Sinterklaas 1957


De Sinterklaasavond van 1957 verliep voor
50.000 Nederlanders dramatisch, omdat ze juist
op deze dag hoorden dat ze Indonesië moesten
verlaten. Het was de climax van oplopende
spanningen en toenemende haat tegen de Nederlanders
als gevolg van de Nieuw-Guinea kwestie.

Niemand van de Nederlandse gemeenschap had er eind
1957 op gerekend dat ze weg moesten uit Indonesië.
Maar de Indonesische regering had genoeg van de
Nederlanders, die zich gedroegen alsof het land nog
steeds van hun was. Bovendien viel Nieuw-Guinea nog
onder Nederlands bestuur.
Twee pijnlijke zaken, die in december 1957 tot
utbarsting kwamen.
Al weken scandeerden de nationalisten tijdens massademonstraties
leuzen tegen de “Hollandse ratten”.
Ze werden daarbij flink aangevoerd door nationalistische
toespraken van Soekarno.
Het hek was van de dam toen de Verenigde Naties op 29
november 1957 besloot dat Nieuw-Guinea toch onder
Nederlands bestuur bleef.
De Indonesiërs gingen over tot bezetting van de
Nederlandse bedrijven.
Duizenden Nederlanders moesten de maanden daarna
uit Indonesië vertrekken.
Het Sinterklaasfeest van een week erna werd er opeens
heel anders door. Soekarno gaf juist op deze dag een
uitwijzingsbesluit uit voor vrijwel alle Nederlanders.
Pakjesavond werd zelfs helemaal verboden, omdat het
een puur Hollands feest was.
Na Sinterklaas kwam de uittocht van veel Nederlanders
op gang. Zij probeerden een plekje op één van de
schepen te bemachtigen en lieten huis en haard achter.

Corruptie


In de jaren ’50 groeide de macht van het leger in
Indonesië tot ongekende hoogte. Militairen
namen op elk bestuurlijk gebied de zaken in
handen. Hun invloed op het sociaaleconomische
leven van de bevolking leidde tot een
desastreuze samenleving.

Het Indonesische volk werd in de jaren ná de soevereiniteitsoverdracht
door de militairen compleet uitgebuit.
Corruptie en ander onwettig gedrag van zowel de
militairen als de burgerlijke autoriteiten was aan de orde
van de dag. Meer dan 60% van de door de overheid
opgeëiste bevolkingsproducten o.a. suiker en textiel
werden door de militairen doorverkocht aan Chinese
handelaren, 40% werd verkocht voor hoge prijzen.
De bevolking werd gedwongen hoge prijzen op de zwarte
markt te betalen voor hun dagelijks levensonderhoud.
Hiervoor verkochten ze hun kostbaarheden en zelfs hun
spaarzame veestapel aan Chinezen waarbij plaatselijke
militairen de helpende hand boden.
Alles was te koop, als het maar liep via de militairen, van
de militaire gouverneur tot de onbelangrijkste sergeant.
Ach, zo gaat dat nu eenmaal in het Oosten zeiden ze in
het Westen. Corruptie kent vele gezichten. In Indonesië
zei men toen: corruptie is een dochter van de nood.
De koopman die zijn bederfelijke waar op tijd bij de
wachtdoende militair in de haven wilde loskrijgen
verkeerde in een dwangpositie en dat is ook het geval
met diezelfde kinderrijke wachtdoende militair in de
haven die slechts een minimum aan salaris ontving.
Talrijke Europeanen maakten zich in hun relaties met
Indonesië en Indonesiërs aan omkoping schuldig, precies
zoals de Indonesiërs onder elkaar. Ze deden het allen,
als gevers en ontvangers, uit verweer tegen de
administratieve situatie.

Koloniale houding bleef gehandhaafd

Op grond van de Rondetafelconferentie in 1949 oefenden politiek gesproken na de soevereiniteitsoverdracht, de Indonesiërs in Indonesië de macht uit. Voor wat betreft de economische macht bleef het accent liggen op de Nederlandse handelshuizen en grote plantages.

De eerste Indonesische regeringen deden grote moeite de negatieve opinie tegen de Nederlanders gunstig te stemmen, daarbij aangevend welke cruciale rol het Nederlands bedrijfsleven speelde bij de ontwikkeling van de nationale economie.
Het volk begon echter te morren bij het zien van de vooroorlogse levensstijl van de Europeanen, in casus de Nederlanders, die hun gedrag en comfort van vroeger uitbundig voortzetten.
In 1951 schreef de Hoge Commissaris Lamping nog aan Den Haag dat de vooroorlogse apartheid mentaliteit nog steeds werd gehandhaafd. Hij waarschuwde, dat deze koloniale houding (en gedrag) van de Nederlanders zodanige irritaties bij de Indonesiërs opriep, dat grote schade zou kunnen worden berokkend aan het Nederlandse bedrijfsleven in Indonesië.
De nachtmerrie van het koloniale regiem zit er bij het volk nog diep in, de herinnering aan de bloedige eindstrijd, het lijden en de overwinningen, de frontgeest en zijn kameraadschap was voor deze generatie een levensbepalende ervaring. Haar wereldbeeld was nog gekleurd door de tegenstelling ‘blanke heersers- onder- drukte Aziaten, waarom zij rijk en wij niet’.
En toch bleven de Nederlanders doof voor het gevaar. In een Bandungse Club werden Indonesiërs geweerd, men zou niet met hun kunnen praten. De Nederlandse bedrijfsleiding, adviseurs en deskundigen bleven zich in de ogen van de Indonesiërs arrogant en unfair gedragen.

De inname van de Zuid-Molukken


Tijdens de invasie van de Zuid-Molukken
popelden de duizenden Ambonese militairen in
de kampen op Java om mee te vechten tegen het
Indonesische leger. Dat werd hun onmogelijk
gemaakt door de Nederlandse en Indonesische
autoriteiten.

Zonder uitzondering waren alle Ambonese ex-KNIL
militairen het eens met een onafhankelijk RMS. Hun
wens om gerepatrieerd te worden naar Ambon werd door
de Indonesische autoriteiten verboden. Dit om een
grootschalig verzetscentrum op Ambon te vermijden.
Een vredesmissie van dr. Leimana van het Republikeins
Kabinet in Jakarta mislukte. Een Nederlandse missie die
de militairen opdracht gaf om naar hun barakken terug
te keren had als resultaat dat de militairen ontslag
vroegen om loyaal hun diensten aan de RMS aan te
bieden.
Een tweede missie van dr. Leimana liep stuk op het feit
dat inmiddels het leger had besloten Ambon aan te
vallen. Dr. Leimena werd op Ambon begroet met een
bombardement van de Indonesische luchtmacht.
Gesterkt door de geslaagde aanval op Makassar was het
Legerhoofdkwartier in Jakarta nu bereid om de laatste
weerstand van het KNIL in Ambon stevig aan te pakken.
Met een strijdmacht van circa 20.000 man landde de
Indonesische invasiemacht op diverse plaatsen in de
molukse archipel, met name op Buru en Ambon.
De defensie van het RMS-leger, hoewel in aantal ver de
mindere, was furieus en krachtig. Aan beide zijden
sneuvelden zeer velen en het aantal doden onder de
burgerbevolking was hoog, velen werden dakloos.
Na de inname van Ambon verplaatste de strijd zich
naar het eiland Ceram, waar tot in de jaren 70 nog
guerrilla activiteiten plaatsvonden.

