Tjarda van Starkenborgh Stachouwer


Jhr. Alidius Warmoldus Lambertus Tjarda van
Starkenborgh Stachouwer, Gouverneur-Generaal
van Nederlands-Indië, koesterde tijdens zijn
bewind het toekomstbeeld van een multiraciale
samenleving in een zelfstandig Indonesië.

Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, (1988-1978)
Op 16 september 1936 aanvaardde Van Starkenborgh
Stachouwer het ambt van Gouverneur-gereraal van
Nederlands-Indië. Onder zijn bewind was ondermeer de
transmigratie van Javanen naar de buitengewesten flink
ter hand genomen en werden maatregelen getroffen ter
bevordering van de industrialisatie en van de
voedsellandbouw. Op het gebied van het onderwijs
kwam een grote uitbreiding van het volksonderwijs tot
stand, werd het hoger onderwijs in 1940 uitgebreid met
een faculteit der letteren en werd in 1938 een
bestuursacademie opgericht. De verstandhouding met
de Volksraad, die in de voorafgaande jaren door sterke
bezuiniging was verslechterd, werd onder zijn bewind
belangrijk verbeterd.
Van Starkenborgh besloot om vóór de overgave aan
Japan op 9 maart 1942 niet uit Nederlands-Indië te
vertrekken, maar met zijn gezin het lot van de Indische
gemeenschap te delen. Hij werd eerst op Formosa en
later in Mantsjoerije gevangen gezet.
Na de oorlog en terug in Nederland sprak hij zich uit
tégen het ondernemen van militaire acties tegen de
Republiek Indonesia.
Verder verwachtte hij weinig van een Nederlands-
Indonesische Unie en meende dat met de
soevereiniteitsoverdracht het nieuwe gezag in Indonesië
volledig en ‘zonder nevenoogmerken’ moest worden
aanvaard.

Kerstmis in Indië.


Kerstfeest in Indië werd niet alleen kerkelijk in
ere gehouden maar ook uitbundig thuis gevierd,
in kleine kring en in alle lagen van de
Nederlands-Indische samenleving. Zoals overal
werd daarbij traditioneel gegeten.


In de hoek van de woonkamer stond de Indische
kerstboom, een met kaarsen en kerstversiering
opgetuigde araucaria, een naaldboom uit het
hooggebergte van Java, met wijduitstaande kale takken.
En toch zongen wij als kinderen, met een hemelse blik
op de boom gericht, ‘Oh, Tannenbaum, oh Tannenbaum,
wat zijn je takken wonderschoon”. Andere devoot
gezongen Kerstliedjes volgden, soms door een van de
huisgenoten op de piano begeleid. De liedjes ijlden weg
in de zwoele tropennacht. De stemming zat erin. In
goede sfeer werden de vele cadeautjes één voor één
onder de boom weggehaald en door de ontvangers in
spanning uitgepakt.
Er werd cognac gedronken en vermouth (Noilly & Co) en
punch, volgens een voorvaderlijk recept, geen warme,
maar met een flinke brok ijs erin. Op schaaltjes lagen
nougatblokjes, borstplaat en spekkoek.
En dan ging men aan tafel waar, tussen alle feestelijke
gerechten, de traditionele Ajam Kodok stond te pronken,
de gevulde kip met een mengsel van varkensgehakt,
gemalen kippenvlees, leverpastei, gemalen kippenlevertjes,
champignons en augurken, hard gekookte
eieren en geurige kruiden.
En het Zwartzuur van bebek (eend), ook al een traditie
die gebakken eend, in een kruidenmengsel van uien,
kruidnagel, kaneel, geraspte nootmuskaat, wat azijn
erbij, het geheel gesmoord met wijn en later gegarneerd
met gestoofde perzik en ananas.

Onafhankelijkheid in Indonesië anno 1940


De Commissie Visman (1940), genoemd naar
haar voorzitter dr. F. H. Visman, bestond uit
3 Nederlanders, 3 Indonesiërs en 1 Chinees.
De opdracht luidde: onderzoek te verrichten naar
staatsrechterlijke hervormingen.

Hoe stond het toch met de staatkundige wensen,
stromingen en opvattingen van de Indonesische
bevolking van Nederlands-Indië?
Om deze vraag te beantwoorden werd in september
1940 door Gouverneur-Generaal Van Starkenborgh
Stachouwer de commissie Visman benoemd die hiernaar
een onderzoek moest instellen.
De opdracht luidde om staatkundige hervormingen te
bestuderen en niet het doen van voorstellen hiertoe. Het
onderzoek nam ruim 2 jaren in beslag.
Schriftelijk en mondeling werden representatieve
personen uit alle politieke groeperingen en partijen van
de Indonesische bevolking geraadpleegd, zoals
nationalisten (GAPI), Boedi Oetomo, moslimorganisaties,
arbeidersbewegingen en vele andere.
Het resultaat van het onderzoek luidde:
-uiteenlopende meningen t.a.v. zelfstandigheid,

-doch, geen enkele geïnterviewde zag om internationaalpolitieke
en economische redenen de totale onafhankelijkheid
als zinvol. Velen spraken zich uit voor een
Rijksraad, die boven de regeringen van Nederland en
Indonesië stond; sommigen streefden naar een
Statenbond met lossere banden.
De Nederlandse regering in Londen gebruikte dit
onderzoek als basis voor de planning van de status van
Nederlands-Indië ná de oorlog. Uitwerkingen van deze
plannen werden verwoord in de beroemde radiorede van
Koningin Wilhelmina op 7 dec. ’42.

De Indische Vrijmetselarij


De studie van Th. Stevens “Vrijmetselarij en
samenleving in Nederlands-Indië en Indonesië
1764-1962”, had tot doel de wisselwerking
tussen Vrijmetselarij en Indische samenleving
aan te tonen.


Met de stichting van de loges “La Fidèle Sincérité” en “La
Vertueuse” ( 1767-1769) in Batavia werd de grondslag
gelegd voor een periode van bijna twee eeuwen
Vrijmetselarij op het grondgebied van Nederlands-Indië
en Indonesië. Door daling van het ledental en ongelijke
financiële positie zijn beide loges in 1837 opgegaan in de
nieuwe loge “De Ster in het Oosten”.
De bloeiperiode van de Vrijmetselarij (1890-1930) viel
samen met de expansie van de koloniale staat. Als
gevolg van de territoriale uitbreiding van het grondgebied
rond 1900 verspreidde de sterk toegenomen
Nederlandse bevolking zich naar de buitengebieden.
Buiten de grote steden ontstonden in de kleinere
plaatsen kernen van maçonieke activiteit.
Op haar hoogtepunt telde “De Orde van Vrijmetselaren
onder het Grootoosten der Nederlanden” in Nederlands-
Indië 1500 leden, verdeeld over 25 loges.
Vanuit de gedachte dat de mens niet voor zichzelf alleen
leeft, maar dient bij te dragen aan het geluk van de
mensheid, richtte het maatschappelijk werk van de loges
zich vooral op de emancipatie van de Indo-Europese
bevolkingsgroep. Vanaf 1900 was de sociale positie van
de Indo’s uiterst kwetsbaar. Het welzijnswerk omvatte
de stichting van volksbibliotheken, weeshuizen, militaire
tehuizen, scholen, enz. Vooral op onderwijsgebied
toonden individuele leden en loges zich actief, o.m. door
het oprichten van Fröbelscholen, schoolkleding- en
schoolvoedingsfondsen voor onbemiddelde Indo’s.

