Kamp Sawiran

In het kleine Republikeinse kamp in het bergdorp Sawiran aan de weg naar Pasoeroean, waren in drie huizen 145 mannen en jongens ondergebracht. Na hun gevangenschap in de gevangenis van Pasoeroean was het verblijf in Sawiran een aanzienlijke verbetering, hier was het klimaat goed met volop frisse lucht.

En in dit kamp was men gevrijwaard van de luizen, vlooien, kakkerlakken en ander ongedierte.
Het voedsel bleef echter slecht, per persoon 2x per dag 2½ ons half om half gekookte djagoeng-rijst met doorgekookte kangkoeng, af en toe tempé of vlees.
Op een dag werd de kampbevolking bij elkaar geroepen om te luisteren naar een toespraak van de politiechef Sasmidi uit Bangil. In een gloeiend betoog schetste Sasmidi de heerlijkheden die men zou verkrijgen als de keuzemogelijkheid om Nederlander te blijven of Indonesiër te worden, zou doorslaan naar het zg. Warga Negara-schap. In volledige vrijheid zouden herenigde gezinnen in de nieuwe Republiek verder kunnen leven en werken. Hun beroepsmatige kennis van zaken zou uiterst gewaardeerd worden in de jonge Republiek en hun expertise zou dienen om de verdere ontwikkeling van het land omhoog te stuwen.
24 mannen gaven aan dat ze WN-er wilden worden, zij verlieten het kamp in volle vrijheid.
Nadien vroeg een jonge Indonesische politieman van het Sasmiditeam aan een van de Indische Nederlanders:
“Wat doet U, als U het kamp uitkomt en vrij bent om de Nederlandse of Indonesische nationaliteit te kiezen?”
“Ik blijf Nederlander”, was het antwoord.
“Dat is dan jammer voor U, want dan blijft U wat U altijd bent geweest, namelijk geen vlees en geen vis”, sprak de jongeman wijsgerig.

Ikat van Soemba

Het waren de Nederlanders die op Soemba het monopoly van de vorstelijke elite openbraken op het dragen van ikatdoeken. Zij maakten er een open markt van en noemden het “Soemba Kain”

Het eiland is beroemd geworden door de patronen van het Ikat textiel. In de noordoostelijke kustgebieden van Soemba geweven, behoren de patronen op het textiel tot de meest dramatische ontwerpen in Indonesië.
In tegenstelling tot de abstracte patronen op andere Ikats, geven de Soemba ikatdoeken de eigen geschie-denis weer, herinneringen aan stammenoorlogen, de brute komst van de Nederlanders, de boom met schedels van overwonnen vijanden, vooruitstormende ruiters met lange spiezen. Verder zijn onder buitenlandse invloed niet alleen herten en buffels afgeschilderd maar ook Chinese draken en Hollandse leeuwen.

Op Soemba hebben de vrouwen de productie van ikat-doeken geheel zelf in handen: zij planten de katoen en oogsten het, zij verwerken de katoen en spinnen het, zij produceren de kleuren, de applicatie van de decoraties, en de fabricatie van het textiel.
Het weefsel dat Soembanese vrouwen produceren bevat per cm veel meer scheringdraad (dat zijn de draden die in het weefraam worden ingespannen in lengterichting) dan inslagdraad (draad dat kruiselings tussen de sche-ringdraden wordt aangebracht).
Om de motieven en decoraties ten volle op het doek te laten verschijnen wordt ervoor gezorgd dat de schering-draden altijd zichtbaar blijven en geverfd worden in de vereiste kleuren. Voor iedere kleur moeten de draden opnieuw worden afgebonden.

Zoutindustrie

Ondanks de overvloedige grondstoffen die Indonesië rijk is, beschikt het over weinig natuurlijke zoutbronnen. Talloze kleine bedrijfjes op alle eilanden winnen zout uit zeewater. Daar waar ongerepte gronden net even boven de zeespiegel liggen, treft men zoutpannen aan.

Kleine stukken grond worden afgebakend door smalle, lage dijkjes. De bodem van zo’n zoutpan wordt keurig plat gewalst met een eenvoudige handwals aan een lange bamboestok.
Via een systeem van greppels en goten wordt bij vloed zeewater in de zoutpannen overgeheveld.
Een lange bamboestok hangt keurig in evenwicht over een geïmproviseerde bamboevork. Aan het ene einde is een waterdicht gevlochten mand gehangen, aan het andere einde wordt de hevel met mankracht bediend. Het water uit de volgelopen greppel wordt telkens met de mand overgeschept in de zoutpan. Op deze manier wordt een waterhoogte bereikt van circa 10 cm.
Zonnewarmte en wind doen het water verdampen. Het zout blijft liggen. Telkens wordt de zoutpan met zeewater aangevuld tot de afgezette zoutlaag dik genoeg is om weggeschept te worden. Heel voorzichtig moet de dunne zoutlaag worden weggeschept zodat het zout zich niet kan vermengen met de onderliggende grond. Met draagmanden wordt het zout centraal opgestapeld tot de bekende zoutheuvels.
De grondgesteldheid bepaalt het kristallisatieproces, het doorsijpelen van grondwater moet worden voorkomen.
In het regenseizoen ligt de zoutwinning stil.
Een grote zoutverbruiker is de visindustrie, bijvoorbeeld de pindangmakers die veel zout gebruiken bij de productie van zoute vis.

Schaatsen

In de jaren ‘50 was nog sprake van zeer koude winters. De meeste rivieren bleven lange tijd dichtgevroren en over de Lage Landen blies langdurig de ijzige poolwind. De koude weersgesteldheid drukte zwaar op het gemoed van de gerepatrieerde mensen.

Diep in de kraag van hun winterjas gedoken moesten ook de gerepatrieerde Indische dames hun dagelijkse boodschappen doen. Voordien, in de ijskoude ochtend, had de rest van de familie de barre tocht naar school en kantoor al volbracht.
Onvoorwaardelijk diende zich telkens het weekeinde aan. Aangepast aan het Hollandse wintervermaak op de natuurijsbanen in parkvijvers en ondergelopen landerijen vertoonden zich warempel ook enige Indo’s. Klauwend in de lucht om zich staande te houden, strompelden zij op hun Friese doorlopers onhandig juist tegen de stroom in.
Bij de snertwagen opzij van de ijsbaan stonden hun vriendinnen en vrienden zich luidruchtig te vermaken.
“Adoeh, si Tjalie, hij denk kranig, maar intussen is hij spookrijjer”. “En si Kampret, door zijn o-benen staat hij toch altijd scheef op de schaatsen”. “Moet je kijken die Nono, zijn kop al verlopen, maar hij denkt nog sjans te hebben, die vent. Van de kou al kripoet van hem”.
Met erwtensoep én rookworst, warme chocolademelk en frikadel hield de groep aan de kant zich warm, terwijl op de baan hun vrienden worstelden tegen de stroom in. Waarom tegen de stroom in?
“Ten eerste omdat de Indo door zijn afkomst tegendraads is geboren”, zei Nono later, “ten tweede is hij rechts opgevoed, maar moet zich in Holland links gedragen en ten derde zal hij met de stroom mee- rijdend, sneller moeten schaatsen en er dan de pest in krijgen dat hij toch door iedereen wordt ingehaald”.