De Republiek der Zuid Molukken


Hoeveel publiekelijke ondersteuning met het
uitroepen van de RMS gepaard ging is niet geheel
duidelijk. Historicus H. Meyer gaat ervan uit dat
alle Christelijke Ambonezen de RMS ondersteunde.
E. Utrecht noemde bijna alle Christenen plus
een derde van de Muslims.

(Wat er aan vooraf ging)
Begin 1946 kwam er in Ambon een pro-Republik
Indonesia beweging op, die uiteindelijk zijn weerslag
vond in de Partai Indonesia Merdeka (PIM). De PIM was
marxistisch getint en eiste onder leiding van Urbanus
Pupella aansluiting met de Indonesisch Republiek.
In 1950 waren nog twee partijen actief in Ambon, de
conservatieve Gabungan Sembilan Serangkai (GSS), die
door de traditionele radjas en andere elitaire leiders
werd gesteund, en de Gerakan Democraat Maluku
Selatan (GDMS) van J. A. Manusama, een politiek
gematigde partij, die niet op voorhand de aansluiting
met de Republik Indonesia afsloeg.
Alles op Ambon was rustig, het politieke spel raakte de
bevolking nauwelijks, slechts de elite hield zich met
politiek bezig.
Dan kwamen Ambonese parachutisten en Commandoeenheden
van het KNIL terug in Ambon. Direct daarop
ontstonden schermutselingen met de PIM-aanhangers.
Er vielen doden. De politie schaarde zich achter de KNIL
militairen. Er was nieuws over een ontbinding van het
federaal stelsel en een mogelijke invasie van Javaanse
eenheden op Ambon. Verder het nieuws over Andy Azis
en de inval van Indonesische strijdkrachten in Makassar.
Er was paniek en in deze over elkaar duikelende
controversiële berichtgeving besloot de Conservatieve
Partij op 25 april 1950 de Onafhankelijke Republik
Maluku Selatan (RMS) uit te roepen.

Politiek geharrewar over Nieuw-Guinea

Een poging tot staatsgreep in de federale staat
Pasoendan (Bandoeng en omliggende regio’s),
kort na de soevereiniteitsoverdracht op 27 dec.
1949, vormde voor Indonesië de aanleiding om
de Verenigde Staten van Indonesië af te breken.

De federale staat Pasoendan werd ontmanteld en op 11
maart 1950 onder centraal bestuur geplaatst. In de
volgende maanden werden één voor één de overige
federale staten ontbonden en op 17 augustus 1950 werd
de eenheidsstaat ‘Republik Indonesia’ uitgeroepen.
Gebeurtenissen die in Nederland als contractbreuk
werden beschouwd en de gemoederen in de regering
sterkten om de status van Nieuw-Guinea ongewijzigd te
houden.
Er werd begonnen met de opbouw van zelfbeschikking
voor de Papoea’s, de bevolking moest onder Nederlands
gezag tot rijpheid en zelfbestemming worden gebracht.
Gezien het culturele peil van de bevolking zou daarmee
heel wat tijd heen gaan.
Op de eerste ministersconferentie van de Nederlands-
Indonesische Unie in 1950 werden beide partijen het niet
eens over het geschil Nieuw-Guinea. Nederland stopte de
kwestie Nieuw-Guinea in de “ijskast”.
Langzamerhand werd de verhouding tussen de twee
landen slechter en later zelfs vijandig.
Met de komst van een nieuw kabinet van premier
Harahap voerden de twee landen eind 1955 opnieuw
besprekingen met elkaar, eerst in Den Haag en daarna
op neutraal terrein in Geneve. Ook de kwestie Nieuw-
Guinea kwam aan de orde.
De conferentie in Geneve mislukte en als protestgebaar
werd door Indonesië eenzijdig

De kwestie Nieuw-Guinea


Het Nederlands bestuur in Westelijk Nieuw-
Guinea zal gehandhaafd blijven (status quo),
echter met de bepaling dat, binnen een jaar
vanaf de datum van soevereiniteitsoverdracht,
over de politieke status van Nieuw-Guinea
overleg zal plaatsvinden tussen Nederland en de
Republiek der Verenigde Staten van Indonesië.

Ondanks eerder vastgelegde afspraken besloot
Nederland tijdens de Nieuw-Guinea Conferentie van
1950 vast te houden aan zijn bezit. Nederlands Nieuw-
Guinea moest als zodanig behouden blijven.
Het laatste stukje Indië zou dienen als vestigingsgebied
voor Indische Nederlanders die het nieuwe Indonesië
moesten ontvluchten en, getuige het dwingende
ontmoedigingsbeleid van de Nederlandse regering, ook
in Nederland niet welkom zouden zijn.
Een ander argument om het beheer van Nieuw-Guinea te
bestendigen was om de Papoea bevolking op korte
termijn te begeleiden naar het recht op zelfbeschikking.
De Papoea bevolking zou in staat gesteld moeten worden
om op een bepaald tijdstip geheel zelfstandig te kunnen
kiezen zich wel of niet aan te sluiten bij Indonesië.
Voor het merendeel van de bevolking gold, dat op dat
moment de naar schatting 400.000 Papoeas in hun
onderontwikkelde status niet in staat zouden zijn om een
gefundeerde keuze te maken.
Hier zou nu een schone taak voor Nederland liggen.
Aan de voortzetting van de verantwoordelijkheid van
Nederland over Nieuw-Guinea zou verder geen politiek
kolonialistisch streven ten grondslag liggen, eerder zou
het een goedbedoeld en humanistisch doel dienen.
Soekarno en zijn regering voelden zich bedrogen. Steeds
had Soekarno geroepen dat zijn onafhankelijk Indonesia
zich zou uitstrekken van Sabang tot Merauke in het
zuidelijkste puntje van Westelijk Nieuw-Guinea.

Nieuw-Guinea als zalf voor de wond

Tijdens het Kamerdebat over de Linggadjati
Overeenkomst werd een regeringsverklaring
toegevoegd. Het akkoord werd dus eenzijdig
door Nederland “aangekleed”, in die zin dat
Nederland nu Nieuw-Guinea moest vasthouden.

