart 1947 zou Bandoeng een verdeelde stad blijven.
Toch bleef het nog onveilig in dit beschermde deel van Bandoeng. Er verdwenen nog steeds mensen, maar ook werd bekend waar mensen zaten opgesloten.
Pas toen militaire versterkingen naar Bandoeng werden gestuurd, herstelde het sociale leven zich enigszins.

Mabuchi Itsuo

In het onrustige en onveilige Bandoeng tijdens de Bersiapperiode, waar het gezag door de capitulatieorder van Lord Mountbatten in handen was gelegd van de Japanse troepen ter plaatse, kregen de Pemoeda’s vrij spel om hun agressie tegen de Nederlanders te botvieren.

De Japanse bevelhebber in West-Java, generaal-majoor Mabuchi Itsuo, een veteraan uit de oorlog met China en de Japanse veroveringen van Ambon en Nieuw-Guinea, speelde in het door Pemoeda’s beheerste Bandoeng noodgedwongen een grote rol in het scheppen van orde in de stad. Aanvankelijk onthield hij zich ervan tegen de gewelddadigheden van Pemoeda’s in Bandoeng op te treden. Pas toen de Pemoeda’s het door Japanners bewaakte vliegveld Andir veroverden kwam hij in actie. Andir was namelijk van cruciaal belang voor de voedselbevoorrading van heel Bandoeng en dus moest de luchtbrug met Batavia voor inwoners en Japanse troepen worden veilig gesteld.
Toen op 10 oktober een grote menigte het Kempeitai- gebouw in Noord-Bandoeng aanviel, kennelijk met de bedoeling om Japanse wapens in beslag te nemen, riep Mabuchi de Pemoeda-leiders in het gebouw om te onderhandelen. Eenmaal binnen werden de leiders met bajonetten gedwongen zich over te geven. Even later werden de leiders in tanks geplaatst met de opdracht het volk tot rust te manen en vooral de Japanners niet meer aan te vallen. Tegelijkertijd vielen Japanners het hoofdkwartier van de KNI en de BKR binnen. Ook Andir werd heroverd. De Japanse troepen barricadeerden de invalswegen van Bandoeng en namen posities in op verschillende punten van de stad. Bandoeng was weer onder militaire controle. Later bleek dat Mabuchi volkomen op eigen initiatief had gehandeld.

NICA

Op 3 april 1944 werd in Australië de NICA (Netherlands Indies Civil Administration) opgericht. De organisatie was verantwoordelijk voor het burgerlijk bestuur en de rechtspraak in de Nederlands-Indische gebieden die op de Japanners heroverd werden.

Luitenant-Gouverneur-Generaal H.J. van Mook en generaal Douglas MacArthur, opperbevelhebber SWPA, kwamen begin 1944 overeen dat de Amerikaanse troepen in de heroverde gebieden van Nederlands-Indië voor de bestuurstaken de NICA zou inzetten.
Het personeel van de NICA was militair of gemilitariseerd en droeg een uniform.
In april 1944 gingen de eerste NICA-detachementen aan land in Nieuw-Guinea (Hollandia, Biak, Noemfoer en Manokwari), de Molukken (Morotai) en Borneo (Tarakan en Balikpapan).
Bekend werd dat na 15 augustus 1945 Nederlands-Indië (minus Sumatra) naar het Britse bevelsgebied van SEAC werd overgeheveld.
De herbezetting van Borneo, Celebes, de Molukken en de andere eilanden in Oost-Indonesië was nu een Australische en de herbezetting van Sumatra, Java, Bali en Lombok een Britse verantwoordelijkheid.
Op 24 augustus werd daarom met de Britten een nieuwe Civil Affairs Agreement gesloten.
In september 1945 kwamen de eerste NICA-vertegen-woordigers in Batavia aan.
Omdat de Indonesiërs fel reageerden op de komst van de NICA (met in de naam Netherlands Indies) werd in januari 1946 de naam gewijzigd in AMACAB (Allied Military Administration, Civil Affairs Branch). Ondanks haar naam bestond de organisatie volledig uit Nederlands-Indische ambtenaren.