Soekarno


Soekarno, geboren op 6 juni 1901 te Soerabaja
en gestorven op 21 juni 1970 te Jakarta,
studeerde bouwkunde aan de Technische
Hogeschool te Bandoeng. Vanaf 27 december
1949 was hij President van Indonesië, in 1966
nam generaal Soeharto zijn bevoegdheden over.

In 1928 stichtte hij de Partai Nasional Indonesia, die
volledige zelfstandigheid van Indonesië nastreefde en
het standpunt van de non-coöperatie t.o.v. Nederland
innam. Van 1930-1932 zat hij gevangen wegens
nationalistische activiteiten. Tijdens deze gevangenschap
ontwikkelde hij het ‘marhaenisme’, een politiek t.b.v. de
kleine luiden (arbeiders, boeren en kleine bedrijfjes).
Van 1933-42 bleef hij geïnterneerd resp. op Flores en
Bengkoelen.
Tijdens de 2de Wereldoorlog trachtte Soekarno door
samenwerking met de Japanse bezetters zijn nationalistisch
streven te verwezenlijken.
Na de Japanse capitulatie riep Soekarno met M. Hatta op
17-8-1945 de republiek Indonesië uit, waarvan hij
president werd (in 1963 voor het leven).
In 1950 proclameerde Soekarno de Unitaristische
Republiek Indonesia, die in de plaats kwam van de in
1949 gevormde federale staat.
In 1957 schakelde Soekarno het parlement uit en voerde
een z.g. geleide democratie in, waarbij de meeste
politieke partijen verboden werden.
Via zijn z.g. confrontatiepolitiek t.o.v. Nederland verwierf
hij in 1962 Nederlands-Nieuw-Guinea. Zijn politieke
oriëntatie richtte hij meer op de Volksrepubliek China.
Hij formuleerde de fundamenten van de Indonesische
staat op de z.g. ‘Pantja Sila’ (de 5 zuilen): geloof in God,
volkssoevereiniteit, nationalisme, sociale rechtvaardigheid
en gelijkheid van de mens.

Muiterij op de Zeven Provinciën


De ‘Zeven Provinciën’ werd als pantserschip van
de Koninklijke Marine gebouwd in 1909. Het
schip heeft gevaren tot 1936. Vervolgens diende
het als Opleidingsschip te Soerabaja en is daar
ter plaatse in 1942 tijdens een Japanse
luchtaanval tot zinken gebracht.

Op 4 februari 1933 brak muiterij uit op de ‘Zeven
Provinciën’, het pantserdekschip van de Koninklijke
Marine. Het Indonesische deel van de bemanning nam
bezit van het schip op de rede van de Sumatraanse
havenstad Olehleh tijdens een oefentocht door de
Indische wateren.
De muiterij ontstond als reactie op de salariskorting die
het marinepersoneel van de Nederlands Indische vloot
achtereenvolgens kreeg opgelegd, 5%, daarna 8% en
tenslotte 10%. De beurskrach van 1929 op Wallstreet
leidde een internationale wereldcrisis in en de koloniale
schatkist gaf in enkele jaren een gapend tekort te zien.
Er moest dus worden bezuinigd.
In Soerabaja werd een groot deel van het marinepersoneel
als gevolg van hun protest tegen de bezuiningsmaatregel
gevangen gezet.
Het gelukte de leiders van de muitende schepelingen de
Zeven Provinciën zonder de hulp van Europees
marinepersoneel op gang te krijgen. Men stoomde op
naar Soerabaja met het vaste voornemen om daar hun
kameraden te bevrijden.
Geen toegesneld oorlogsschip kon dat verhinderen.
Op de 5de dag na het vertrek uit Olehleh trof een bom uit
een overvliegend eskader Dornier-bommenwerpers de
Zeven Provinciën precies op de brug.
Aan de muiterij kwam een einde, een bloedig einde, 20
ernstig gewonden en 23 doden, onder hen alle leiders
van de muiters.

Malaria


Alphonso Lavaran, Frans militair arts, consta-
teerde in 1880 als eerste dat malaria werd
veroorzaakt door een parasiet.
In 1897 beschreef de Britse arts Ronald Ross de
levenscyclus van deze malariaparasiet in het
lichaam van de malariamug.

Een muggenbeet van de malariamug (Anopheles) kan
betekenen dat de onbesmette mens geïnjecteerd wordt
met de kiemen van de malariaparasiet. De mug moet
dan wel een vrouwtjesmug zijn die eerder het bloed van
een besmette mens moet hebben opgezogen.
Krijgt de mug de parasiet met het bloed van een
besmette mens binnen dan vermeerdert de
malariaparasiet zich in de mug zowel geslachtelijk als
ongeslachtelijk.
Uiteindelijk komen de parasieten ook terecht in de
speekselklieren van de mug.
Dan steekt de mug iemand die nog niet besmet is.
Bij het opzuigen van het bloed komen met het speeksel
de kiemen van de malariaparasiet in het lichaam van de
onbesmette mens. Binnen de mens komen de parasieten
in de lever terecht, waar ze zich ongeslachtelijk
ontwikkelen.
De deling van de parasieten zet zich voort
totdat de jonge parasieten in het bloed terecht komen en
de rode bloedcellen opzoeken. Daar ontwikkelen ze zich
ten koste van de rode bloedcel die later uiteenvalt of
vernietigd wordt. Dan zoeken de parasieten een nieuwe
bloedcel op waar ze zich opnieuw delen, enz. De
ongeslachtelijke voortplanting stopt, de parasieten delen
zich niet meer, maar gaan over in mannelijke en
vrouwelijke cellen. Deze cellen kunnen zich alleen
ontwikkelen in het lichaam van de malariamug.
Dus. . een muggenbeet van een malariamug . . .etc.

De terugkeer en dood van Tan Malaka


Vanaf de oprichting van de Communistische
Partij in Indonesië in 1920 wordt Tan Malaka
beschouwd als de meest belangrijke theoreticus
onder bekende Indonesische communisten als
Semaoen, Darsono, Moesso e.a.