De uitsluiting van Nieuw-Guinea werd voor het eerst aan
de kaak gesteld tijdens de Kamerdebatten in 1946 over
de totstandkoming van de Linggadjati plannen.
Er moest
overeenstemming worden bereikt.
Minister van Koloniën, J. A. Jonkman, vertolkte de zorg
van de regering als het ging om afstand te doen van
Nederlands-Indië aan een nauwelijks bekende en door
zichzelf uitgeroepen Indonesische Republiek Indonesia.
Bijna alle partijen in het Nederlandse parlement hadden
hun eigen bedenkingen tegen de afgedwongen vrijheids-
verklaring van Indonesië. Het principe van de
onafhankelijkheid van Indonesië was bespreekbaar,
maar wel op langere termijn en vooral te bereiken onder
leiding van Nederland.
Tijdens het Kamerdebat bracht Jonkman de wens van de
regering over om Nieuw-Guinea onder Nederlandse
soevereiniteit te houden. Waarschijnlijk om de Kamer
wat milder te stemmen voor het plotselinge verlies van
Nederlands-Indië en om alle neuzen in een richting te
krijgen, noemde Jonkman dat de gedachte achter de
wens van de regering was “dat volksplantingen van
Indische Nederlanders tot de mogelijkheden zouden
moeten behoren”
.
Aan het eind van dit Kamerdebat werd een motie
aangenomen van de beide fractievoorzitters van de
leidende partijen, KVP en PVDA, met de bepaling dat de
betreffende regeringsverklaring over Nieuw-Guinea werd
toegevoegd aan het Linggadjati verdrag.

Opstand in Celebes


Het uitroepen van de eenheidsstaat Indonesia
viel niet in goede aarde in de deelstaat Oost-
Indonesië. Men vond dat de snelle ontmanteling
van deelstaten een daad was van Javaans
imperialisme. Er braken diverse opstanden uit.

In de hoofdstad Makassar van de deelstaat Oost- Indonesië
werd een staatsgreep uitgevoerd door ex-KNIL
militairen die nog niet waren gedemobiliseerd. Luitenant
Andy Abdul Azis bezette met zo’n 300 militairen
strategisch belangrijke plaatsen in de stad. Ter plaatse
werd het hoofd van de TNI gearresteerd tezamen met
een aantal Republikeinse ambtenaren.
Soekarno stuurde het Worang bataljon, een eenheid
bestaande uit manschappen afkomstig uit Oost-
Indonesië die tijdens de revolutie aan de kant van de
Republik Indonesia hadden gestreden.
Verzoeningspogingen van premier Hatta mislukten
waarop Soekarno Andy Azis tot rebel verklaarde.
Premier Soekawati van Oost Indonesië werd gedwongen
om het Worang bataljon tot Makassar toe te laten en in
garnizoen te nemen. Toen de steun van enkele
prominente bestuurders aan Andy Azis wegviel gaf deze
de strijd op. Op aandrang van Soekawati meldde hij zich
te Jakarta en werd daar prompt veroordeeld tot 14 jaar
gevangenis.
Lange tijd bleef het onrustig in Makassar, gewapende
groepen bestreden elkaar. Zo zwierven door het gebied
groepen van de Darul Islam, KNIL en TNI deserteurs,
gewapende roofbenden en nog niet gedemobiliseerde
voornamelijk Ambonese en Menadonese ex-KNIL
militairen. Voor deze laatsten kwam een oplossing, de
Menadonese soldaten werden naar de Minahassa
gebracht en de Ambonezen naar kampen op Java.

De ontslagkwestie Molukse militairen


Op 26 juli 1950 werd het KNIL opgeheven. Bij
demobilisatie van militairen mogen zij zelf
bepalen in welke plaats zij ontslagen willen
worden, als die plaats maar ligt binnen de
grenzen van Nederlands-Indië. Zo omschreef het
KNIL haar demobilisatie procedure.

Op Java bevonden zich zo’n 4000 Molukse ex-KNILmilitairen
die niet konden worden gedemobiliseerd
omdat ze niet mochten worden vervoerd naar de plaats
van hun keuze.
Dat was in de 1ste plaats Ambon, waar inmiddels binnen
de deelstaat Oost Indonesië de Republik Maluku Seletan
(RMS) was uitgeroepen, en als 2de plaats Nieuw-Guinea.
Op Java verslechterde de toestand rond de kampementen
waar de Molukse militairen met hun gezinnen
woonden. Ze kregen het bevel om zich te verzamelen in
5 grote doorgangskampen te Jakarta, Bandung, Malang,
Semarang en Surabaja.
Het Nederlandse Kabinet overwoog een demobilisatie op
Java, dit tegen de KNIL-regels in. Juist in die periode
was in Nederland een RMS-delegatie o.l.v. F A Aponno
actief, die tot in hoogste instantie een rechterlijke
uitspraak afdwong waarbij de Nederlandse regering het
verbod kreeg opgelegd om Molukse soldaten tegen hun
zin achter te laten in vijandig gebied. De demobilisatie
op Java was daarmee van de baan.
De RVSI-regering verbood daarop elke demobilisatie op
het door haar geclaimde Indonesisch grondgebied.
Om de impasse eindelijk te doorbreken, nam begin 1951
de Nederlandse regering het besluit om de Molukse
militairen en hun gezinnen in de doorgangskampen op
Java TIJDELIJK naar Nederland te halen. De Molukse
militairen kregen van de delegatie Appono de
aanbeveling om in te stemmen met deze ‘opzending’.

Demobilisatie van Molukse KNIL-militairen


Al bij de Soevereiniteitsoverdracht was het
afgesproken met de nieuwe Republiek der
Verenigde Staten van Indonesië (RVSI) dat
Nederland per 26 juli 1950 het Koninklijk
Nederlands-Indische Leger (KNIL) zou opheffen.

Voor de Nederlandse militairen betekende dit dat ze
zouden worden gerepatrieerd naar Nederland. Voor de
Indonesische militairen werd er een keuzemogelijkheid
geboden, namelijk:
–óf gedemobiliseerd worden op een plaats naar keuze
binnen het grondgebied van de RVSI,
–óf een overstap maken naar het leger van de RVSI, de
Angkatan Perang Republik Indonesia Serikat (APRIS).
Voor vele Molukse militairen was een overstap naar de
APRIS moeilijk maar onder bepaald voorwaarden zeker
bespreekbaar.
Zo zouden zij niet als individu een eventuele overstap
willen maken , maar als eenheid onder eigen officieren,
met legerplaatsen in de Deelstaat Oost Indonesië.
Op het moment dat onderhandelingen hierover gaande
waren, werd in april 1950 op Ambon de Republiek
Maluku Selatan (RMS) uitgeroepen. De Molukse militairen
kozen toen voor de RMS.
Er ontstonden in verschillende steden scherpe tegenstellingen
tussen de Molukse KNIL- en APRIS-soldaten.
Overstappen naar het Indonesische leger was hiermee
van de baan.
De Molukse militairen kozen merendeels voor
demobilisatie op Ambon. Dat was onaanvaardbaar voor
de RVSI, hetzelfde gold voor Nieuw-Guinea of Ceram.
Een noodoplossing: vlak vóór de opheffing van het KNIL
werden de Molukkers tijdelijk opgenomen bij de
Nederlandse Koninklijke Landmacht.