Singapore

Net waren ze ontsnapt aan de oorlog in Soerabaja, de vrouwen en kinderen uit het verzamelkamp in de Darmowijk. De konvooien naar de haven Tandjong Perak ondervonden weinig hinder van de vijandig gezinde Pemoeda’s die met duizenden de stad Soerabaja bevolkten.

Aangekomen in de haven werden vrouwen en kinderen direct overgebracht naar Engelse of Amerikaanse troepentransportschepen. Mogelijk dat ze zagen hoe de 5de Divisie Brits-Indische troepen op volle oorlogssterkte werd ontscheept. Zij waren veilig met circa 6.000 personen door de lange corridor in de Republikeinse stad Soerabaja gekomen.
Velen kregen als bestemming Singapore.
Met landingsvaartuigen werden de repatrianten naar hun schip gebracht. Op de overvolle schepen werd met moeite een plaatsje gevonden. Na een korte zeereis bereikten ze de volgende dag Singapore. Eenmaal aan land ging het in vrachtwagens naar een enorm groot Engels kamp.
Het Wilhelminakamp werd geleid door Nederlandse militairen. Alles was tiptop verzorgd. Zij die hun mannen hadden moeten achterlaten in gevangenschap in Soerabaja kregen hier schone huizen toegewezen. Per persoon kregen ze een veldbed, een deken, een laken, een handdoek en eetgerei. Met de ontvangen spulletjes en het weinige dat ze als bagage bij zich hadden, voelden zij zich rijk én veilig. Er werden ook voedselpakketten uitgedeeld met o.m. blikken met haring in tomatensaus en cornedbeef. Het huis werd schoongemaakt door een Chinese amah.
Maar de meeste vrouwen dachten met smart aan hun mannen in de diverse gevangenissen in Soerabaja. En dat deed heel veel pijn!

Diamanten in Zuid-Borneo

Diamantzoekers in Cempaka.

Ten zuidoosten van Banjermasin in Borneo ligt het stadje Cempaka. Hier zoekt sinds lange tijden de bevolking naar diamant. De bovengrondse diamantmijn bestaat uit een enorme zandgroeve waar in de aangeslibde grond sporen van diamant worden aangetroffen.
Op verschillende manieren wordt naar de diamant-steentjes gezocht.

Een afgebakend stukje grond wordt een meter uitgegraven en met watergevuld. Een tiental mannen staan tot aan het middel in het water en zeven in een platte rotanmand de moddersediment van de bodem.

Er wordt een smalle, diepe schacht gegraven. Afhankelijk van de structuur van de aarde wordt de schacht tegen instortingsgevaar gestut met een houten constructie. Op de bodem van de schacht wordt de modder verzameld in rotan manden en naar boven getakeld door vrouwen. De modder wordt vervolgens gewassen in houten pannen en eventueel blijven diamantsteentjes, brokjes goud, amethist, saffier of granaat op de bodem liggen.

Om een langwerpige waterbak groeperen zich een 5-tal mensen. Kluiten van het harde, grove zand worden in de waterbak gelegd en vervolgens wordt met snelle been-bewegingen het water onstuimig in beweging gezet. De zandkluiten lossen op en de modder wordt in manden gezeefd door snel heen en weer bewegen. De steentjes die blijven liggen worden met argusogen bekeken.

De genodigden op 17 augustus


Op 17 augustus 1959 zaten de genodigden op de tribune. Onder het fluwelen baldakijn was het heet. De dames in hun batikrokken waaierden zich koelte toe met het programmaboekje. De heren in wandelkostuum en uniform voerden een trage conversatie.

Men wachtte op Soekarno, de genodigden. Het nieuwe systeem was hun al bijgebracht. Er waren een heleboel nieuwe functies te vergeven. De gesprekken werden op zachte toon gevoerd.

‘Je moet je firma aan een staatsbedrijf koppelen, zei de man van de handelsbank tegen zijn oom, ik zal de afdeling licenties overnemen. Ik regel dat wel’.
‘Die parlementsklucht in Bandoeng is tenminste voorbij, zei een generaal tegen zijn collega van de luchtmacht, wij hebben alles al te lang laten verwaaien. Nu moeten wij als één man die rebellen in Oost Sumatra en Noord Sulawesi hard aanpakken’.
‘Zeg, die kolonel Kawilarang, die aanvoerder van de rebellen, was toch jouw oude baas, zei de man van de luchtmacht, wat gaat het leger doen nu alle partijen aan de kant zijn gezet?’
‘Mee regeren. Duidelijke verhoudingen scheppen. De veiligheid herstellen en daarna opbouw en orde. Slechts één beveelt, de anderen gehoorzamen’.
‘Dat riekt naar dictatuur. Maar inderdaad U weet wel, het land kan niet zonder hem’.
‘Ach, Karno, dacht de socialistenleider, het paleis heeft jouw oordeel vertroebeld. Je had altijd al een zwak voor mensen die je naar de mond praten. Ze zijn ijdel, hebzuchtig en al omgekocht voordat ze minister werden. Arm Indonesië. Maar misschien heb jij gelijk. Wij deugen niet voor het regeren. Kijk maar hoe jij het alleen doet’.

Karbouwengat en Kota Gadang

“The Grand Canyon” van Indonesië “ wordt hij genoemd, voorheen het Karbouwengat. De kloof is ontstaan tijdens erupties van de nabij gelegen Sumatraanse Merapi.

Nabij Bukittingi (voorheen Fort de Kock) in de Padangse Bovenlanden van West Sumatra ligt Ngarai Sianok, een 100 meter diepe en 4 km lange kloof tussen steile bergwanden, beter bekend als het “Karbouwengat”.
Beneden in het diepe dal dat door de rivier de Ngarai Sianok is uitgeslepen, loopt een wandelpad.
Komend van Bukittingi eindigt het pad, via een zeer steile opgang aan de andere kant van de kloof in het zilverstadje Kota Gadang, dat bekend is door het sierlijke filigrane-werk in goud en zilver. Uit de eigen zilversmederij wordt zilverwerk vervaardigd bestaande uit 95% zilver en 5% koper. Verder is Kota Gadang bekend om de kostbare sarongs die er geweven worden en in vroegere jaren ook door de grote ontwikkeling van zijn bewoners in vergelijking met de rest der bevolking.
Toen de eerste Inlandse school te Fort de Kock geopend werd, waren het bijna uitsluitend jongelingen van Kota Gadang, die de school bezochten. Als gevolg daarvan trof men in de koloniale tijd onder de Kota Gadang-inwoners vele inheemse ambtenaren aan, zoals djaksa’s, koffiemantries en schoolmeesters, velen ook in dienst van de Nederlands-Indische regering en werkzaam in Fort de Kock. In de beginjaren van de Republik Indonesia speelden intellectuelen afkomstig uit Kota Gadang een grote rol in het Republikeinse Landsbestuur, te denken valt aan twee voormalige Indonesische premiers: Agus Salim en Mohammed Natsir.