Met de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in maart
1942 keerde Tan Malaka in juni van dat jaar na 20
verbannen jaren terug in Indonesië. In Jakarta hield hij
zich bezig met het schrijven van boeken, maar
geldgebrek bracht hem in de kolenmijn in Bayah, West-
Java, waar hij werkte te midden van Romushas,
Javaanse dwangarbeiders.
Na de onafhankelijkheidsverklaring van Soekarno-Hatta
trok hij door Java onder zijn eigen naam.
Hij richtte in Soerakarta in 1946 de partij Persatuan
Perjuangan op met het motto “alleen complete onafhankelijkheid
is acceptabel, de Soekarno regering moest
de eisen van het volk inwilligen, alle buitenlandse
ondernemingen moesten worden genationaliseerd”.
In maart 1946 werden de belangrijkste leiders van
Persatuan Perjuangan gearresteerd door de Soekarno
regering. Tan Malaka verbleef in de gevangenis tot
september 1948. In die tijd kwam hij vanwege zijn
opvattingen in conflict met de leiders van de PKI, de
communistische partij.
Bij zijn vrijlating stichtte hij de
Partai Murba, een proletarische partij.
Voor de 2de Politionele actie in december 1948 vluchtte
Tan Malakka uit de stad Kediri, waar hij zichzelf had
uitgeroepen tot Hoofd van Indonesië, naar de desa
Selapanggung bij het plaatsje Blimbing op het platteland
in Oost-Java. Hier was het dat hij door het Indonesische
leger gevangen werd genomen. Met andere prominenten
werd hij op 16 april 1949 geëxecuteerd.

Tan Malaka


De Communistenleider Sutan Ibrahim Datoek Tan
Malaka werd op 19 februari 1896 geboren in de
Minangkabau, Sumatra. Hij studeerde voor
onderwijzer eerst in Indonesië en vanaf 1912 in
Holland aan de Rijkskweekschool in Haarlem.

Tijdens zijn studietijd in Europa raakte Tan Malaka
geïnteresseerd in de leer van het communisme.
De Russische revolutie van 1917, met begrippen als
kapitalisme, imperialisme en klasse onderdrukking,
brachten hem tot de overtuiging dat Indonesië slechts
met een totale revolutie kon worden bevrijd van de
Nederlandse heerschappij.
In 1919 terug in Sumatra raakte Tan Malaka nauw
betrokken bij het werk van de arbeidersbeweging. Als
activist kwam hij in conflict met de autoriteiten aldaar.
Hij vertrok daarop in 1921 naar Semarang, destijds een
bolwerk van nationalisme en communisme, waar hij zich
snel vertrouwd maakte met het politieke werk van de
PKI. Op 27 juni 1921 werd hij gekozen tot voorzitter van
de PKI.
In die rol ondersteunde hij enkele stakingen onder de
arbeiders bij diverse overheidsinstellingen en fabrieken.
Vanwege deze activiteiten werd hij gearresteerd door het
Indische gouvernement en in 1922 verbannen naar
Holland.
Twintig jaren zullen voorbijgaan voordat Tan Malaka
weer voet op Indonesische bodem zou zetten.
Na in Holland even kandidaat te zijn geweest voor een
Kamerzetel van de Communistische Partij (CPN), vertrok
hij naar Moskou om namens de Communistische
Internationale agent voor Azië te worden. In China, de
Filippijnen e.a. Aziatische landen bleef hij actief tot zijn
terugkeer in 1942 naar Indonesië.

Middelbaar Landbouwonderricht

In 1905 werd precies op 1 januari het nieuw
opgerichte Departement van Landbouw in
werking gesteld met als belangrijkste taak de
bevordering van de Inheemse landbouw, met
name de voorlichting aan de landbouwers (tani).

In 1913 werd in Buitenzorg een Middelbare Landbouwschool
geopend. De opleiding was gericht op de vorming
van adjunct-landbouwconsulenten. Toelating was
mogelijk voor studenten met een 3-jarige middelbare
schoolopleiding (Mulo of H.B.S.) en voor hen die een aan
de M.L.S. verbonden 4-jarige voorbereidende cursus
hadden doorlopen. Uit alle delen van de archipel gaven
Indonesische studenten zich op voor het geboden landbouwonderwijs.
Zij stonden later, ieder in hun eigen
gewest, de Europese landbouwconsulenten ter zijde, te
weten: met onder hen geplaatste mandoers proeven
controleren, les geven in vervolgscholen, tentoonstellingen
organiseren, gegevens verzamelen voor analyse
en onderzoek van landbouwproducten, voorlichting
geven aan desabewoners over nieuwe werkmethoden
en verzorging van de noodzakelijke propaganda.
Deze afgestudeerden vormden de schakel tussen de
landbouwconsulent en de Inheemse landbouwer.
De voedingsmiddelen, die Indonesië zelf verbruikte
waren producten van de Inheemse landbouw: het was
de tani die de rijst, de mais, de cassave, de groenten en
de vruchten en nog andere producten leverde voor de
totale bevolking van de archipel inclusief de Europeanen.
De inheemse landbouw leverde eveneens een groot deel
van de export van rubber, koffie, thee, cassaveproducten,
terwijl copra, mais en peper uitsluitend afkomstig
waren van de Inheemse landbouw.

KLM lijndienst op Indië

In september 1930 begon de KLM met een
14-daagse dienst op Batavia, een jaar later
gevolgd door een wekelijkse dienst.

De eerste retourvlucht naar Batavia in de zomer van
1927 was tevens de eerste intercontinentale chartervlucht
met een lengte van 14.000 km.
Als passagiers reisden mee de Amerikaanse financier van
de vlucht, Van Lear Black, en zijn bediende Leo Bayline.
Gezagvoerder was Geysendorffer.
De vlucht ondervond grote moeilijkheden. De natte
moesson veranderde een groot aantal vliegvelden op de
route in onbegaanbare modderpoelen, verder had men
te lijden van zandstormen en noodweer en
motorstoringen waardoor aanzienlijke vertragingen
optraden. De heenreis duurde 16 dagen, de terugreis 18
dagen.

In oktober van hetzelfde jaar 1927 vertrok een
driemotorige Fokker, de “Postduif” met retourpost aan
boord. Na een ongelukkig begin met een klapband bij de
start verliep deze vlucht in recordtijd.
De heenreis werd in 9 dagen afgelegd en de terugreis in
12 dagen.
In september 1930 begon de KLM met de 14-daagse
lijndienst op Batavia voor post en passagiers.
Dikke reisdekens en voetzakken beschermden de
passagiers voor de ijzige kou in de cabine.
Pas de later aangekochte metalen DC-2 kon aan het
totaal van 7 passagiers het comfort van verwarming en
ventilatie bieden.

