Na de slachting op Banda

Na de Banda-eilanden van hun bevolking te hebben “gezuiverd", liet Jan Pieterszoon Coen spoedig de specerijhandel herleven.

Het productieve land, met ongeveer een half miljoen nootmuskaatbomen, werd verdeeld in 68 'Perken', percelen van elk 1,2 hectare, waarvoor Nederlandse planters, zogenaamde "Perkeniers", een vergunning konden krijgen.
Het waren voornamelijk Nederlandse vrijburgers, militairen of handelaren, die hun contract met de VOC hadden uitgediend en besloten hadden in Indië te blijven.
Zij verplichtten zich tot de zorg van de nootmuskaatbomen en het oogsten van de noten. Maar bovenal moesten de noten tegen een vastgestelde prijs aan de VOC worden geleverd.  In ruil daarvoor werden zij door de VOC voorzien van slaven, afkomstig uit verschillende delen van Indië. Er waren immers geen ‘Bandanezen’ meer om de plantages te bewerken.

Om zeker te zijn van een winstmarge van 300%, betaalde de VOC de perkeniers 1/.222 ste deel van de gangbare nootmuskaatprijs in Nederland. Toch boerden ook de planters goed.
De kooplieden, die de kosten hadden gedragen van de Banda-oorlog, begonnen woekerwinsten op te strijken. Banda was, zo meldde een verslag de "helderste ster aan het firmament van de VOC"

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s