“Mooi weertje, vandaag”

Repatrianten die voor het eerst “Mooi weertje vandaag” als begroetingsritueel kregen te horen, doken vanwege de schrale koude wind nog dieper in de kraag van hun jas en waren het absoluut niet eens met die opmerking.

Als je dat aarzelend beaamde, bedacht je dat op die dag inderdaad de zon flauw aan de matblauw getinte hemel stond. Tegelijk streelde de schrale ijskoude Noorden-wind langs je wangen. Nee, warm was het bepaald niet in Holland, maar. . . het regende die dag niet.
In Indië hoorde je “mooi weertje” nooit zeggen, het was altijd “mooi weertje” en tegen 12 uur in de middag zelfs verstikkend. Vooral als je woonde en werkte in de grote steden langs de kust. Omdat de hevige warmte verre van aangenaam was, negeerde men dat onderwerp.
In Holland hebben de mensen rode wangetjes en zien er frisser uit. Men slaapt onder een deken en dat is een sensatie. Geen enkele muskiet, dus er was ook geen klamboe nodig. Verse lucht kwam via een klapraampje boven de deur, een bovenlicht noemden ze dat.
Met het matte zonnetje aan de hemel ging men toch eerder bij de warme kachel vandaan. Men besloot niet alleen te wandelen maar tevens inkopen te doen. ‘Inkopingen’, zeggen Indische mensen. Ik heb er zelfs gekend die ‘inkopeningen’ zeiden. Hoe het ook zij, met mooi weer trok men naar de winkels in de stad.
Ajo, we gaan ‘stadten’?
De naoorlogse stad was bezig zich te moderniseren. Voor de eerste repatrianten was het zalig om in alle rust langs de winkels te slierten. Na lange, lange jaren ellende met Jappen en Pemoeda’s, bezetting en revolutie, kon men nu in volle vrijheid een saucijzenbroodje bij Rutek eten.

Dreigbrief aan Indo’s en Ambonezen

Aan het begin van de onlusten in Batavia eind 1945 en 1946 hadden Soekarno’s jeugdige volgelingen, Pemoeda’s, het vooral gemunt op de Indo-bevolking en Ambonezen. Hun trouw aan de Europese status werd hun fataal en zij moesten er voor boeten.

“. . . Indo’s, thans zegeviert gij. Gij vergeet zeker onze vergiftigde soempits ( vergiftigde pijltjes uit blaaspijp), onze vergiftigde golok’s en krissen? Als wij nu niets doen, dan is dat alleen maar omdat onze grote leider Boeng Karno vrede en orde commandeert.
Denk aan uw toekomst. Gij wilt hier leven, te midden van wakker wordende Indonesiërs! Nica, Van der Plas heeft Inlandse aanhangers, maar dat zegt niets, want die gekke Inlanders zijn reeds geschreven in onze zwarte lijsten en die vinden hun weg naar het hiernamaals.
Weet u, de Yaps trainden duizenden en nog eens duizenden Pemoeda’s. U denkt dat wij van de Yaps houden. Kita bikin abis dengan mereka (wij maken korte metten met hen). . . . . want wat jullie binnen 350 jaar deden, deden de Yaps dat in 3½ jaar, tot wij helemaal werden uitgehongerd en uitgenaakt.
. . . .en nu willen jullie Indo’s, Ambonezen de Djapanners (Japanners) in wreedheid nadoen, in plaats van vrede te zaaien. Door dat moordpolitiek graven jullie je eigen graf! We bedoelen hiermee alle Indo’s en Ambonezen!” Tot zover het pamflet.
De sterk ingekorte brief vervolgde met dreigende kreten als gifslangen in badkamers, kidnappen van kinderen, Goena-Goena, verminkte levende halfdoden, vergif in waterleidingen, en nog veel meer onheil.
De brief werd door Batavia verspreid en zaaide angst onder de bewoners van de buitenwijken. Hij was onder-tekend door “Kromo de Wreker”.

‘Staatsblad-Europeanen’

Wim Walraven was naar eigen zeggen “geketend aan Indië, geketend aan zijn Soendanese vrouw Itih, geketend aan zijn 8 Indische kinderen”. Maar ook in Holland had hij niets meer te zoeken. Hij hekelde de toestanden in Dirksland, zijn geboortedorp, dat hij ontvluchte voor Indië.

In zijn brieven aan familieleden in Holland beschreef de auteur W. Walraven hoe hij zich ergerde aan de in zijn ogen verwaande opvattingen van de Indo-Europeanen. “Deze gedroegen zich plus royaliste que le roi, meer Europeaan dan de Europeanen zelf. Zij vormen een zelfbewuste klasse, die ter onderstreping van dit pseudo- Europeaanschap een hooghartige houding tegen de inheemse bevolking aannemen. Deze staatsblad-Europeanen hebben veelal een minderwaardigheids-complex, dat zich soms kan uiten in overdreven brutaliteit, soms ook in overdreven bescheidenheid en schuwheid. Ze zijn karig met woorden, althans als er een blanda aanwezig is. Indo-Europese vaders zijn zelf hun leven lang ondergeschikte geweest, hetgeen geen waarborg gaf voor een goede behandeling van hun (inheemse) ondergeschikten, want slaven zijn dikwijls op hun beurt de grootste tirannen als ze de kans krijgen.
Indo-Europeanen drijven bovenop de inheemse samenleving als een vlies op de melk.
Er is oppervlakkig contact met de inheemse bevolking waarin zijzelf hun oorsprong hebben, merendeels was er zelfs geen contact met de eigen inheemse familieleden”.

Walraven is hier geciteerd om aan te geven dat de Indo’s zich als afzonderlijke bevolkingsgroep manifesteerden. Elke poging om een versmelting met de Indonesische samenleving te bewerkstelligen is te allen tijde mislukt.

Waar zij over spraken op 17 augustus

Het grote Vrijheidsplein in Jakarta was op 17 augustus 1959 volgestroomd met duizenden mensen. Soekarno zou een redevoering houden. Onder de wachtenden bevonden zich vele jongeren. Zij hadden de revolutie en de strijd niet echt bewust meegemaakt.