Babo, van dorp tot N.N.G.P.M.-centrum


Begin 1900 wist men al dat er aardolie te vinden
was in Nieuw-Guinea. In 1935 werd door de
N.N.G.P.M., (Nederlandse Nieuw-Guinea Petroleum
Maatschappij) 10 miljoen hectare van
westelijk Nieuw-Guinea in exploratie genomen.

De rest van het grote eiland was voor een ieder nog
terra incognita. Voor de geologische kartering werden
luchtfoto’s gebruikt, een nieuwe snellere methode.
Diep in de Maccluer Golf, voorbij het Fakfak gebergte, op
een moerassig eiland met het Papoea-dorp Babo, werd
het hoofdkantoor gesticht van de N.N.G.P.M.
De eerste taak was het exploreren van het toegewezen
concessiegebied van 10 miljoen hectare. Hiermee werd
in 1936 begonnen. In het westen van de Vogelkop bij
Klamono werd op een 100 meter diepte olie aangeboord.
Gaandeweg ontstonden kantoren en woonunits,
vliegveld, radiostation, soos, hospitaal en bioscoop. De
oliebronnen lagen verspreid over het gebied aan de
overkant van de Golf.
Met het uitbreken van de oorlog leefde er onder de
Nederlanders in Nieuw-Guinea de vrees dat de Japanners
door een snelle stoot in zuidelijke richting er in zouden
slagen een wig te drijven tussen Java en Australië.
Sorong in de snavel van de Vogelkop werd reeds
gebombardeerd. Vrouwen en kinderen van Europees
personeel werden daarop snel naar Java geëvacueerd.
Spoedig werd ook Babo gebombardeerd, waarop men
overging tot vernieling van de olie- en boorinstallaties.

In 1946 werden de werkzaamheden hervat, nu met
centrum Sorong.
In 1955 bleek dat de productievelden van dit
concessiegebied niet aan de verwachtingen voldeden, er
werd naar andere gebieden gezocht.

Beri-beri

De Nederlandse “Commissie ter bestudering van
beri-beri” was gevestigd in Batavia. In 1888
werd Christiaan Eijkman benoemd tot directeur
van het laboratorium aldaar, belast met
onderzoek naar de oorzaak van beri-beri.

Christiaan Eijkman, militair arts, werd omstreeks 1885
tijdens zijn verblijf in Padang voor het eerst
geconfronteerd met de ernstige ziekte beri-beri die
heerste onder de soldaten die in Atjeh streden.
Zijn onderzoek naar de ziekte leidde tot het opzetten van
studies die in eerste instantie gericht waren op het
vinden van een micro-organisme, een bacteriële ziekte
verwekker. Voor zijn onderzoekingen maakte hij gebruik
van hoenderen, met name kippen.
Op een bepaald moment werden de kippen gevoerd met
overtollige rijst bestemd voor patiënten van het militair
hospitaal. Na enkele tijd werd een plotseling optredende
zenuwaandoening (soortgelijk aan beri-beri) bij de
kippen geconstateerd
De aandoening verdween even snel als die gekomen
was. Bij navraag bleek dat dezelfde kippen, na 5
maanden gekookte rijst gegeten te hebben, weer
gevoerd werden met de ongepelde rijst van de lokale
markt. Er moest een samenhang bestaan tussen beriberi
en voeding.
Na vele jaren van experimenteren kon Eijkman aantonen
dat de cruciale factor voor het verkrijgen van beri-beri
was : het ontbreken van het dunne zilvervliesje dat de
rijstkorrel omgeeft.
Bij geslepen of gepelde rijst ontbreekt het zilvervlies, dat
de voedingsstof levert die noodzakelijk is voor het
behoud van het perifere zenuwstelsel en dat heden ten
dage bekend staat als vitamine B.

Paniek rond 1918, de ‘novemberbeloften’


Het bewind van J.P. graaf van Limburg Stirum
(1916-1921) werd gekenmerkt door socialistisch
revolutionaire bewegingen in Europa, met name
in Nederland. Daardoor kregen nationalistische
bewegingen in Indië de wind mee.

Tijdens de laatste maanden en vlak ná de 1ste
Wereldoorlog heerste er paniek in bestuurskringen in
Nederlands-Indië.
Dit hing samen met revolutionaire ontwikkelingen in
Europa. Eerst was er de socialistische omwenteling in
Rusland, waarbij het bewind van de Tsaar ten val werd
gebracht. Vervolgens begonnen de communisten in
Duitsland zich te roeren en rekenden af met het Duitse
Keizerrijk, waardoor de Republiek Duitsland ontstond.
Dan brachten socialistische revolutionaire krachten de
Oostenrijks-Hongaarse en Turkse monarchie ten val.
In Nederland nam de leider van de S.D.A.P.( Sociaal
Democratische Arbeiders Partij), Pieter Jelle Troelstra, de
touwtjes in handen door op 11 november 1918 de
arbeiders op te roepen om de macht in Nederland over
te nemen.
Het nieuws van deze gebeurtenissen kwam verbrokkeld
in Indië aan. Men maakte zich ernstige zorgen over de
toekomst ná de socialistische machtsovername.
In Nederlands-Indië was al dit nieuws koren op de molen
van de Indonesische nationalistische beweging. Er woei
een rode wind door Indië!
Onder druk van dit al, kondigde de Gouverneur-Generaal
J.P. van Limburg Stirum, geheel op eigen gezag, in de
Volksraad vergaande maatschappelijke hervormingen
aan, de zogenaamde ‘novemberbeloften’.

Hollands of Javaans

Van Heutz gelaste zijn ambtenaren Hollands te
spreken met de Javaanse regenten. De Javaanse
regenten negeerden de hun opgedrongen
omgangstaal en antwoorden de BB-ambtenaren
in de Javaanse taal.

Er is een tijd geweest dat Javaanse regenten de
ambtenaren van het Binnenlands Bestuur, dus de
Hollandse controleurs en residenten, in de Javaanse taal
aanspraken.
Het is onbeleefd om hiervoor de Nederlandse taal te
gebruiken, vonden zij.
De BB-ambtenaren op hun beurt vonden dat totaal
onbegrijpelijk, omdat de regenten goed geschoold waren
en de Nederlandse taal adequaat onder de knie hadden.
Bovendien werd hun van hogerhand gelast om met de
Javaanse hoofden de Nederlandse taal te bezigen.
Hoe de ambtenaren ook probeerden de regenten te
overtuigen van de noodzaak om Nederlands te spreken,
de regenten bleven halsstarrig de Javaanse taal
toepassen.
Zij vonden het zélf beleefder om het Javaans te
gebruiken, zij deden niet wat van hun gevraagd werd.
Het antwoord was telkens dat niemand hun kan dwingen
onbeleefd te zijn. Zij vreesden onbeleefd te zijn omdat
zij het Nederlands niet volkomen machtig waren en
daardoor onwillekeurig fouten zouden kunnen maken.
Dát zou onvergeeflijk zijn en zondig tegen de adat.
Men spreekt de regent ook niet aan met ‘sobat’ (vriend),
ook al zou de onderlinge relatie tussen de Hollander en
de aristocratische Javaan vertrouwd zijn.
Men spreekt de regent aan met zijn titel, dus Raden Mas
Adipati of Raden Toemenggoeng.