DETA-jongens, opbouwwerkers


Het schrikbarend tekort aan arbeidskrachten in
Nieuw-Guinea stond de opbouw van de nieuwe
Gouvernementszetel danig in de weg. Een
nieuwe Dienst van het Directoraat Opbouw
moest op korte termijn contractanten werven
voor Nieuw-Guinea.

Enkele maanden vóór de soevereiniteitsoverdracht van
Nederlands-Indië aan Indonesië werd de DETA, Dienst
Economische en Technische Aangelegenheden,
opgericht, die tot doel had Indische jongemannen aan te
werven voor de opbouw en ontwikkeling van Nieuw
Guinea.
De politieke toestand maakte dat er haast was geboden
met het aanwerven van contractanten. Nog vóór de
soevereiniteitsoverdracht zijn beslag zou krijgen moest
een snelle werfactie zorgen voor zoveel mogelijk
arbeidsovereenkomsten.
Contractvoorwaarden waren ondermeer:
–de Nederlandse nationaliteit, 18 jaar of ouder,
mannelijk geslacht en goede gezondheid.
–de overeenkomst werd aangegaan voor de duur van
één jaar, de reiskosten naar Nieuw Guinea (evt. incl.
gezinsleden) werden betaald,
–het dagloon voor een 8-urige werkdag (incl. 5-urige
zaterdag) bedroeg f 1,50, vrije voeding, vrije huisvesting
in kampverband, vrije medische verzorging en
aanvullende artikelen..

Meer dan duizend Indische jongemannen uit allerlei
milieus gaven gehoor aan de oproep. Als Deta-jongens
werden zij ingezet bij de bouw van wegen, bruggen,
huizen, loodsen, aanlegsteigers, telefoonnetten, waterleidingen
en verwerking van legerdumpgoederen.

Ratoe Adil, Rechtvaardige vorst


Na zijn ontslag uit het KNIL medio 1948,
exploiteerde ex-kapitein Westerling een
transportonderneming in West-Java. Echter, een
jaar later werd hij leider van APRA*, een
gewapende eenheid van ex-KNIL militairen.       
*Westerling in ‘Mijn memoires’

Naar eigen zeggen nam, op verzoek van Indonesiërs in
het gebied Pasoendan in West-Java, ex-KNIL militair
Raymond Westerling de verdediging op zich van desa’s
die door terroristische benden werden gemolesteerd.
Door zijn bemoeienis ontstond een gewapende macht die
het terrorisme effectief kon bestrijden.
Als dank voor de betrekkelijke rust in de desa’s die zijn
groeiende militie teweeg bracht, werd hij, alweer naar
eigen zeggen, als redder in de nood geëerd door de
dorpshoofden. Zij waren het die hem wezen op de
uitspraken uit 1150, gedaan door Djojobojo, de
profetische koning uit Kediri (Oost-Java).
“Wanneer de wagens zich zonder paarden zullen
voortbewegen en wanneer er draden over de aarde
gespannen zijn, dan zijn de Blanken op Java, die door
gele mensen worden opgesloten. De Blanken zullen
lijden maar dan bevrijd worden. De Gele mensen zullen
verdwijnen en zware tijden zullen aanbreken. Doch
korenoogsten zullen betere tijden aankondigen.
En wanneer de Serayoe (rivier in Midden–Java) een dode
rivier wordt zal de witte buffel naar zijn stal terugkeren.
Dan is het dat de Ratoe Adil zal komen, de Rechtvaardige
vorst geboren in Turkije”.
Naar aanleiding hiervan besloot Westerling zijn legertje
de naam ‘Legioen van de Rechtvaardige Vorst te
noemen: Angkatan Perang Ratoe Adil, beter bekend als
APRA.

Staatsgreep van Westerling

Op 23 januari 1950 ondernam ex-kapitein Westerling een couppoging tegen de pas gevormde regering Soekarno. Zijn voornaamste motief was handhaving van de met Nederland overeengekomen Federale status van de Verenigde Staten van Indonesië.

“Was hij er nou wel bij of niet, si Westerling, toen zijn legertje Bandoeng veroverde in januari 1950?”.
“Volgens zijn eigen zeggen zat hij in Jakarta. Eén van zijn luitenants voerde het bevel in Bandoeng. Hij zou in Jakarta wachten op wapens uit Bandoeng en dan met een deel van zijn manschappen in Jakarta belangrijke gebouwen van de Soekarno-regering in bezit nemen”.
“Waarom is dat dan mislukt? In Bandoeng was hij toch al de baas?”.
“Ja, maar te laat. De wapens uit het arsenaal in Bandoeng zijn via wegversperringen onderschept door de Siliwangi divisie. Westerling kreeg daardoor geen wapens in Jakarta. Weg Staatsgreep”.
“En zijn goede Nederlandse en Indonesische vrienden dan. Die konden hem toch wapens leveren?”.
“Dat is nou net niet gebeurd. Niemand wilde zijn vingers branden aan deze illegale staatsgreep. Het leek politiek gezien ook gevaarlijk om daaraan mee te werken. Zowel de KNIL-wapenarsenalen als de regeringsgebouwen werden streng bewaakt. De voorgenomen staatsgreep bloedde vanzelf dood en Westerling moest het vege lijf redden”.
“Ja, hoe is hij er tussen uitgepiept?”.
“Met een vals paspoort onder een andere naam heeft hij het havengebied in Jakarta kunnen betreden om heimelijk met een Catalinavliegboot van de Marine Luchtvaartdienst vervoerd te worden naar Maleisië”.

Koninklijk Besluit nummer 309

Tijdens de Ronde Tafel Conferentie (RTC) was met de Indonesische delegatie overeengekomen dat het KNIL zou worden ontbonden onder Nederlandse leiding. Indonesië zou dat betalen, waarna het de beschikking zou krijgen over alle installaties en materieel. 