Tegen het gietijzeren hek voor het witte paleis zat een groepje jongelui te wachten op wat Soekarno te zeggen had. De kranten hadden reeds melding gemaakt van het nieuwe systeem, maar ze hadden geen idee wat er veranderen moest en zou.
Tien jaren waren er verstreken sinds 1949. Het was niet naar wens gegaan. Plechtig was in 1945 verklaard dat er een rechtvaardige en welvarende gemeenschap zou ontstaan. Daar hadden hun ouders en broers voor gestreden, schouder aan schouder. En daarna begon het kibbelen en redetwisten, het gekrakeel van partijen, hebzucht en het telkens beter weten.
De rijken werden rijker en de armen steeds armer. Laatst nog zei iemand dat het vroeger beter was. Zijn vader diende bij een Hollander en van zijn spaargeld kon hij een nieuwe fiets kopen en kleren voor zijn kinderen. Vorig jaar 17 augustus kostte een liter rijst 4 roepiah, nu 20. Vanmorgen bij het ontbijt was er weinig rijst. En hun hemd was op deze feestdag al erg oud. Sarongs en batik zijn niet te betalen. 12 roepiah per dag verdiende je. Dat is anders bij die hoge pieten, die verdienden 4000 roepiah per maand. Geloof jij dat? Alleen de batik van mevrouw is al zoveel waard. Hij rijdt in een dure auto, hoe betaalt hij dat? Boven onze straat hangt zo’n spandoek met ‘Weg met Corruptie’. Laat mij niet lachen, tegenwoordig is iedereen corrupt.
Zou ‘onze’ Karno hier in het paleis het weten? Natuurlijk weet hij dat. Maar wat voor een systeem heeft hij nu.

Theo Meier

Geboren in 1908 in Bazel, Zwitserland, werd de schilder Meier getroffen door de primitieve kunst van Gaugin. Hij reisde in 1936 naar Tahiti en trof naar zijn zeggen de door Gauguin vertolkte schoonheid aan zowel in de kleurenpracht als in de lokale vrouwen.

Maar datgene wat Gaugin zo karakteriseert in zijn schilderijen, primitieve eenvoud, miste hij ten volle. Hij concludeerde dat Gaugin meer volgens zijn eigen artistieke fantasie schilderde dan de werkelijk aangaf.
Maar de componenten van de tropische natuur die Gaugin verweefde in zijn schilderijen trof hij later in Bali aan. In die tijd was Bali nog erg traditioneel ingesteld. Hier vond Meier wat hij miste in Tahiti, naast de uitbundige tropische natuur, een volk dat nog leefde volgens de oude tradities.
Hij vestigde zich in Sanur, een omgeving die hem inspireerde. Zijn objecten lagen direct voor de hand, de tempels en het dagelijks leven op Bali.
Hij sloot vriendschappen met de vele buitenlandse kunstenaars op het eiland. Onder hen de Duitser Walter Spiess, wiens bamboe woning in Iseh hij later overnam.
Hij trouwde twee keer met een Balinese vrouw. Beiden stonden model in zijn schilderijen.
De Japanse bezetting en de daarop volgende onafhan-kelijksstrijd van het Indonesische volk brachten Bali niet meer terug in zijn vooroorlogse staat. Maar Meier bleef zijn geliefde eiland schilderen.
Meier prijsde zich gelukkig dat President Soekarno een kunstliefhebber was. Deze kocht Meiers schilderijen en bracht o.a. Nasser en Nehru als kopers aan. Nehru was het die poëtisch Bali noemde “The morning of the world”.
Meier vertrok in 1957 met alle buitenlanders uit Indo-nesië en ging naar Thailand. Hij overleed daar in 1982.

Feest op zijn Indisch

Een Indisch feestje betekende in vele gevallen een propvolle bak. Van heinde en verre kwamen vrienden en bekenden opdraven.

In de deftige wijk waar wij woonden werd de straat vaak opgeschrikt door hoorbare feestgeluiden. Tot ontsteltenis van de buren vierde een van de Indische familie een feest ter ere van de nieuwe woning of een verjaardag of uit een spontane opwelling. Men had de buren wel ingelicht, zelfs uitgenodigd, maar die keken met verbaasde blikken naar de tientallen gasten die langs het tuinpad naar de voordeur liepen.
Door nieuwsgierig zich aan te sluiten in de rij bezoekers ontwaarden zij dat er geen doorkomen aan was. In de gang tot aan de keuken stond het vol mensen. In de woonkamer zat, stond of hurkte men bij elkaar. De tuin was ook al vol gasten. Het geroezemoes had een hoog decibel gehalte en dan klonk de muziek daar weer boven uit. Het scheen de Indische mensen niet te deren.
De buren werden vriendelijk opgenomen in de menigte.
En dan kwam er beweging in de meute, het eten was klaar. Een voor een wrong men zich een weg naar de keuken. Op het aanrecht, op bijzettafels en losse stoelen stonden de rijsttafelgerechten als een gekleurd palet te pronken. De borden werden opgeschept en toen begon het gevecht weer om ergens een plaatsje te bemachtigen. Met het bord op schoot werd gegeten. De gerechten bleven staan tot iedereen voldaan was.
De vrolijkheid duurde tot ver na middernacht. De buren lagen al in bed, volkomen overdonderd en afgemat.
De vertrekkenden werden gemaand buiten stil te wezen.

Bersiap in Batavia

Al snel werd Batavia het strijdtoneel voor de eerste confrontaties tussen het oude Nederlands-Indië en de nieuwe Republiek.
Het vrijheidsgevoel onder de jonge Indonesiërs sloeg over in een verblindende haat tegen alles wat Nederlands was.

De uit ex-krijgsgevangenen gevormde KNIL-eenheden trachten zoveel mogelijk op te treden tegen het nu ontstane geweld van de Pemoeda’s en groepen rovende benden uit de kampongs. Op klaarlichte dag vonden slachtingen, verkrachtingen en ontvoeringen plaats onder Nederlanders, Indo-Europeanen en Indonesiërs die verdacht werden van sympathie voor de Nederlanders.
In Batavia verkeerde de chaos!
Het waren vooral de Ambonese KNIL-ers die de strijd aangingen met het gepeupel onder de Pemoeda’s. Door hun fanatieke loyaliteit aan de Nederlandse vlag werden zij het mikpunt van haat. Hun vrouwen werden al te vaak mishandeld en vermoord.
De Ambonezen, zelf Aziaten, wisten dat terreur in Azië met terreur moest worden beantwoord. Het was hard tegen hard. Zij overvielen het Indonesische politiebureau en namen de politiebezetting gevangen. Een andere keer brandden zij een hele kampong af, waarop de hemel ten oosten van het Koningsplein zwart kleurde.
De Ambonese KNIL-peletons waren gelegerd in het 10de Bataljon aan het Waterlooplein, midden in het chaotische en onveilige centrum van Batavia. De gebouwen van dit kamp stonden gegroepeerd om een binnenterrein. Vanuit de klapperbomen buiten het kamp werd gericht geschoten op een ieder die zich op het binnenterrein bevond. Door het korte bladerdak waren de snipers te zien en werden dan ook prompt uit de boom geschoten.

De kruidnagelsigaret of “Kretek”

Het plaatsje Kudus in Midden-Java is het centrum van de kreteksigarettenindustrie in Indonesië.
Daar staan de fabrieken van de drie meest populaire merken, Djarum, Gudang Garam en Bentoel. De eigenaren zijn Chinezen.