Boven-Digoel

In het binnenland van West Nieuw-Guinea, aan
de bovenloop van de Digoel rivier, richtte de
Nederlands-Indische regering in 1926 een
interneringskamp in. Het kamp lag in Tanah
Merah en werd later bekend als strafkamp
‘Boven-Digoel’ 

De vestiging van het interneringsoord Boven-Digoel
was van meet af aan een omstreden maatregel.
Door de bodemgesteldheid heerste er altijd strenge
malaria. Ondanks de permanent hete luchttemperatuur
waren de onderkomens geheel uit zink opgetrokken.
De ongezonde leefsituatie riep zowel in Nederland als
onder Indonesiërs in de Volksraad protesten op.
Echter, in 1926 braken er in Bantam op West-Java en in
de Padangse Bovenlanden in West-Sumatra heftige
communistische opstanden uit.
De situatie was zo bedreigend voor het koloniale
systeem dat het gouvernement hard ingreep.
Het gouvernement maakte hierbij gebruik van een
volmacht tot toepassing van de zogenaamde exorbitante
rechten, dwz. de rechterlijke macht kwam er niet aan te
pas en appèl was niet mogelijk.
Duizenden arrestaties volgden, 4500 PKI-leden werden
veroordeeld tot gevangenisstraf, waarbij 1300 van hen
werden geïnterneerd in Boven-Digoel.
In 1931 werden honderden gevangenen vrij gelaten.
Vervolgens werden er kleine aantallen fervente nationalisten
geïnterneerd. Hatta en Sjahrir zijn er tijdelijk
geweest.
Net vóór de Japanse bezetting van Nieuw Guinea
werden de gevangenen uit het kamp gehaald en
vervolgens naar Australië overgebracht, dit om te
voorkomen dat de gevangenen voor Japanse propaganda
doeleinden zouden kunnen dienen.

Koeli-ordonnantie Sumatra’s Oostkust


Vanaf het moment dat in Deli de tabaksondernemingen
zich begonnen uit te breiden,
stroomden er, behalve vele jonge ongetrouwde
Nederlanders, ook jonge mannen van elders in Europa naar de winstgevende plantages toe.


De nieuwe blanke planter stond een ruig en hard
bestaan te wachten.
De strijd om het oerbos en de moerasgronden te
cultiveren was geen kinderspel en vereiste een enorme
inspanning en inzet.

Met behulp van Chinese, Javaanse en Thaise
arbeidskrachten werd telkens een stuk van het oerwoud
veroverd om vervolgens te worden gekapt, geschoond,
gedraineerd, geterrasseerd en bouwklaar gemaakt.
De eenzame arbeid van de blanken te midden van een
enorm contingent Aziatische arbeiders en het bijzonder
zware werk op het veld maakten van de planters een
ruig pioniersvolk dat zich ook niet stoorde aan wettelijke
voorschriften.
De vrijgevochten samenleving die dan ontstond
kenmerkte zich door de oppermacht van de totokbaas
die met behulp van zijn Aziatische staf van opzichters en
onderopzichters de arbeiders de wet voorschreven.

Hun macht werd nog vergroot door de in 1880 verleende
‘koelie-ordonnantie’ die hen het recht gaf om koelies die
zich niet aan de contracten hielden door werk te
verzuimen of weg te lopen, streng te bestraffen, hetgeen
zich in allerlei excessen en uitbuiting manifesteerde.
Zo ontstond er in dit gebied een staat binnen een staat.

De Volksraad


Op 18 mei 1918 stuurde de Gouverneur-Generaal
J.P. van Limburg Stirum een telegram naar de
initiatiefnemer van de Volksraad, de minister van
Koloniën Th.B. Pleyte, dat de Volksraad was
geïnstalleerd.
 

Ooit is het begonnen met het artikel van Conrad Th. Van
Deventer in het tijdschrift De Gids uit 1899, waarin werd
uitgelegd dat de positie van de Indonesiër moet worden
verbeterd en Nederland daarin een “ereschuld” had te
vereffenen.
Hoe langer hoe meer begon deze gedachte in de politiek
terrein te winnen. Nederland verdiende veel aan
Indonesië en begon zich verplicht te voelen welzijn en
welvaart onder het Indonesische volk te bevorderen.
Onder het motto: irrigatie, emigratie en educatie werden
plannen ontwikkeld om de z.g. Ethische politiek in te
voeren. In dit verband dacht men er aan de Indonesiër
meer inspraak te geven in het bestuur want op dit punt
was in het begin van de jaren 1900 de Nederlandse
regering strikt terughoudend.
Voor het eerst werd aan het verlangen om inspraak van
Indonesiërs in het bestuur te krijgen, in bescheiden mate
tegemoet gekomen toen bij Wet van 16 december 1916
de Minister van Koloniën Th. B. Pleyte de Volksraad in
het leven riep.
De raad zou eerst een adviserend functie naar de G.G.
toe krijgen en bestaan uit 39 leden, waarvan ten minste
één kwart uit Indonesiërs moest bestaan. Die
samenstelling en functionele taak werden meerdere
malen gewijzigd.
Bij de installatie in 1918 bestond de Volksraad uit 61
leden, t.w. 1 Ned. voorz., 30 Indonesische leden, 25-27
Nederlanders, 3-5 niet-Nederlanders (Arabier/Chinees).

De Korte Verklaring


Op Java bevinden zich 4 Zelfbesturende Landschappen,
dat zijn de Vorstenlanden Soerakarta,
Djokjakarta, Mangkoenegaran en Pakoe Alam. In
de Buitengewesten zijn het ondermeer de sultanaten
Makassar, Ternate, Tidore, Batjan, e.a.