Koninklijk Besluit nummer 309
(‘Liquidatie’ van het KNIL, 20 juli 1950) 

Uit financiële overwegingen had de Nederlandse regering het liefst dat de KNIL-militairen “verplicht” in dienst zouden treden van het nieuwe Indonesische leger. Dat zou de Nederlandse staat veel geld besparen.
Het KNIL, met enige tienduizenden personeelsleden, moest op korte termijn, liefst geruisloos, verdwijnen !!!
KNIL belangenverenigingen hebben met taai volhouden de rechtspositie verdedigd. April 1950, een aantal richtlijnen bij de ‘reorganisatie’ van het KNIL:
–Inheemse beroepsmilitairen, die als staatsburger van de RIS worden aangemerkt, krijgen de keuze tussen overgang naar de RIS, dan wel recht op pensioen of een uitkering. Zij vallen niet meer onder Nederlandse jurisdictie.
–Europese beroepsmilitairen vanaf de rang van sergeant of hoger kunnen onder bepaalde voorwaarden overgaan naar de Koninklijke Landmacht. Er was de keuze voor pensionering dan wel ontslag.
–Overgang naar de KL zal geschieden met behoud van rang en anciënniteit, diensttijd KNIL wordt dubbelgeteld, reeds verdiend pensioenrecht KNIL blijft gehandhaafd en zal bij een later bij KL verkregen ontslag geen lager pensioen opleveren.
–Bij overgang naar de KL wordt de ex-KNIL-militair bij het bereiken van de leeftijd van 55 jaar gepensioneerd.
Zo’n 8.000 ex-KNIL’ers maakten de overstap naar de Kon. Landmacht en de Kon. Luchtmacht.

De Soevereiniteitsoverdracht

De ondertekening van de Akte van Bevestiging tijdens de ceremonie van de Soevereiniteitsoverdracht geschiedde in de Burgerzaal van het paleis op de Dam in bijzijn van Koningin Juliana en de beide premiers van Nederland en de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië.  

Op 27 december 1949 werd de soevereiniteit door Nederland overgedragen aan Indonesië.
Om 10 uur precies namen de delegaties van Nederland en de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië plaats aan de grote ovale tafel in de Burgerzaal van het paleis op de Dam in Amsterdam. Minister-president Drees opende de vergadering en constateerde dat de mantelresolutie met ontwerp-overeenkomsten en briefwisselingen, die door de Algemene Vergadering van de Ronde Tafel Conferentie in Den Haag is aangenomen door het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië, is aanvaard.
Na voorlezing van de Akte van Bevestiging, die de nieuwe rechtsorde bekrachtigde, ondertekenden Koningin Juliana en de verantwoordelijke ministers de akte. Minister-president Hatta ondertekend de akte na enkele woorden te hebben uitgesproken.
Koningin Juliana sprak, in haar functie van Hoofd van de Nederlands-Indonesische Unie, een korte rede uit waarin zij de overdracht een ingrijpende en aangrijpende gebeurtenis noemde. “ . .niet langer staan wij tegenover elkaar maar nu naast elkaar . . Onmeetbaar groot is de voldoening van een volk dat zijn vrijheid ziet verwerkelijkt . . . hoe immens zwaar is de taak die deze jonge natie zich op de schouders heeft getild . . ”.

Na de Koninklijke rede klonken de volksliederen, eerst het Indonesia Raya en daarna het Wilhelmus.

Wederopbouw ná de politionele actie


Na beëindiging van de oorlog met Japan midden
1945 tot aan de uitwijzing van Nederlanders als
ongewenst vreemdeling in 1958 vertrokken
duizenden kortverbanders naar Indonesië.


Tijdens de politionele actie werden grote delen van het
door “republikeinen” bezette gebied door Nederlandse
troepen ingenomen. Hieronder vielen ook de grote
steden.
Kantoren, ondernemingen en fabrieken, of wat daarvan
na vier jaar van bezetting en de recente verwoestingen
nog van over was, werden door de eigenaren weer in
bezit genomen.

Ten behoeve van het herstel en de wederopbouw van
Nederlands-Indië werden door de overheid, in de periode
1945-1958, ruim 50.000 Nederlanders naar de Oost
gezonden, de meeste met kort verband bij het Rijk of
een particuliere maatschappij.
Zij werden veelal aangeduid als ‘werkers’ of ‘werksters’.

Tegelijkertijd keerden ook velen vanuit Nederland naar
Indië terug, omdat zij zich als – ‘in Indië gewortelden’ -
daar beter thuis voelden. Het waren Planters, ambtenaren,
mensen uit handel en industrie elk met eigen
belangen en interesses.

De ouderen hoopten de draad weer op te pakken waar
die in mei 1940 en maart 1942 was afgebroken.
De jongeren kwamen om diverse redenen, zoals kansen
pakken om het benauwde kikkerland te ontvluchten en
de wereld te zien of van avontuur te genieten.

Djokjakarta, een doorn in het oog


Met een verwijzing naar de Romeinse veldheer
Censorius die ver vóór onze jaartelling
verzuchtte, “Overigens ben ik van mening dat
Carthago verwoest moet worden”, liet Generaal
Spoor zich in gelijke zin uit t.a.v. Djokjakarta.


Hij meende dat als Djokjakarta door Nederlandse
troepen zou zijn ingenomen, tegelijkertijd het ophitsen
van de bevolking tot vernieling, verzet en guerrilla door
Indonesische leiders ter plaatse, zou ophouden.
Niets was minder waar.
Djokjakarta werd aan het begin van de 2de politionele
actie bij verrassing ingenomen door Nederlandse
troepen. De Indonesische leiders Soekarno, Hatta, e.a.
werden gevangen genomen, de Republiek leek
vleugellam.
Máár . . met de val van Djokjakarta begon, naar later
bleek, in zekere zin voor Indonesië de victorie.
De in militaire zin geslaagde aanval op Djokjakarta kreeg
vergaande politieke consequenties.
Door ingrijpen van de Veiligheidsraad van de VN, die
vonden dat Nederland te ver was gegaan, werd onder
steeds sterker wordende druk van de internationale
opinie, versneld de weg bewandeld naar een vreedzame
soevereiniteitsoverdracht.
De 2de Politionele Actie begon als Operatie Kraai op 18
december 1948 en eindigde op 5 januari 1949. Men
meende de vrije hand te hebben doordat de Veiligheidsraad
met Kerstreces was. Die werd echter op 19 dec.
teruggeroepen om vervolgens een aantal resoluties te
aanvaardden die Nederland dwong tot een staakt het
vuren. Verdere eisen waren o.m. de terugkeer van de
Republikeinse regering naar Djokjakarta en op 1 april
1950 overdracht van souvereiniteit.

De Commissie van Goede Diensten (CGD)

Ná de 1ste Politionele actie werd eind augustus
1947 de Commissie van Goede Diensten ingesteld.
Leden: voor Indonesië de Australier
Richard Kirby, voor Nederland de Belg Paul van
Zeeland en namens Amerika, achtereenvolgens
Frank Graham, Court DuBois en Merle Cochran.

Met de 1ste Politionele actie werden belangrijke economische
gebieden veroverend op Java en Sumatra. Wat
dat betreft was de Operatie Product een militair succes.
Maar de verwachtte instorting van de Republiek vond
niet plaats.
Onder grote internationale druk van de VN werd een
Commissie van Goede Diensten voorgesteld die de
onderhandelingen tussen Nederland en Indonesië op
gang moest brengen. Die Commissie kwam op 22
oktober 1947 in Batavia aan. Als uitgangspunt van de
voorbereidende bespreking diende het eerder getekende
Linggadjati Verdrag.
Een akkoord tussen Nederland en Indonesië zou plaatsvinden
op neutraal terrein, daarvoor lag even buiten
Batavia de Amerikaanse kruiser USS Renville voor anker.