De Chinese eigenaren van de kretek-fabrieken in Kudus willen de productie graag mechaniseren. Maar dat zou tot een verlies van tienduizenden arbeidsplaatsen leiden, aldus de Indonesische regering. De meeste sigaretten worden namelijk met de hand gerold door ± 200.000 vrouwelijke werknemers. Er worden jaarlijks 200 miljard kretek-sigaretten gerookt.

“Wat, mag ik U vragen, rookt U?”, vroeg zo’n 60 jaar geleden een Engels diplomaat aan Agus Salim, de eerste Indonesische ambassadeur in Engeland.
“Dat, uwe excellentie, is de reden waarvoor het Westen de wereld veroverde”, antwoordde Agus Salem en hij refereerde aan de kruidnagel uit de Molukken en de nootmuskaat uit Banda, waarvoor in de 15de en 16de eeuw de Europese ontdekkingsreizigers en in hun kielzog de kolonisten naar de zuidelijke zeeën trokken.

Ananta Pramoedya Tour schreef: “Je kunt een kretekroker altijd herkennen aan de gaten in zijn overhemd” en “toen ik naar Soerabaja verhuisde nam ik twee nieuwe gewoonten aan, kretek roken en schoenen dragen”.

“Zo maar 2/3 tabak en 1/3 kruidnagel bij elkaar doen smaakt naar niets. Het is die typische saus die het ‘m doet. De goddelijke vermenging van kaneel, ananas, kaas, chocola en suikerwater geeft het aroma aan de sigaret”, zegt Djoko Herrianto, de chemist die geur en smaak van de kretek moet zien te verbeteren.

Politiek Manifest

Op 5 juli 1959 zond Soekarno de Wetgevende Assemblee in Bandoeng het besluit waarbij zijwerd ontbonden. Het argument luidde dat de liberale democratie niet past bij het Indonesische volk en haar levensfilosofie. Er was een democratie met leiding en discipline nodig.

Op 17 augustus 1959 hield Soekarno op het Vrijheids-plein in Jakarta een 2 uur durende redevoering. Enkele fragmenten daaruit:
“Van 1945 tot 1950 hadden we een fysieke revolutie. We namen de imperialisten de macht en de heerschappij uit handen en . . . .onze bodem was een vlammenzee . .
Van 1950 tot 1955 was het de periode van het overleefd hebben. Ons lichaam was met wonden bedekt . . en wij ruimden de ruines op . . .
In 1956 wilden we een nieuwe periode inluiden . .schuld aan alle gebreken en moeilijkheden was niet omdat wij een volk zijn dat niet in staat is te presteren . .nee, de compromissen hebben onze geest aangetast . . . . het trachten naar verzoening en samenwerking met de oude koloniale macht . . trouw aan de letter van de Haagse overeenkomst van 1949 . . trouw aan het verdrag blijven! (verachtelijk uitgesproken).
Tien jaren zijn verknoeid. Broeders en zusters . . trekt alle liberalisme van U af . . gebruik de constitutie van 1945 als wapen. Hijst de vlag van de geleide democratie!
1959 is het jaar van de herontdekking van onze revolutie!” (Dit werd later de officiële titel van de redevoering, die de kern van het ‘Manifest Politik’ vormt)

De drie punten uit zijn regeringsprogramma waren:
Herstel van veiligheid (onderdrukking van de rebellie), voortzetting van de strijd om Nieuw-Guinea en bevrediging van de behoefte aan voedsel en kleding.

Le Mayeur de Merpres

Adrien-Jean Le Mayeur de Merpres werd op 9 februari 1880 in Brussel geboren. Zijn familie was geparenteerd aan de Belgische Koninklijke familie. Pas na afronding van zijn studie als architect kon hij zich toeleggen op zijn passie voor schilderen.

En schilderen deed Le Mayeur, daarvoor reisde hij de hele wereld af op zoek naar het beste licht voor zijn werkstukken. Hij volgde zelfs het spoor van Gauguin naar Tahiti. Die plaats werd een teleurstelling voor hem.
In 1932 werd hij aangetrokken door een reclameleus van de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij (KPM) die het eiland Bali aanprees als plaats van uitzonderlijke schoonheid en charme. Nog in datzelfde jaar arriveerde Le Mayeur in Singaradja Noord-Bali. Zijn bestemming vond hij bij Sanur beach in Zuid-Bali. Hij was diep onder de indruk geraakt van de tempelrituelen en dansen en niet in de laatste plaats van Ni Pollok, de prachtig gevormde legong danseres. Hij kocht een stuk land en bouwde er zijn villa. Ni Pollok werd eerst zijn schilders-model en later zijn vrouw.
Zijn impressionistische schilderijen deden het goed op tentoonstellingen in Singapore. Schilderijen verkocht hij ook thuis aan toeristen van de wekelijkse cruisse-schepen. De klanten werden gracieus bediend door zijn mooie Ni Polok en dienstmeisjes, allen topless!
De Nederlandse gouverneur van Bali verbood dit in zijn ogen onzedelijk gedrag. Le Mayeur schreef naar zijn neef de Koning van België, die schreef aan Koningin Wilhelmina, die schreef aan de GG van Nederlands-Indië en die schreef aan de puriteinse gouverneur van Bali “to shut up”, Le Mayeur niet te hinderen.
Begin 1958 vertrok Le Mayeur met een kankergezwel naar Brussel. Hij overleed op 31 mei 1958 in Brussel.

De blik op de auto gericht

Begin 60-tiger jaren rommelde het nog stevig in Indonesië. Het nieuws was verontrustend. De eerste groepen repatrianten waren allengs vertrouwd geraakt met het Hollandse leven. Zij kregen belangstelling voor andere zaken.

Er werd toch al van je verwacht dat je de bromfiets inruilde voor een tweedehands Kevertje, een Morris, een Opel, een NSU, een Fiat en ga zo maar door.
Rijles kreeg je van een vriendje met een auto. Daarna voor het echte werk 5 of 6 lessen bij een autorijschool. Op de zaterdagavondfeesten werd gesnoefd over de motorinhoud, 750 cc was niets, 1000 cc ging wel, 1200 of 1300 cc scoorde het best.
Flaneren op de boulevard in Scheveningen was in. De kleurcombinatie van een witte cabriolet, rode bekleding, zwarte kop met gele tanden, trok genoeg belangstelling.
De RAI in Amsterdam was een must. Achter het lint stonden de peperdure auto’s, voor het lint de dromende toeschouwers. Op een heuveltje stond een opengewerkte Thunderbirth Camaro. Oorstrelende Hawaiian muziek vulde de lucht. Een Indische man in het wit gekleed stapte over het lint, de autoverkoper schoot hoopvol toe. “Hoeveel kost die radio”, vroeg de man in het wit.
Grote hilariteit.
In hun keurig en liefdevol opgepoetste auto’s reden de Indo’s naar familie en vrienden die tot in de kleinste gehuchten over Nederland waren verspreid. En natuurlijk brachten ze in allerlei pannetjes zelf gekookte Indische lekkernijen of heerlijke Indische koekjes mee.
Veelvuldig op bezoek gaan of bezoek ontvangen was een typisch Indische gewoonte uit de vroegere samenleving. En de mannen spraken met diep respect over hun auto’s of stonden urenlang elkaars auto’s te bewonderen.