APWI en IFTU


In april 1946 sloten de Indonesische autoriteiten met de Britse legerleiding op Java een formeel akkoord over de evacuatie van alle geïnter-neerden vanuit republikeins gebied naar de steden. De Nederlandse autoriteiten werden buiten de besprekingen gehouden.

De eerste Brits-Indonesische bespreking van 9 januari 1946 ging over de begeleiding van APWI uit de binnenlandse kampen door POPDA-manschappen.
Het begrip APWI werd als volgt gedefinieerd: alle ex-Japanse geïnterneerden (dus alle Allied Prisoners of War and Internees). Tegelijk werd onder dezelfde noemer geplaatst de nieuwe groep geïnterneerde Indo-Europeanen die door de Engelsen IFTU (Inhabitants Friendly To Us) werden genoemd.
Dat betekende dat onder het begrip APWI werd begrepen alle totoks en Indo-Europeanen uit Japanse interneringskampen én totoks en Indo-Europeanen die tijdens de Bersiap in Republiekeins kampen waren ondergebracht. In de laatste drie maanden van 1945 werden in totaal circa 46.000 mannen, vrouwen en kinderen geïnterneerd.
Onder de groep van 46.000 personen bevonden zich circa 4.500 blanke Nederlanders (totoks). Na de Japanse capitulatie op 15 augustus hebben zij het geallieerde bevel om in de kampen te blijven genegeerd en zijn op eigen houtje naar hun oude woningen in republikeins gebied teruggekeerd om vervolgens opnieuw te worden geïnterneerd tijdens de Indonesische interneringen in de Bersiap periode.
De Indonesische organisatie POPDA (Panitia Oeroesan Pengangkoetan Djepang dan APWI – Organisatie voor de evacuatie van Japanners en APWI) was nu verantwoordelijk voor de evacuaties.

RAPWI in Indonesië

In februari 1945 werd de organisatie “Recovery of Allied Prisoners of War and Internees” (RAPWI) opgericht. Admiraal Lord Mountbatten, opperbevelhebber van South East Asia Command (SEAC) beoogde hiermee om RAPWI-teams in te zetten achter de oprukkende geallieerde troepen.

De RAPWI-teams kregen de opdracht om de opvang van krijgsgevangenen en geïnterneerden te verzorgen. Met de plotselinge capitulatie van Japan moest in het hele bevelsgebied van SEAC gelijktijdig alle hulp worden geboden.
Nadat men van de Japanse commandanten op Java en Sumatra de verzekering had gekregen dat zij zich aan het capitulatiebevel zouden houden (handhaving van rust en orde), kwam op 28 augustus de RAPWI op gang. Zowel kampbewoners als Japanners kregen instructies via boven de kampen uitgeworpen pamfletten. Daarna werden contactteams gedropt bij de interneringskampen.
Het eerste team o.l.v. majoor A.G. Greenhalgh landde op 8 september in Batavia. Daarna volgden RAPWI-teams in Magelang, Soerabaja, Bandoeng en Semarang.
Op Sumatra liep de zaak op rolletjes na voorbereidend werk van teams uit het Korps Insulinde. RAPWI-teams leidden de evacuaties vanuit de kampen naar Padang, Medan en Palembang. Eind november waren alle kampen ontruimd.
Op Java werd het werk van de RAPWI-teams in een snel verslechterende politieke situatie bemoeilijkt door het Pemoeda-geweld tegen Nederlanders en Indo’s. Toen in oktober Indonesiërs met Britten en Japanners in strijd raakten, stagneerden de evacuaties vanuit de kampen naar de inmiddels gevormde Engelse bruggenhoofden op Java. Alleen met hulp van goedwillende Indonesische voormannen werd enige voortgang geboekt.