In samenwerking met zijn toenmalige adviseur Snouck
Hurgronje ontwierp Van Heutz de “korte verklaring”.
Deze bevatte 3 punten. De vorst van het betreffende
Zelfbesturende Landschap verklaart erin:

  1. dat zijn Landschap deel uitmaakt van het gebied van
    Nederlands-Indië, dat hij trouw zal zijn aan Hare
    Majesteit de Koningin der Nederlanden en aan de
    Gouverneur-Generaal als Hoogstdelzelver vertegenwoordiger,
    uit wiens handen hij het bestuur over zijn
    Landschap aanvaardt,
  2. dat hij zich in geene staatkundige aanraking zal
    stellen met vreemde mogendheden, de vijanden van
    Nederland zijn vijanden, de vrienden van Nederland
    zijn vrienden zullen zijn,
  3. dat hij zal nakomen en handhaven alle regelingen, die
    met betrekking tot zijn Landschap toepasselijk zijn of
    zullen worden verklaard en in het algemeen alle
    bevelen van de Gouverneur-Generaal of diens
    vertegenwoordiger zal opvolgen.

De Korte Verklaring gold voor circa 300 Zelfbesturende
Landschappen, dat zijn Indonesische territoriale rechtsgemeenschappen
met een eigen bestuur en rechtspraak,
gebaseerd op de adat (eigen gewoonten en gebruiken).
Het bestuur kan er alle mogelijke vormen hebben, zoals
monarchaal (met of zonder Rijksraad), eenhoofdig of
meerhoofdig, republikeins, al naar gelang de adat dit
voorschrijft. 

Snouck Hurgronje


Arabist en Islamoloog Christiaan Snouck
Hurgronje (1857–1936) was de eerste
westerling die trachtte door te dringen tot
Mekka, de voor niet-moslims absoluut verboden
bedevaartplaats in Saoedi-Arabië.

Geboren in Oosterhout studeerde hij in 1875 in Leiden
Theologie en Semitische talen en promoveerde in 1880
op het proefschrift “Het Mekkaanse Feest” De jaren
daarna legde hij zich toe op de beheersing van de
Arabische taal, cultuur en geloof. In Djeddah lukte het
hem onder een schuilnaam de bovenlaag van de
Moslimwereld binnen te dringen en bereidde hij zich voor
op de Bedevaart naar Mekka.
Hij werd echter ontmaskerd en het land uit gezet. Zijn
ervaringen in Arabië schreef hij neer in een boek dat
grote bekendheid verwierf. Hij werd lector in Leiden.
In 1891 vertrok Snouck Hurgronje naar Indië om
vervolgens in Atjeh te belanden. Nederland was sinds
1873 in oorlog gewikkeld met Atjeh. Als kenner van de
Islam verbleef hij enige tijd onder de Atjehers en schreef
een rapport over zijn bevindingen. Kort hierna werd hij
aangesteld als Regerings-Adviseur op het gebied van
Oosterse talen, Islamitisch recht en Inlandse en
Arabische zaken. Zijn aanbevelingen om de Atjehse
weerstand te breken werden uitgevoerd door generaal
J.B. van Heutz. Er ontstond een innige samenwerking
tussen de adviseur en de generaal.
Met alle machtsmiddelen werd de oorlog in Atjeh
beëindigd in 1903. Een heftige ruzie tussen Van Heutz
en Snouck Hurgronje bracht deze laatste weer in
Holland. In 1907 aanvaarde hij een leerstoel in Leiden in
welke stad hij op 80-jarige leeftijd overleed.

Kolonisatie projecten tbv Indo’s


Rond 1920 werd ook Indië door de wereldcrisis
getroffen. Er vielen massaontslagen en
deze troffen vooral de Indo-bevolking. Die
konden niet zoals de meeste totoks naar het
moederland terugkeren.


In die tijd kwam een reeds eerder bestaand plan tot
ontwikkeling om kleine gemeenschappen van Indo-
landbouwers te vormen. De initiatieven kwamen van het
Indo-Europees Verbond (I.E.V.).
De Nederlands-Indische regering wees enkele gebieden
aan en het I.E.V. stichtte twee kolonisatie projecten, één
in 1923 op Sumatra, Dick de Hoog, en één in Oost-Java,
Kesilir.
De bedoeling was dat volledig in eigen onderhoud zou
worden voorzien.
Op het toegewezen grondgebied in Sumatra kapten de
’boeren’ de bomen en maakten de grond bouwrijp. Van
de gekapte bomen werden eigenhandig huizen gebouwd.
Men liet de hele familie overkomen, die vervolgens een
bijdrage leverde in de productie van aardnoten en
palmolie.
Hoe goed ze ook trachtten te werken, het waren geen
landbouwers. Bovendien werden de producten door de
slapte op de markt nauwelijks verkocht.
Het werd een grote mislukking.
Kesilir, het tweede kolonisatie project in de uiterste punt
van Oost-Java, werd al evenmin een succes.
Hier bleken de ter beschikking gestelde terreinen ook
nog eens moerassen te omvatten, die een bron voor
malaria vormden.
De bewoners trokken snel weg of belandden in het
malaria hospitaal te Glenmore.

Het Indo-Europees Verbond (IEV)


In 1919 werd het Indo-Europees Verbond (IEV)
opgericht op initiatief van Karel Zaalberg, Hoofdredacteur
van het Bataviaasch Nieuwsblad, met
steun van enkele ambtenaren binnen de
Nederlands-Indische overheidsdienst.

Het Indo-Europees Verbond, opgericht in 1919, was
een politieke belangen organisatie van Indo-Europeanen,
die zich door het opkomend Indonesisch nationalisme
en het toenemende aantal Indonesische ambtenaren
bij de koloniale overheid in hun (midden)
posities bedreigd voelden.
Een voorname reden tot oprichting van het I.E.V. was
het ongedaan maken van verschillen in behandeling en
salariëring van zittende Nederlandse en Indische
ambtenaren ten opzichte van hen die rechtstreeks uit
Holland kwamen en/of daar gestudeerd hadden.
Oprichter en hoofdbestuurslid van het IEV was Karel
Zaalberg. Als hoofdredacteur van het Bataviaasch
Nieuwsblad was hij al geruime tijd de spraakmakende
woordvoerder van de Indo-Europese bevolkingsgroep.
Hij zorgde er voor dat het IEV-lidmaatschap open
stond voor alle Indo-Europeanen, alsook voor blanke
Nederlanders.
Hij zag het tekort aan scholingsmogelijkheden in Indië
als structureel probleem en bepleitte daarom een
sterke uitbouw van het Europees onderwijs. Dat zou
de minder bedeelde Indo-Europeaan een betere
concurentiepositie verschaffen, zowel t.o.v. de uit
Nederland afkomstige geschoolden als t.o.v. de
geschoolde Indonesiërs.
Zaalberg’s ideaalbeeld was een opgeleide Indo-groep die
als leiders van een zelfstandige archipel zou optreden.

Communistisch protest


Sinds de Partai Komunis Indonesia (P.K.I.) na
1920 de vakbonden als kernen van revolutionaire
actie klaarstoomden voor de strijd tegen
het Nederlands gezag, werd openlijk fel verzet
tegen de heersende arbeidsomstandigheden
aangewakkerd.