Nakhon Pathom

Na de Japanse capitulatie kregen krijgsgevangenen uit de kampen langs de Birmaspoorlijn hun vrijheid terug. Van hen werd een groot deel getransporteerd naar Nakhon Pathom. Het stadje ligt op 40 km van Bangkok vandaan aan de Birmaspoorlijn. Hier was in 1944 een groot Japans hospitaalkamp gebouwd.

Het Japanse hospitaalkamp in Nakhon Pathom werd na de capitulatie geheel ingericht voor de opvang van de uitgemergelde krijgsgevangenen. De 50 barakken, geheel uit planken gebouwd, boden plaats voor elk 200 man. Hier kregen de mensen medisch onderzoek en verpleging. Engelsen, Amerikanen, Australiërs werden al snel naar hun landen teruggevlogen. 5.000 Nederlanders moesten blijven, zij konden niet naar hun ‘hometowns’ in Indië, vanwege het nieuwe bewind van Soekarno.
Het was in dit kamp dat een apart ingericht Bureau Burger-Geëvacueerden (BBG) van de Militaire Missie in Bangkok ervoor zorgde dat vrouwen en kinderen van deze ex-gevangenen uit het gevaarlijke Java werden geëvacueerd om hier te herenigen met hun mannen en vaders. Opvang en huisvesting gebeurden in 4 kampen, tw. Wilhelminadorp, Emmadorp, Julianadorp en Beatrix-dorp.
Op 12 december 1945 opgericht herbergden de dorpen in totaal 4.640 vluchtelingen, waarvan 2.100 vrouwen, 1.955 kinderen tot 12 jaar, 585 jongeren en mannen. Op 11 september 1946 sloot het kantoor van BBG.
Vanuit de Republikeinse kampen bevrijd en overgebracht naar verzamelpunten op Java, werden de vrouwen en kinderen geselecteerd voor hereniging met hun mannen en vaders in Thailand.
Met Engelse en Amerikaanse troepentransportschepen werden zij vervoerd naar Bangkok.

Zilverbewerking

Kota Gede is een district in de stad Yogyakarta in Midden-Java, dat meer bekend is geworden als “De zilverstad”, het Javaanse centrum voor zilverbewerking. Het productieproces geschiedt nog steeds handmatig.

De zilverbewerking in Kota Gede heeft een diepgewortelde traditie die door de eeuwen heen zijn eigen ongeschreven wetten heeft bepaald.
Alle ontwerpen zijn geënt op zuiver traditionele vormen, dus niemand is exclusief eigenaar van een bepaald model of vorm.
Het enige onderscheid tussen de ateliers was hun specialiteit in specifieke zilveren gebruiksgoederen, dus men verkocht of schalen of bestek of juwelen.
In Indonesië verandert er op dit punt, vanwege de traditionele opvattingen, heel weinig.

Maar exportmogelijkheden hebben daar verandering in gebracht, zodat men nu, vanwege de grote bedragen, rekening moet houden met de vraag van overzeese klanten, die nieuwe ontwerpen wel belangrijk vinden.
Die noodzaak zou ertoe moeten leiden dat ateliers zullen moeten streven naar een betere kwaliteit én originaliteit van hun verkoopproducten. Dit ter wille van een betere concurrentiepositie.
De handenarbeid kent natuurlijk ook zijn beperkingen, maar heeft t.o.v. de machinale productie het voordeel van de lage loonkosten. Een ander voordeel is de eigen identiteit van het geleverde product.
Kota Gede zal langzaam met de tijd meegaan. Nu worden er op etnische gronden producten gemaakt met die typisch Indonesische ‘touch’, die door een groot publiek nog steeds aantrekkelijk gevonden wordt.

Na de verkiezingen van 1955

Voor Soekarno waren de besluiteloze, verdeelde en weinig tot leiden bekwame partij-politici een doorn in het oog. Hij wachtte op een goed moment om de geleide democratie, zoals die tot uitdrukking werd gebracht in de grondwet van 1945, weer te laten gelden.

De verkiezing van september 1955 had wel een nauwkeurige verdeling van partijen opgeleverd, maar de kennelijk onoverbrugbare standpunten tussen de partijen leidde niet tot adequate besluitvorming binnen het parlement. Er openbaarde zich ook geen groep die sterk genoeg was om te voorzien in een nationaal leiderschap. De chronische instabiliteit reflecteerde zich in de 6 kabinetten tussen 1950 -1957.
Eind 1956 trok vice-president dr. Mohammed Hatta zich terug uit de leiding van de staat en uit de politiek.
In Bandoeng boekte de Wetgevende Assemblee, die de grondwet moest voorbereiden over de stellingen in de Pantja Silla als staatsideologie, geen vooruitgang.
In het oosten van de archipel en in Sumatra namen legerofficieren het bewind in handen. Als krijgsheren verdienden zij grote winsten uit de welig tierende smokkel in allerlei goederen. Zij kwamen zelfs in opstand tegen het bevoegd gezag.
Ook de fanatieke moslim organisatie Darul Islam uit West Java had zich verspreid in Atjeh en Zuid Celebes.
De chaos stond voor de deur!

Soekarno greep in. Halverwege 1957 kondigde hij de noodtoestand af en vormde een niet aan partijen gebonden ‘zakenkabinet’. Met het leger onder bevel van generaal Nasoetion naast zich, verkondigde Soekarno dat het tijdvak van de liberale democratie ten einde was en dat nu de geleide democratie zou worden ingevoerd.

Rudolf Bonnet

Johan Rudolf Bonnet, geboren op 30 maart 1895, studeerde aan de Rijksacademie van Beeldende Kunst in Amsterdam. Hij specialiseerde zich in tekenen en schilderen in de beste traditie van de vroeg 20ste eeuw.

In 1920 vertrok Bonnet naar Italië, waar hij 8 jaar zou verblijven. Tijdens dit verblijf ontmoette hij de grafisch artist W.O.J. Nieuwenkamp, een groot kenner van Bali. Sinds 1904, zijn eerste bezoek aan Bali, maakte Nieuwenkamp inkttekeningen van landschappen, kunst-voorwerpen, mensen, tempels en ceremonies.
Met de verhalen en foto’s van Nieuwenkamp in het hoofd reisde Bonnet in januari 1929 via Java naar Bali. Hij werd gefascineerd door het schouwspel van de Balinese dansen en besloot op het eiland te blijven. Hij huurde het paviljoen van de kratonfunctionaris van Peliatan, die hem introduceerde bij de prinsen van het Huis van Ubud, Tjokorda Gede Agung Sukawati en Tjokorda Raka Sukawati. Met de schilder Walter Spies, die 2 jaar eerder in Bali kwam wonen, ontstond een vriendschap-pelijk band. Bonnet zette een studio op in Ubud.
Rudolf Bonnet ontpopte zich in de loop der jaren als de stuwende kracht achter het Balinees Modernisme. Dit vond zijn weerslag in de oprichting van de Pita Maha Kunst Beweging. Een beweging die in de eerste plaats de zelfexpressie van de artiest wil bevorderen om in samenhang hiermee ook het leven van alle dag in beschouwing te nemen, liever dan het telkens herhalen van mythische thema’s.
In de naoorlogse jaren bleef Bonnet invloed uitoefenen op de Balinese schilderkunst. In latere jaren verbleef hij in Holland, maar keerde om de twee jaar voor korte tijd terug naar Bali. In 1978 overleed Bonnet in Laren.