Januari 1948 werd de zogenoemde Renville Overeenkomst
getekend. De overeenkomst betrof een
wapenstilstand, waarbij demarcatielijnen werden vastgesteld
door beide partijen. Tevens zou een evacuatie
moeten plaatsvinden van aanwezige Republikeinse
militairen op door Nederland veroverd grondgebied.
Hiermee hoopte Nederland dat de moordende guerrilla
zou afnemen. En dat juist werd niet bewaarheid.
De Nederlandse legerleiding had het gevoel dat het
karwei nog niet af was. Het Republikeinse regeringscentrum
in Djokjakarta vormde nog een vuiltje in het
oog van generaal Spoor dat moest worden weggewist.

De rol van de VN in het Indonesië-vraagstuk


Met de resolutie van de Veiligheidsraad van de
VN kwam op 4 augustus 1947 een einde aan de
Eerste Politionele Actie. Hiermee was de basis
gelegd voor een verdere bemoeienis van de VN
met de politieke ontwikkelingen in het
Indonesië-vraagstuk.

De bemoeienis van de VN met de Nederland-Indonesië
kwestie was voor de volkerenorganisatie uiterst
belangrijk om haar bestaansrecht te rechtvaardigen.
Toen Amerika de rol van Engeland in het Indonesiëvraagstuk
overnam, wist Washington gedaan te krijgen
dat de VN een Commissie van Goede Diensten
benoemde om in het conflict te bemiddelen.
De Nederlandse belangen werden behartigd door de
Belg Paul van Zeeland, de Republikeinse door de
Australiër Richard Kirby, de onpartijdige zetel werd bezet
door de Amerikaan Frank P Graham, die daarmee de
belangrijkste bemiddelingsrol speelde.
De CGD kwam op 22 oktober 1947 in Batavia aan. Zij
had als taak voorbereidende besprekingen te houden
voor de later op neutraal terrein te houden conferentie
op de USS Renville.
Op 17 januari 1948 werd de Renville overeenkomst
gesloten. Voor de Republiek betekende dit dat, op grond
van de erkenning van de Nederlandse soevereiniteit over
Indië, in de interim periode tot aan de totstandkoming
van de Verenigde Staten van Indonesië, de Republiek de
positie van Deelstaat zou bezitten.
In dat verband had de Republiek geen buitenlandse
betrekkingen mogen onderhouden en geen eigen
strijdkrachten kunnen bezitten.
De Republik Indonesia vormde juist op deze punten een
eigen conclusie en ging voort op de ingeslagen weg.

Onzekerheid en werkelijkheid


In 1948 en in 1949 was Nederland nog niet
bereid enigerlei consequenties te trekken uit de
te creëren Unie, die voor de meerderheid van de
Indonesiërs moeilijk of in het geheel niet
aanvaardbaar zou zijn.
 

Enkele vragen bij de totstandkoming van de Nederland-
Indonesische Unie op 27 december 1949.
–Van Vredenburch schreef in maart 1948 over dit
onderwerp aan ambassadeur Van Kleffens: ‘Stel dat
Unie en Federatie op de wijze zoals men zulks in
Nederland wenst, tot stand komen, en dat na verloop
van langeren of korteren tijd in het Parlement der
Verenigde Staten van Indonesië een motie zou worden
aangenomen om de Unie te verbreken, wat zou dan de
reactie van Nederland zijn? Het is toch ondenkbaar dat
wij dan zouden pogen manu militari de Unieband te
herstellen?i’ ( Van Vredenburch,1985).
–In een brief van 5 juli 1948 aan Van Mook sprak ook
dr. H.N. Boon, in 1948 chef van de Directie politieke
zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, zich
o.a. over deze materie uit: ‘Niemand heeft zich nog
verdiept in wat er zou gebeuren wanneer de soevereine
staten van Indonesië, nadat zij in alle vorm en regel tot
stand zijn gekomen en met hun handtekening het Unie-
Statuut hebben bekrachtigd, na enige jaren zouden
besluiten om zich uit de Unie los te maken om een eigen
ongebonden volksbestaan te gaan leiden. Het is alsdan
ondenkbaar dat Nederland iets anders zou kunnen doen
dan zich brommend en mokkend bij de gebeurtenissen
neer te leggen’. (Archief van Mook, ’85)

Opmerking: Op 21 februari 1956 zegde de Republik
Indonesia eenzijdig de Nederlands-Indonesische Unie op.

De Nederlands-Indonesische Unie


Er was mateloos veel politiek geharrewar in de
Nederlandse regering, onderling tussen Romme
(KVP) en Van der Goes van Naters (PVDA), en
met de Indische regering (Van Mook) over de
status van de Unie; een telkens terugkerend
debat over soevereiniteit, competentieveld,
zware en lichte Unie, etc.

In de op 15 november 1946 geparafeerde ontwerpovereenkomst
tussen Nederland en de Republiek werd
feitelijk vastgelegd: dat Nederland bereid was de
Republiek te erkennen als de facto het gezag uitoefenend
over Java, Madoera en Sumatra, wanneer de
Republiek op haar beurt bereid was een duurzaam
samengaan van het Koninkrijk der Nederlanden en de te
vormen Verenigde Staten van Indonesië te accepteren.

Toen Nederland en de Republiek op 25 maart 1947 het
akkoord van Linggadjati ondertekenden, werd daarmee
het principe van een Nederlands-Indonesische Unie
officieel erkend.

Bij de Renville-overeenkomst van januari 1948 werd de
vorming van een Nederlands-Indonesische Unie nog
eens uitdrukkelijk bevestigd,
“The United States of
Indonesia, when created, will be a sovereign and
independent State in equal partnership with the Kingdom
of the Netherlands in a Netherlands-Indonesian Union at
the head of which shall be the King of the Netherlands.
The status of the Republic of Indonesia will be that of a
state within the United States of Indonesia”.

Vooral de Nederlandse interpretatie van het woord
‘independent’ uit deze tekst heeft de Nederlandse
bewindvoerders en parlementariërs tijdenlang beziggehouden,
moet ‘onafhankelijk’ niet worden vervangen
door ‘zelfstandig’ , of is juist het omgekeerde aanvaardbaar.

De Haagse “Ronde Tafel Conferentie”

 In Den Haag werden van 23 augustus tot 2 november 1949 voorbereidende besprekingen gehouden t.b.v. de Soevereiniteitsoverdracht. Heikele punten vormden de overname van de schuldenlast van Nederlands-Indië én het uitsluiten van Nieuw-Guinea bij de overdracht.


