De defensie van Indië, hoe zat dat?

Vanaf 1920 gold in Nederland de slogan “geen man en geen cent”. Deels door de ‘gebroken geweertjespolitiek’, deels door de beurskrach van 1929 en deels door de “altijd zorgelijke” toestand van s’lands financiën bleef de defensie van Indië een stiefkind.

In 1923 werd het vlootplan om de Marine in Indië te versterken met één stem weggestemd.
In de Defensiegrondslagen van 1927 werd vastgelegd dat de Marine de taak kreeg om de buitengewesten te verdedigen, Java zou door het KNIL worden verdedigd, gesteund door de vloot.
In 1937 werd bepaald dat de Defensiegrondslag van ‘27 van kracht bleef. Maar, . . er was wat ruimte voor modernisering. En die zou bestemd zijn voor het luchtwapen. De eisen van de Marine werden daarmee ter zijde gelegd.
In een nieuw verdedigingsplan werd besloten de defensie van Indië te baseren op bommenwerpers.
De oorlogvoering tegen een buitenlandse agressor zou als volgt verlopen:
-Lange-afstands verkenningsvliegtuigen moeten de vijand op tijd lokaliseren en verkennen, daarvoor waren 33 Dorniers en 35 Catalina’s beschikbaar.
-Dan komen de 12 duikboten in actie, die zoveel mogelijk de invasievloot moeten beschadigen.
-Komt de invasievloot binnen bereik dan worden de 82 Glenn-Martin bommenwerpers ingeschakeld.
-Tenslotte zal het KNIL de vijand te land opvangen. Hiervoor is een politioneel beroepsleger beschikbaar van 40.000 man, bewapend met karabijn model 1895, Lewismitrailleur uit 1914 én klèwang, aangevuld met stads- en landwachten tot 121.000 man.
Daarnaast is er altijd hulp van de Volkenbond, toch?

2 gedachten over “De defensie van Indië, hoe zat dat?

  1. Mijn vader deed de CORO-opleiding. Ze hadden een leraar, luitenant-kolonel J.Th. H. die hen les gaf in ‘kaartering’ oftewel ‘geodesie’. Op een avond gaf overste H. een voordracht ‘De verdediging van Java’. Hij wees de mogelijke plaatsen aan waar de Japanners konden landen. Vertelde ook waar hun (onze) troepen in stelling lagen en de artillerie stond opgesteld, de verdediging in het gebergte, de aanvoer van munitie, voedsel en reservemateriaal, de afvoer van gewonden enz. De overste H. sloot zijn rede af met de woorden “zij, die nog meer hierover willen weten, nodig ik uit om een avondje bij mij thuis te komen..”
    Op een zaterdagmiddag ging mijn vader met 2 vrienden naar hem toe.
    “Ons leger is verouderd en verrot! De hele legerleiding is vergrijsd. Het KNIL kan alleen weerstand bieden tegen binnenlandse opstanden, zonder ervaring in gevechten tegen de Japanners die jaren getraind zijn in gevechten tegen een buitenlandse vijand, i.c. de Chinezen.”
    Hij vroeg ons naar de sterkte van ons leger. Ongeveer 80.000 man.
    “Ja, inclusief de weinig geoefende Stads- en Landwachten. Alleen een kleine kern van het KNIL is beroeps, de rest is dienstplichtig. Een groot gedeelte is bewapend met geweren en karabijnen uit het jaar 1895. En de Stads- en Landwachten hebben jachtgeweren! Natuurlijk mogen we aannemen dat ze met deze geweren goed overweg kunnen, maar erg ver kan je met deze spuiten niet schieten”, zei hij. “Wat ik jullie een paar dagen eerder heb verteld, is het rad, dat onze Generale Staf ‘the man in the street’ graag voor ogen wilde draaien. Ze wil dat men denkt dat ons leger in een komende oorlog in staat is de Jappen tegen te houden en terug kan slaan de zee in.”
    Toen vroeg hij mijn vader die bij de Pantser-Afweer heeft gezeten hoeveel pantserafweerkanonnen ze hebben. “48”. “Dat was veel te weinig voor twee divisies (dat was de sterkte die het KNIL toen had, alles inbegrepen). En daar zouden nog ongeveer 20 stuks bijkomen, die bij Sidi Barani op de Italianen waren buitgemaakt en waarvan de munitie nog moet worden aangemaakt. Elk infanteriebataljon is uitgerust met 18 karabijnmitrailleurs plus twee in reserve; plus 1 mitrailleurcompagnie met 4 Vickers-mitrailleurs, alle van 1926. Jullie karabijn-mitrailleurs zijn van 1915. En de Fransen hebben in de oorlog van 1914-1918 nog met onze veldartillerie geschoten…! De Japanse bewapening is veel moderner – behalve hun geweren: die zijn ongeveer even oud als die van jullie..”

  2. Een van hen sputterde tegen: “Het moreel van onze troepen is toch wel hoog te noemen”.
    Overste H.: “Geloven jullie dat? Troepen, die nog geen vuurdoop hebben gehad hebben in de regel een tamelijk hoogstaand moreel. Maar hoeveel van hen zullen aan de haal gaan, als er op hen geschoten wordt?”
    “Jullie moeten ook beseffen dat – als de Japanners ons aanvallen – wij geen steun zullen krijgen van Amerika, Australië of Engeland. Zij zullen zelf de handen vol hebben aan de Japanners, want zij beschikken over een leger van meer dan 1 miljoen, plus een hele grote slagvloot van moderne slagschepen omringd met vele kruisers en vliegdekschepen en hun luchtmacht is een van de sterkste van de wereld. De Amerikaanse vloot in de Pacific heeft slechts 8 slagschepen, waarvan minstens 4 verouderde en slechts 3 vliegdekschepen. Amerika heeft al die jaren niet veel aan haar vloot gedaan, terwijl de Japanners altijd hun volle aandacht hebben besteed aan haar schepen: zij beschikt over 2 grote moderne vloten, 1 om zelfs tot aan Amerika te opereren en de andere om het moederland te beschermen. En hun onderzeebootvloot is ook enorm. Maar hiervan weten wij heel weinig, we kunnen slechts schattingen maken..”
    Aan het einde van het gesprek zei overste H. nog: “Als ik de zekerheid heb dat Japan ons zal aanvallen, dan ga ik met ontslag. Verder vraag ik jullie om over dit gesprek te zwijgen. Anderen hoeven het niet te weten, hun moraal gaat er anders aan..”
    Zwaar onder de indruk verliet het drietal het huis van de overste H.
    Op 13 oktober 1941 crashte luitenant-generaal Berenschot. Mijn vader zat met de overige Coroanen in de gewapende geleide naar het Pandoekerkhog en ze vormden ook de erewacht toen de kist naar het graf werd gedragen.
    Twee weken later kregen ze vakantie en mijn vader ging terug naar Semarang. Eind oktober ’41 las mijn opa in de krant dat een zekere luitenant-kolonel H. met pensioen was.
    “Nu zal binnenkort de oorlog met Japan uitbreken”, wist mijn vader.
    Respect, voor onze Knil’ers, die wisten dat ze aan een ongelijke strijd begonnen toen ze de oorlog instapten – voor koningin en vaderland.
    Respect, voor mijn vader, die naar Balikpapan werd gestuurd, en die een torpedering overleefde in de Wijnkoopbaai en meteen daarop werd ingezet bij Tjiater, tot het KNIL zich overgaf.
    Respect, voor mijn vader die 21 was toen de oorlog uitbrak

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s