Op vakantie

Begin 1960 gingen de Indo’s met hun autootje op vakantie naar het zonnige Zuiden. Zij volgden de algemene trend. Da’s logisch. Maar het was beslist niet zo dat ze met een klein koffertje in de achterbak op reis gingen.

En dan had je een tweedehandse, 750 cc, luchtgekoelde VW Kever en dan wilde je daarmee op vakantie naar Duitsland, Frankrijk of Italië. Vooral de stranden in Italië spraken tot de verbeelding, de Rivièra del Fiori.
Je sprak met een bevriend koppel af om samen te gaan. Goedkoper en gezelliger met zijn vieren, toch?
Weken van te voren werd beraadslaagd over de inkopen voor zo’n grote reis. De Indo-eetcultuur vereiste dat rijst de bron van alle bestaan bleef. En dan met wat? Ingekocht werden Indische kruiden, sambal, slaolie, sambal-gorengans, keringans als abon en seroendeng, pindakaas voor satésaus, knoflook, ketjap, koffie voor toebroek, om maar wat te noemen. Potten, pannen, gasstelletje met camping gaz, servies, bestek, maar ook lempers, loempia’s, pasteitjes voor onderweg in de auto.
Wat was er lekkerder dan te rusten met je rug tegen een boom, uitkijkend over een groene vallei, met een Frans stokbrood gevuld met sambal-goreng-kentang pedis.
Maar eerst moest alles in de auto. En dat vereiste grote intelligentie. Elke ruimte werd benut. Passen en meten, herpakken of liever maar los, proppen, duwen, stapelen. Ajo, eerst koffie maar. Dan weer zwoegen en zweten.
Als alles in de auto getoverd was, bleek de bestuurder een koffer tussen zijn benen te hebben, de bijzit met zijn voeten in het handschoenenkastje zat en de passagiers op de achterbank met hoog opgetrokken knieën, volledig ingeklemd, ternauwernood naar buiten konden kijken.
Giechelend en vol goede moed begon het avontuur.

Gijzeling of eigen veiligheid

Voor zover er nog twijfel is onder de 46.000 Nederlanders en Indo-Europeanen die door Indonesiërs in de Bersiaptijd in 400 kampen werden gestopt, over de vraag of ze voor hun eigen veiligheid werden opgepakt of als gijzelaars dienden, gaf Mary van Delden in haar boek ‘De Republikeinse kampen in Nederlands-Indië’, een uitsluitend antwoord.

De beoordeling van deze prangende kwestie werd getoetst aan de hand van 4 momenten waarop de Indonesische autoriteiten daadwerkelijk gebruik hadden kunnen maken van gijzeling als wapen, namelijk
-het moment van internering
-bij de Brits-Indonesische onderhandelingen over de evacuatie van de kampen
-bij de uitvoering van de evacuatie
-bij de onderhandelingen over een zelfstandig Indonesië.
Op geen van deze momenten hebben de Indonesische autoriteiten gebruik gemaakt om iets voor elkaar te krijgen. Er is dan ook geen sprake van gijzeling.
Waarom wordt dan tot op heden hardnekkig over gijzeling gesproken?
Wel, dat is te wijten aan de Nederlandse regering die wel degelijk misbruik heeft gemaakt van de situatie. Zij hadden er baat bij dat de indruk bleef bestaan dat de geïnterneerden gegijzeld werden. De Nederlandse regering wilde immers dat de Britse troepen die verantwoordelijk waren voor de afwikkeling van de gevolgen van de oorlog, zolang mogelijk op Java bleven. Bovendien wilden de politici de Nederlandse publieke opinie beïnvloeden ten gunste van uitzending van militairen naar Nederlands-Indië.
Wat geheel overeind blijft zijn de gevoelens van de geïnterneerden die op bruuske wijze in de kampen werden opgesloten met te weinig eten en drinken. Zij hebben dat ervaren als verlenging van de oorlog.

Asal Oesoel en Pendaftera

Twee stukken die voornamelijk elke Indisch man of –vrouw in bezit moest hebben tijdens de Japanse bezetting. Beide documenten gaven de bezitter een vrijgeleide om buiten de Japanse interneringskampen te blijven.

Van deze twee documenten was het bezit van de Pendafteran (persoonsbewijs) verplicht gesteld. Die moest worden gekocht. Prijs: f 80,– voor vrouwen en
f 150,- voor mannen.
Geregistreerd werden de volgende gegevens: nummer pendaftaran, naam, leeftijd, huidig adres, nationaliteit, geboorteplaats, bedrijf waar werkzaam, hoeveel tijd woonachtig in Indië, getrouwd of niet. Een pasfoto was verplicht evenals de duimafdruk van de houd(st)er.
Dit stuk heeft zijn diensten ook bewezen toen na de Japanse capitulatie, als men alle andere identiteitspapieren was kwijt geraakt, hiermee bij de Nederlandse autoriteiten officieel kon aantonen wie men was.
Een Asal Oesoel was nuttig om aan te tonen hoeveel Indonesisch bloed men ‘in de aderen’ had, via een Indonesische moeder of grootmoeder.
Omdat de Japanners hadden aangekondigd dat de kinderen van het land niet zouden worden geïnterneerd was het kennelijk nuttig om via het Landsarchief in Batavia een bewijs te krijgen dat hij of zij van Indonesische afkomst was. De gegevens van een kort eenvoudig stamboomoverzicht dat van de aanvrager naar ouders en grootouders leidde, werden op een bepaald formulier getypt. Het formulier werd van een officieel stempel voorzien en meestal ook van een Japanse datum. Een datum dat 660 jaar verder ligt dan onze jaartelling, dus het jaar 2603 wil zeggen 1943.

Na 5 jaar de eerste verkiezingen in Indonesië


Voorafgaande aan de algemene verkiezingen in september 1955, hadden 17 coalitie- en crisis-kabinetten Indonesië geen goed gedaan.
Vanaf het veelbelovend begin in 1945 had door te weinig gemeenschapszin en vakkennis de liberale democratie geen kans gekregen.