 De Haagse “Ronde Tafel Conferentie” (De kwestie Nieuw-Guinea)


Na het bereiken van een compromis over de door de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië (RVSI) over te nemen schuldenlast van het Indisch Gouvernement, werd over Nieuw-Guinea onderhandelt.
De Nederlandse regering stelde dat Nieuw-Guinea buiten de overdracht moet blijven. Zo niet, dan zou het praktisch onmogelijk zijn dat de voor een wijziging van de Grondwet benodigde 2/3 meerderheid in beide Kamers zou worden gehaald. Op grond hiervan zou de Haagse besluitvorming niet kunnen worden geratificeerd. Na bemiddeling van het UN comité voor Indonesië, de UNCI, werd het volgende compromis uitgewerkt:
Het Nederlands bestuur in Westelijk Nieuw-Guinea zal gehandhaafd blijven (status quo), echter met de bepaling dat binnen een jaar vanaf de datum van de soevereiniteitsoverdracht de politieke status van Nieuw- Guinea zal worden bepaald door onderhandelingen tussen Nederland en de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië.
Op 2 november werden alle overeenkomsten op de Haagse Conferentie geratificeerd.
Na heftige debatten in het Voorlopig Parlement van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië volgde ratificatie van de Haagse overeenkomsten op 14 december 1949.
Op 21 december ratificeerden beide Kamers van het Nederlands parlement de Haagse overeenkomsten.

De Haagse “Ronde Tafel Conferentie”

In Den Haag werden van 23 augustus tot 2 november 1949 voorbereidende besprekingen gehouden t.b.v. de Soevereiniteitsoverdracht. Heikele punten vormden de overname van de schuldenlast van Nederlands-Indië én het uitsluiten van Nieuw-Guinea bij de overdracht.


” (Overname schuldenlast Nederlands-Indië) Om de tafel zaten vier partijen: een Nederlandse delegatie o.l.v. Van Maarseveen, een delegatie van de Republiek zoals die op 17 augustus 1945 door Soekarno was uitgeroepen o.l.v. minister-president Hatta, een delegatie van federalisten uit de Indonesische deelstaten o.l.v. van Anak Agung, minister-president van de grootste deelstaat Oost-Indonesië en de United Nations Committee for Indonesia (Unci), o.l.v. de Amerikaan Merle Cochran.
Een belangrijk punt van bespreking vormde de totale schuldenlast van Nederlands-Indië. Naar het standpunt van de Nederlandse regering zou de op 6,1 miljard gulden begrote schuldenlast door de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië moeten worden overgenomen, te weten 3 miljard interne schulden en 3,1 miljard externe schulden, waarvan circa 2 miljard militaire kosten t .b. v. beide Politionele acties.
De RVSI wierp tegen dat er geen overwegend bezwaar bestond tegen overname van schulden voorafgaande aan de capitulatie aan Japan én schulden die in latere jaren zijn gemaakt ten voordele van de Indonesische bevolking. Zeer beslist wees men de directe of indirecte kosten af die zijn opgelopen bij de Politionele acties tegen de Republiek.
De onderhandelingen mondden op 24 oktober uit op een schuldenlast van 4,3 miljard gulden, welk bedrag door de RVSI zou worden terugbetaald aan Nederland.

De Haagse “Ronde Tafel Conferentie”

In Den Haag werden van 23 aug. tot 2 nov. 1949 voorbereidende besprekingen gehouden t.b.v. de Soevereiniteitsoverdracht aan de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië. In de FINECregeling werden financiële en economische afspraken vastgelegd voor ná de overdracht.


De Haagse “Ronde Tafel Conferentie” (FINEC aanhangsel)


De Financieel Economische Overeenkomst (Finec), een aanhangsel van het RTC-verdrag waarin de financiële en economische kwesties betreffende de soevereiniteitsoverdracht werden geregeld, omvatte afspraken die betrekking hadden op de toekomstige relatie tussen Nederland en het onafhankelijk Indonesië.
De vooraanstaande positie van het Nederlandse bedrijfsleven in het dan onafhankelijke Indonesië bracht de Nederlandse wens naar voren om ‘op de oude voet’ verder te willen gaan, maar ook aan Indonesische zijde besefte men dat de eigen welvaart vooralsnog sterk afhankelijk was van Nederlandse kennis en voortgaande investeringen. Niettemin stond de Indonesische politieke elite op termijn de vorming van een ‘nationale economie’ voor ogen.
Finec bood maximale garanties voor de continuering van Nederlandse firma’s in Indonesië, maar tevens werd in Finec afgesproken dat Nederlandse firma’s zo snel als mogelijk bekwaam Indonesisch personeel op managers- en stafposities zal brengen. Echter ten aanzien van dit punt werd er geen concreet tijdsplan afgesproken noch dat er sprake was een specifiek percentage Indonesiërs dat tot leidende posities zou worden gepromoveerd.
Voor Indonesië gold vooral het ideaal van een Nationale economie binnen de grenzen van de bepalingen van de soevereiniteitsoverdracht, een samenwerking vooreerst gefinancierd met Nederlands kapitaal.

Deelstaat Oost Indonesië

Van Mook ging ijverig verder met het stichten van deelstaten. In totaal zagen zo’n 15 deelstaten het licht. Het waren vooral de Buitengewesten die de Javaanse opperheerschappij schuwden.


Ide Anak Agung Gde Agung, oudste zoon van de vorst van het Zuid-Balinese Gianyar, deelnemer aan de conferentie van Malino en later minister-president van de deelstaat Oost-Indonesië, zei er het volgende over:
“Juist in Oost-Indonesië was het federalisme het meest levensvatbaar. Ik persoonlijk was het er roerend mee eens omdat ik het federalisme zag als de beste oplossing om af te stappen van het centralisme van het koloniale Nederlands-Indische bewind. Ik had zelf ondervonden wat de nadelen daarvan waren; er was bijvoorbeeld op heel Bali geen enkele middelbare school! De buitengewesten werden helemaal verwaarloosd; alle aandacht was gevestigd op Java. Om te voorkomen dat in een onafhankelijk Indonesië weer hetzelfde zou gebeuren, heb ik toen gekozen voor het federalisme. Ik zag dat als de beste waarborg voor een gebalanceerd bewind over Indonesië”.

Tijdens de conferentie van Denpasar, die van 7 tot 24 december 1946 werd gehouden, had de federalistische gedachte verder vorm gekregen en werd daar als eerste deelstaat de Negara Indonesia Timoer opgericht. Van de drie of vier grote deelstaten die, in de oorspronkelijke opzet van Van Mook, samen de Verenigde Staten van Indonesië zouden moeten gaan vormen, was alleen de deelstaat Oost-Indonesië ook daadwerkelijk opgericht.

Militaire en para-militaire korpsen

Het Japanse Militair Bestuur in Batavia was tijdens de bezettingsjaren de grote regisseur achter de organisaties van de Indonesische vrijwilligerskorpsen. Militante leden van deze korpsen aangevuld met gewone roversbenden voerden de ‘Bersiap’ tegen de Nederlanders.