Zo kwam in 1922 een stakingsbeweging opgang bij alle
Gouvernementspandhuizen op Java.
De leider van de stakingsbeweging was Tan Malakka, hij
werd naar Koepang verbannen, de hoofdplaats van
Nederlands Timor. Op zijn verzoek kreeg hij later
toestemming om Indië te verlaten.
Hetzelfde lot trof Semaoen, een der andere P.K.I.-
leiders, verantwoordelijk voor de staking in 1923 van
werklieden bij de Staatsspoorwegen na een loonconflict.
Eind 1924 besloot de P.K.I.-leiding over te gaan tot
acties van de vakbonden op ruimere schaal.
Stakingen begin 1925 door communisten voorbereid en
georganiseerd vonden plaats in Semarang bij
drukkerijen, ziekenhuizen en bij de havendienst en te
Soerabaja in de machinefabrieken.
Een drietal leiders werd gearresteerd en verbannen naar
Nieuw-Guinea. Onder hen R Darsono, die later kon
vertrekken naar Rusland tezamen met zijn partijgenoot
Moeso. (Deze laatste zien we later terug als leider van
de bloedig onderdrukte Madioen opstand in 1948 tegen
het prille bewind van de Soekarno-Hatta regering).
Toen de stakingsbewegingen door krachtig ingrijpen van
regeringswege waren onderdrukt, besloten de overige
P.K.I.-leiders over te gaan op gewelddadige
revolutionaire acties die terdege zouden worden
voorbereid en georganiseerd.

Sarekat Islam (splitsing der geesten)

In Bandoeng werd in 1916 het Eerste Nationaal Congres gehouden van de Sarekat Islam.(S.I.). De explosieve opkomst ná de oprichting eind 1912 weerspiegelde de deelname aan het congres, 80 SI-verenigingen vertegenwoordigden 400.000 leden.


In de ten opzichte van het Nederlands gezag loyaal uitgezette koers van de Sarekat Islam trad in 1917 een ernstige wijziging op. In het beginselprogramma van SI was opgenomen dat naast bevordering van het godsdienstig leven tevens de belangen van de bevolking worden behartigt op het gebied van landbouw, handel en nijverheid, gezondheid en onderwijs
De invloed van revolutionair-socialistische tendensen openbaarden zich door de aankondiging in dit beginselprogramma ‘dat een politieke strijd zal worden gevoerd tegen het zondig kapitalisme’.
Dit betekende dat er front werd gemaakt tegen besluiten en hervormingen van de Nederlands Indische regering en haar Bestuur.
In 1919 werd in Midden-Java een actie ondernomen in de suikerindustrie, gevolgd door een grote opstandige beweging in Toli-Toli op Celebes en tenslotte een verzetsactie nabij Garoet, waarbij een samenzwering aan het licht kwam, opgezet door een zogenaamde Afdeling B-organisatie.
Langzamerhand ondervonden Tjokroaminoto (leider SI) en zijn medewerkers tegenwerking van nieuw opgetreden leiders die communistische beginselen predikten.
In 1921, tijdens het jaarlijks congres in Soerabaja, traden de communisten uit de Sarekat Islam. Alle rode S.I.-organisaties vormden de “Sarekat Rakjat”.

Sri Padoeka Kangdjeng

In de eerste jaren na 1900 moest het Binnenlands Bestuur de ‘Ethische Richting’ in Indië doorvoeren. Het ging om het aankweken en bevorderen van de onderlinge belangstelling voor elkaar, van zowel blank als bruin.


Hij werd als Aspirant-controleur bij het Binnenlands Bestuur aangesteld in de omgeving van Semarang.
Het was zijn eerste baan, hij was 24 jaar en kersvers uit Holland overgekomen. Uit zijn ambtshalve contacten met de plaatselijke Javaanse regenten ontstond er over en weer een regelmatige briefwisseling. Op deftige enveloppen bezigden de oude regenten de volgende aanhef:
‘Sri Padoeka Kangdjeng Toean Aspirant Controleur’ (Zijne Hoogheid Hoogedele Heer Asp. Controleur).
Goede woorden om te volstaan met de aanhef ‘Djoeragan’ (Meneer) hielpen niet, zelfs niet toen van hogerhand het bevel kwam om deze onzinnig hoge titulatuur niet meer te gebruiken. Zijn aanvankelijke schaamte voor een dergelijke betiteling sloeg langzamerhand over in een radeloze woede over deze zich steeds herhalende aanhef.
Op de enveloppen schrapte hij driftig de gewraakte woorden en stuurde de brieven terug. Niets hielp, de Javaanse regenten bleven halsstarrig volhouden. Uiteindelijk aanvaardde de Hollandse landsdienaar op dit punt zijn lot.
Vele, vele jaren later kon hij enigszins begrip opbrengen voor de vormelijk-beleefde omgangswijze waarop Javanen zich opstellen naar personen met een hogere sociale status, de meerdere, zowel van eigen volk als t.o.v. de Nederlander. Verbiedt het hem en hij wordt nog beleefder.

Wet op het Nederlanderschap van 1892

De Wet van 12 december 1892, Stb. 268, op het Nederlanderschap en het ingezetenschap is vervangen door de Rijkswet van 19 december 1984 (RWN) houdende vaststelling van nieuwe, algemene bepalingen omtrent het Nederlanderschap; laatstelijk gewijzigd 2004.

Wet op het Nederlanderschap van 1892

Artikel 1. Nederlanders door geboorte zijn:
a. het wettig, gewettigd of door de vader erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de vader de staat van Nederlander bezit;
b. het wettig kind van een Nederlander die binnen 300 dagen voor de geboorte van het kind overleed;
c. het niet-erkend onwettig kind, waarvan, tijdens de geboorte de moeder de staat van Nederlander bezit;
d. het niet-erkend onwettig kind, in het Koninkrijk (Nieuw Guinea uitgezonderd) geboren, tenzij blijkt dat het de nationaliteit van een andere Staat bezit;

Artikel 1bis. Nederlander door adoptie is het kind, dat in het Koninkrijk bij rechterlijke uitspraak is geadopteerd, indien de adoptief-vader of, deze overleden zijnde, de adoptief-moeder, op de dag dat die uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen de staat van Nederlander bezit en het kind op de dag van uitspraak in eerste aanleg minderjarig is.

Artikel 2. Nederlanders zijn ook:
a. het in het Koninkrijk te vondeling gelegde of verlaten kind, zolang van zijn afstamming niet blijkt;
b. het in het Koninkrijk geboren kind, waarvan op het tijdstip van de geboorte de moeder de staat van Nederlander bezit en dat aan zijn niet-Nederlandse vader geen nationaliteit ontleent, met dien verstande dat, het kind geacht wordt de staat van Nederlander nimmer te hebben bezeten indien gedurende zijn minderjarigheid blijkt, dat het dezelfde nationaliteit bezit als zijn vader op het tijdstip van de geboorte.