De eerste algemene verkiezingen na de overdracht van soevereiniteit vonden plaats op 29 september 1955. Circa 38 miljoen stemgerechtigden brachten hun stem uit.
De PNI, Soekarno’s Nationale Partij, won met 22,3% van de stemmen en 57 zetels in het Huis van Afgevaardigden. De zeer democratische Masjoemi Partij kreeg met 20, 9 % van de stemmen ook 57 zetels.
De mohammedaans-conservatieve Nahdatoel Oelama die zich in 1952 van de Masjoemi Partij had afgesplitst, won 18,4 % en 45 zetels. De PKI, Communistische Partij, kreeg een verrassende 16,4 % en 39 zetels. De rest van de stemmen kwam toe aan talrijke spinterpartijen.
De Masjoemi Partij bracht op de kleinst mogelijke basis een kabinet samen o.l.v. premier Harahap.
Dit kabinet toonde toenadering tot Nederland en het Westen om de nog niet opgeloste Nieuw-Guinea kwestie op te lossen. Maar Nederland bleef onvermurwbaar en had Nieuw-Guinea in de “ijskast” gezet.
Eindelijk werd in december 1955 te Bandoeng de lang verwachte Wetgevende Assemblee ingesteld die de provisorische parlementaire constitutie van 1950 moest voltooien. Later zou blijken dat de vergaderingen geen verheffend schouwspel moeten zijn geweest. Men kwam over een enkel artikel in maanden niet tot overeenstemming. Ook hier kwam de parlementaire democratie door hardnekkige verdeeldheid (Islam of Pancasilla als leidinggevende filosofie) niet tot besluiten.

Basoeki Abdullah (1915-1993)

Op een vraag over de eeuwigheidswaarde van zijn werken antwoordde de schilder, dat hij daar niet op kon wachten en voortging met hard aanpakken en zo lang mogelijk in leven trachten te blijven, om mogelijk nog mee te maken dat zijn werk de waardering krijgt die het toekomt.

“Inspiratie is een mooi ding, maar kunst komt voornamelijk tot stand door discipline en hard werken”. Daarmee benadrukte de schilder Basoeki Abdullah zijn visie op zijn professie als kunstschilder.
Raden Basoeki Abdullah werd op 27 januari 1915 in Solo geboren. Op de Katholieke basisschool toonde hij al op jonge leeftijd zijn tekentalent. Voor een verdere ontplooiing van zijn capaciteiten bezocht hij de Koninklijke Academie voor beeldende kunsten in Den Haag. De romantiek van de oude meesters voerde hem naar Parijs en Rome, waar hij zich bekwaamde in de traditionele westerse technieken.
Zijn doorbraak kwam toen hij een Europese schilder-wedstrijd met zijn portret van de pas gekroonde Koningin Juliana. President Soekarno verzocht hem in 1949 zijn staatsportret te maken. Vele koningen en staatshoofden volgden.
Zijn kracht lag in het vastleggen van de karakteristieke eigenschappen van de geportretteerde personen met een finishing touch van realisme en romantische expressie.
Basoeki Abdullah exposeerde talloze malen zijn werken zowel binnen als buiten Indonesië. Zo werd hij bekend bij de massa. Hij hield ervan de natuurlijk schoonheid van het Indonesische landschap vast te leggen en mooie vrouwen of scènes uit legendes te schilderen.
Basoeki Abdullah werd in 1993 op 78-jarige leeftijd doodgeschoten tijdens een roofoverval in zijn huis in Jakarta.

Den Haag, de weduwe van Indië

REFREIN:
Ach kassian, het is voorbij. Kassian, het is voorbij.
Den Haag, Den Haag, de weduwe van Indië ben jij.
Ach kassian, het is voorbij. Kassian, het is voorbij.
Den Haag, Den Haag, de weduwe van Indië ben jij. Den Haag, de weduwe van Indië

Arm Den Haag, t’ is toch te erg, dat jij maar niet vergeten kan
de klank van krontjong en van gamelan.
In het Indisch restaurant gonst het gesprek van alle kant: tempoe doeloe, tempoe doeloe in dat verre, verre land.
Refrein
Gesproken tekst
Wij kunnen hier heus wel Indisch eten klaarmaken thuis
Sambal goreng telor, sajoer lodeh, tahoe petis
Alleen de buren hebben het niet zo graag

Wij kunnen hier ook heus wel tropische planten kopen
Zoals bij voorbeeld kembang spatoe. Dat noemen ze hier hibiscus
Hibiscus! En canna’s, gerbera’s, orchideeën, varens
Maar het staat hier in de huiskamer toch heel anders dan daar in de vrije natuur
Trouwens, ze gaan toch allemaal dood bij de kachel.
Refrein
En weet U, ik heb thuis zo’n groot schilderij hangen
Dat verbeeldt natuurlijk Indië, ja adoe, beeldig. Beeldig!
Mooie groene sawah’s. Klapperbomen. Een karbouw met zo’n kleine katjong op zijn rug, ja?
En rechts een pahman met zeven van die leuke kleine bebeks achter zich aan
Maar weet U, het schilderij krijgt hier geen licht genoeg.
Weet U wat nog meer? Meneer Le Clerque-Zubli,
hij komt ook nooit meer langs.
Refrein

De oorlog in Soerabaja (2)

In het volle Darmokamp hadden alle vrouwen en kinderen van Europese afkomst zich verzameld. Met tegenzin gaven de Indonesische autoriteiten toestemming om konvooien toe te staan van Darmo door de stad (Republikeins gebied) naar de haven Tandjoeng Perak te rijden. Van daar zouden schepen de evacués wegvoeren naar bestemmingen buiten Indonesië.

2 november 1945. Onder grote spanning vertrok het eerste konvooi met vrouwen en kinderen uit Darmo. Zonder incidenten bereikte dit konvooi Tandjung Perak.
3-5 nov. Met grote moed reden de chauffeurs de konvooien dag na dag door de zeer vijandige stad Soerabaja.
6 nov. Het laatste konvooi verliet het verzamelkamp Darmo in het zuiden van Soerabaja. Kort daarop trokken de Brits-Indische troepen uit Darmo zich terug op Tandjong Perak. De veiligheid van ruim 6.000 vrouwen en kinderen was verzekerd. De prijs daarvoor was dat 5.000 mannen achterbleven in gevangenissen en Republikeinse kampen.
Troepentransportschepen ontscheepten manschappen van de 5de Brits-Indische Divisie. Bevelhebber was generaal Mansergh, hij stond aan het hoofd van een divisie die zich nu op volle oorlogssterkte gereed maakte voor acties met infanterie, tanks, artillerie, luchtmacht.
8 nov. Mansergh betoogde dat niet was voldaan aan de eis van het Engelse opperbevel in Batavia om alle wapens in te leveren bij het Britse leger. Hij stelde een 24-uur limiet in.
9 nov. De tijdslimiet verstreek zonder dat aan de eis was voldaan. Radio Soerabaja eiste totaal nationaal verzet.
10 nov. De Britse opmars begon om 6.00 uur in de ochtend. De verbitterde strijd die volgde zou ruim 5 weken duren, voordat de Britten de hele stad in handen kregen.