De overgrote meerderheid van de leden van de Vrijwilligerskorpsen waren jonge en jongvolwassen mannen die nagenoeg geen opleiding genoten hadden en aangestoken door de Japanse propaganda vrijwillig dienst namen of ertoe werden aangewezen door bv. het dorpshoofd (Loerah). De Japanse geest werd hun hardhandig ingepompt. Vreemdelingenhaat, radicalisme, loyale kameraadschap, autoritair optreden, magnifiek zijn, bijna suïcidale moed en geloof in zaligheid bij directe actie, kortom typisch Japanse kenmerken die gelden als de leden zich in groepsverband manifesteren. 

Begin 1945, even vóór de capitulatie van Japan, bevonden zich op Java de volgende strijdgroepen:
–PETA, militair getraind 37.000 man
–HEIHO, militair getraind 15.000
–Kaibodan, para-mil. Hulppolitie 1.250.000
–Pemoeda’s, para-mil.(Seinendan) 600.000
–Hisboellah, para-mil. (Islam) 50.000
–Barisan Pelopor (militair getraind) 50.000 w.o zelfmoordgroepen Barisan Branie
–Vrouwenstrijdgroepen, Studenten 100.000

Met delen van deze groepen kreeg de buiten de kampen verblijvende Nederlandse en Indo-Europese gemeenschap te maken tijdens de “Bersiap” periode.

Roeslan Abdul Gani

Nonoventje

. . .volgens mij mocht Van Mook hem niet zo erg . . .
*Dr. HJ van Mook, Indonesië, Nederland en de Wereld.

“Abdul Gani was toch leider van de Sumatraanse pemoeda’s?”.
“Ja, hij was arts, geloof ik, klein van stuk, maar groot in daden. Het hoofdkwartier van de groeiende nationalistische jeugdbeweging in Sumatra had hij gevestigd bij Fort de Kock in de Padangse Bovenlanden. Wel schijnt hij een man te zijn met veel geestkracht, verstand en humor”.
“Ja, en naar ik hoorde was hij ook een avonturier”.
“Het verhaal doet de ronde dat in 1946 toen op een zekere dag Abdul Gani achter zijn bureau zat te schrijven plotseling kapitein Westerling zijn kantoor binnenstormde.
‘Ik ben Westerling’, schreeuwde hij.
Abdul Ghani keek kalm op van zijn schrijfwerk en zei doodleuk,
‘Ik ben Abdul Gani, Oosterling’.
Het verhaal stopt hier, maar dit antwoord galmde over de bergen en door de valleien van Sumatra en gaf een ongeëvenaard sterke impuls aan het vertrouwen in de nationalistische zaak van de jonge Sumatranen”.
“Hij is toch later minister van Economische Zaken geworden?”.
“Volgens Van Mook* kreeg hij die benoeming omdat hij in Zuid-Sumatra een dictatoriaal bewind voerde en kernfiguur was in de ruim opgezette smokkelhandel van wapens en levensbehoeften voornamelijk t.b.v. het Indonesische leger, de TRI”.

Depok

Tijdens de chaotische ‘Bersiap’ periode na de Japanse capitulatie dreigde omstreeks oktober 1945 de christelijke gemeenschap in het stadje Depok geheel uitgemoord te worden door fanatieke pemoeda’s. Johan Fabricius, Hoe ik Indië terug vond, 1947

De grote christelijke gemeenschap in het stadje Depok vond zijn oorsprong in de 18de eeuw, toen de rijk geworden Franse Hugenoot Chastelein zijn slaven vrijmaakte en na zijn dood het landgoed met omliggende landerijen aan hen naliet. Voorwaarde was o.m. handhaving van de christelijke signatuur.
Opgezweept door Republikeinse voormannen trokken na de capitulatie van Japan vanuit Bantam ongeregelde benden jonge fanatieke moslim pemoeda’s het stadje binnen en eisten dat de Depokse bevolking zich achter de beginselen van Merdeka en de Republiek zou scharen. De bevolking weigerde.
Alle mannen waren gevankelijk per trein naar de gevangenis in Buitenzorg vervoerd. Huizen werden beroofd, waarbij vele moordpartijen plaatsvonden op overwegend vrouwen en kinderen. De gemeenschap was in paniek de bossen ingevlucht. Met bruut geweld werden ze later door de pemoeda’s bijeen gedreven en opgesloten in het plaatselijk kerk. Dit gerucht bereikte Batavia maar de Engelse bezettingsmacht was niet in staat iets te doen aan de nijpende situatie in Depok.
Op initiatief van enkele Nederlandse oorlogscorrespondenten werd een reddingsactie ondernomen met behulp van Gurkha’s van de Engelse bezetting in Buitenzorg. De pemoeda’s werden verjaagd en de 1200 slachtoffers van het geweld geëvacueerd naar Buitenzorg en Batavia. Depok, gelegen tussen Batavia en Buitenzorg, ontsnapte in oktober 1945 aan een ware tragedie.

Vaandrig Aernout

Op 28 februari 1947 werd in Lembang de 36- jarige vaandrig R. L. C. Aernout vermoord. Hij was als inlichtingenofficier gestuit op een omvangrijke wapensmokkel binnen de Legertechnische Dienst in Bandoeng.

“Heb jij dat artikel in het ‘Bataviaasch Nieuwsblad’* gelezen over de moord op vaandrig Aernout?”.
“He-eh, hij durft die journalist, Houben heet hij toch? Als hij niet uitkijkt wordt hij ook gekild. Bij bosjes worden ze gekild. Soeda, laat maar, God slaapt niet”.
“Ja, maar, hoe wil je dan die corruptie van legerofficieren aanpakken? Per slot van rekening bewijzen de moorden op de 10 personen die iets meer wisten over de wapensmokkel naar Indonesische guerrilla-groepen, dat er wel degelijk werd en nog steeds wordt geknoeid”.
“Het gaat om hoge pieten toch? Legermensen en hoge burgerambtenaren. En dan zijn er ook nog Chinese handelaren bij betrokken in de doorverkoop. En aan wie worden de wapens verkocht?, . . .aan de Banteng Hitam, de gevaarlijkste guerrillagroep in West-Java, de Zwarte Buffel. Nou zo’n kongsi krijg je nooit plat met schelden in de krant”.
“Maar intussen worden onze soldaten afgemaakt met wapens uit hun eigen depots. En wordt er grof geld verdiend ten koste van het Nederlandse defensiebudget. En dan worden oprechte, plichtsgetrouwe mensen die deze praktijken in de publiciteit willen brengen én in het gerechtshof, zomaar vermoord”.
“Jah-illah, wapens, goud, opium, juwelen, alles wordt gesmokkeld, alles en iedereen heeft zijn prijs. Alleen een stripfiguur als Flash Gordon kan dat bestrijden”.