Hoger onderwijs in Indië

Naast nevenstaand hoger onderwijs in Indië werd in 1938 de Bestuursacademie te Batavia opgericht en in 1940 werd een begin gemaakt met een Landbouw faculteit in Buitenzorg en een Literaire faculteit in Batavia.


De Technische Hogeschool te Bandoeng werd geopend in 1920. De studieduur bedroeg 4 jaren. Elk studiejaar werd besloten door een examen.
Aan het eind van het derde jaar werd het kandidaatsexamen afgelegd. Het doctoraalexamen na het vierde jaar gaf het getuig

schrift civiel ingenieur. Dit ingenieursdiploma werd gelijkgesteld aan dat van Delft. De Rechtshogeschool te Batavia werd in 1924 geopend. De studieduur bedroeg 5 jaar.
Het kandidaatsexamen werd in 2 delen afgelegd resp. aan het einde van het 1ste en 2de jaar.
Het doctoraalexamen werd in 3 delen afgenomen.
Na het 2de deel volgde de splitsing in vier richtingen: privaat- , straf- en staatsrechtelijk en sociologisch- economisch. Geslaagden van het doctoraalexamen verkregen de titel Meester in de Rechten met gelijke rechten als het overeenkomstig diploma in Nederland.

In 1927 werd de STOVIA te Batavia omgezet in een Geneeskundige Hogeschool. Te behalen waren: het kandidaatsexamen (2 delen in 3 jaar), waarna een doctoraal examen (2 delen in 2 jaar) en vervolgens een artsexamen bestaande uit een geneeskundig en een heel- en verloskundig gedeelte. Diploma’s gaven dezelfde rechten als die in Nederland.

Stovia

In 1847 werden er in centraal Java een aantal dodelijke ziekten geconstateerd. Het Gouvernement vatte het plan op om geschikte lokale jongemannen op te leiden tot “gezondheidscontroleur“, zodat de bevolking aldaar kon worden ingeënt tegen voorkomende epidemieën.

Op 2 januari 1849 was het zover, 30 jongemannen kregen in het Militair Ziekenhuis in Weltevreden te Batavia les in het vaccineren. De opleiding was geheel gratis en werd begeleid door officieren van gezondheid van het Hospitaal.
In 1856 startte men met een 3-jarige opleiding. De opleiding stond nu open voor studenten van buiten Java. Sekolah Dokter Djawa werd de school genoemd, Dokter Djawa school.
In 1899 werd op initiatief van de directeur een nieuw gebouw opgezet in de wijk Weltevreden in Batavia waar voortaan de School tot Opleiding van Inlandse Artsen (STOVIA) zou worden gehuisvest. In 1902 werd de school officieel geopend als STOVIA.
De toelating tot de STOVIA werd open gesteld voor leerlingen van de Europese Lagere School en equivalente scholen. Het leerplan omvatte dan een 2-3 jaar durende Voorbereidende opleiding gevolgd door een 5-6 jaar durende opleiding in de Medische Wetenschap.
De studenten waren verplicht om intern te verblijven in de daartoe bestemde pensionhuisvesting van de school. Later in 1913 werd een 7 jaar durende de opleiding geïntroduceerd. De toelating stond toen open voor studenten uit elke andere origine.
Het was in het anatomieleslokaal van deze school dat 9 studenten uit de klassen IV en V op 20 mei 1908 de nationalistisch getinte Boedi Oetomo beweging hebben opgericht.

Mohammedaans onderwijs in Indië

De Pesantren is een Mohammedaanse godsdienstschool waar traditioneel Prijaji-zoons, zonen van regenten of hogere Indonesische aristocratische families, een schoolopleiding volgden.

Voordat de koloniale overheid zich bewust werd van een onderwijstaak ten behoeve van inheemse kinderen bestonden op Java duizenden islamitische scholen, de Pesantren.
Zonen van de Prijaji, de adellijke bestuursélite, kregen een tweevoudige opleiding.
De zoon kwam in huis bij een vooraanstaande familie, waar hij ervaring op moest doen in een mindere positie dan hij thuis gewend was én hij leerde de juiste omgangsvormen van zijn eigen stand.
In de Pesantren, de godsdienstschool, kwam hij meestal als interne leerling, waar hij werd onderwezen in de Islam en lezen en schrijven leerde.
Ook werd hij vertrouwd gemaakt met paardrijden en wapengebruik. Verder oefende hij in artistieke vaardigheden.
Hierna werd hij geacht gereed te zijn om zijn plaats in te nemen in de bestuurlijke bureaucratie.
Deze vorm van tweevoudige opvoeding zette zich in latere jaren, ná 1900, ook voort bij Prijaji die hun zonen westers onderwijs lieten volgen.
De zonen kwamen in huis bij vooraanstaande Europese families waar ze vertrouwd werden gemaakt met de Europese gebruiken en gewoonten. Tegelijkertijd volgden zij een opleiding aan Europese onderwijsinstellingen, eerst op lager niveau opklimmend tot voortgezet onderwijs.

Nederlands Lager onderwijs in Indië

Lange tijd hebben de Nederlanders in Indië zich gedragen als overheersers. Inheemsen die trachten te communiceren in de Nederlandse taal werd te verstaan gegeven dat dit niet paste voor een Inlander.

Rond 1900 tekenden zich nieuwe perspectieven af voor een onderwijs dat op ruimere voet toegang verschafte aan inheemse leerlingen.
Voordien was er sprake van een dualistisch systeem, waarbij er puur westers onderwijs was voor kinderen uit de Europese bovenlaag én onderwijs voor inheemse kinderen.
Kinderen uit de Europese bovenlaag, de inheemse adel én “met Europeanen gelijkgestelden” volgden de Europese Lagere School (ELS), een 7-jarige opleiding.
Inheemse kinderen volgden onderwijs aan de 5-jarige Inlandse Standaardscholen met de taal van de regio als voertaal. Dit onderwijs was tevens eindonderwijs. De scherpe scheiding tussen Nederlands en inheems onderwijs werd echter in de praktijk van het toelatingsbeleid bij de ELS-scholen niet zo strak aangehouden.
Kinderen van de Prijaji, de aristocratisch inheemse bovenlaag, kregen op verzoek van de ouders eveneens toegang tot deze scholen. Men had in die kringen een sterke voorkeur voor Westerse onderwijsinstellingen in verband met de mogelijkheid tot doorstroming in het voortgezet onderwijs.
Rond de eeuwwisseling volgden in totaal circa 1900 niet– Europese leerlingen het ELS-onderwijs.