Singapore

Net waren ze ontsnapt aan de oorlog in Soerabaja, de vrouwen en kinderen uit het verzamelkamp in de Darmowijk. De konvooien naar de haven Tandjong Perak ondervonden weinig hinder van de vijandig gezinde Pemoeda’s die met duizenden de stad Soerabaja bevolkten.

Aangekomen in de haven werden vrouwen en kinderen direct overgebracht naar Engelse of Amerikaanse troepentransportschepen. Mogelijk dat ze zagen hoe de 5de Divisie Brits-Indische troepen op volle oorlogssterkte werd ontscheept. Zij waren veilig met circa 6.000 personen door de lange corridor in de Republikeinse stad Soerabaja gekomen.
Velen kregen als bestemming Singapore.
Met landingsvaartuigen werden de repatrianten naar hun schip gebracht. Op de overvolle schepen werd met moeite een plaatsje gevonden. Na een korte zeereis bereikten ze de volgende dag Singapore. Eenmaal aan land ging het in vrachtwagens naar een enorm groot Engels kamp.
Het Wilhelminakamp werd geleid door Nederlandse militairen. Alles was tiptop verzorgd. Zij die hun mannen hadden moeten achterlaten in gevangenschap in Soerabaja kregen hier schone huizen toegewezen. Per persoon kregen ze een veldbed, een deken, een laken, een handdoek en eetgerei. Met de ontvangen spulletjes en het weinige dat ze als bagage bij zich hadden, voelden zij zich rijk én veilig. Er werden ook voedselpakketten uitgedeeld met o.m. blikken met haring in tomatensaus en cornedbeef. Het huis werd schoongemaakt door een Chinese amah.
Maar de meeste vrouwen dachten met smart aan hun mannen in de diverse gevangenissen in Soerabaja. En dat deed heel veel pijn!

Dreigbrief aan Indo’s en Ambonezen

Aan het begin van de onlusten in Batavia eind 1945 en 1946 hadden Soekarno’s jeugdige volgelingen, Pemoeda’s, het vooral gemunt op de Indo-bevolking en Ambonezen. Hun trouw aan de Europese status werd hun fataal en zij moesten er voor boeten.

“. . . Indo’s, thans zegeviert gij. Gij vergeet zeker onze vergiftigde soempits ( vergiftigde pijltjes uit blaaspijp), onze vergiftigde golok’s en krissen? Als wij nu niets doen, dan is dat alleen maar omdat onze grote leider Boeng Karno vrede en orde commandeert.
Denk aan uw toekomst. Gij wilt hier leven, te midden van wakker wordende Indonesiërs! Nica, Van der Plas heeft Inlandse aanhangers, maar dat zegt niets, want die gekke Inlanders zijn reeds geschreven in onze zwarte lijsten en die vinden hun weg naar het hiernamaals.
Weet u, de Yaps trainden duizenden en nog eens duizenden Pemoeda’s. U denkt dat wij van de Yaps houden. Kita bikin abis dengan mereka (wij maken korte metten met hen). . . . . want wat jullie binnen 350 jaar deden, deden de Yaps dat in 3½ jaar, tot wij helemaal werden uitgehongerd en uitgenaakt.
. . . .en nu willen jullie Indo’s, Ambonezen de Djapanners (Japanners) in wreedheid nadoen, in plaats van vrede te zaaien. Door dat moordpolitiek graven jullie je eigen graf! We bedoelen hiermee alle Indo’s en Ambonezen!” Tot zover het pamflet.
De sterk ingekorte brief vervolgde met dreigende kreten als gifslangen in badkamers, kidnappen van kinderen, Goena-Goena, verminkte levende halfdoden, vergif in waterleidingen, en nog veel meer onheil.
De brief werd door Batavia verspreid en zaaide angst onder de bewoners van de buitenwijken. Hij was onder-tekend door “Kromo de Wreker”.

Bersiap in Batavia

Al snel werd Batavia het strijdtoneel voor de eerste confrontaties tussen het oude Nederlands-Indië en de nieuwe Republiek.
Het vrijheidsgevoel onder de jonge Indonesiërs sloeg over in een verblindende haat tegen alles wat Nederlands was.

De uit ex-krijgsgevangenen gevormde KNIL-eenheden trachten zoveel mogelijk op te treden tegen het nu ontstane geweld van de Pemoeda’s en groepen rovende benden uit de kampongs. Op klaarlichte dag vonden slachtingen, verkrachtingen en ontvoeringen plaats onder Nederlanders, Indo-Europeanen en Indonesiërs die verdacht werden van sympathie voor de Nederlanders.
In Batavia verkeerde de chaos!
Het waren vooral de Ambonese KNIL-ers die de strijd aangingen met het gepeupel onder de Pemoeda’s. Door hun fanatieke loyaliteit aan de Nederlandse vlag werden zij het mikpunt van haat. Hun vrouwen werden al te vaak mishandeld en vermoord.
De Ambonezen, zelf Aziaten, wisten dat terreur in Azië met terreur moest worden beantwoord. Het was hard tegen hard. Zij overvielen het Indonesische politiebureau en namen de politiebezetting gevangen. Een andere keer brandden zij een hele kampong af, waarop de hemel ten oosten van het Koningsplein zwart kleurde.
De Ambonese KNIL-peletons waren gelegerd in het 10de Bataljon aan het Waterlooplein, midden in het chaotische en onveilige centrum van Batavia. De gebouwen van dit kamp stonden gegroepeerd om een binnenterrein. Vanuit de klapperbomen buiten het kamp werd gericht geschoten op een ieder die zich op het binnenterrein bevond. Door het korte bladerdak waren de snipers te zien en werden dan ook prompt uit de boom geschoten.

Nakhon Pathom

Na de Japanse capitulatie kregen krijgsgevangenen uit de kampen langs de Birmaspoorlijn hun vrijheid terug. Van hen werd een groot deel getransporteerd naar Nakhon Pathom. Het stadje ligt op 40 km van Bangkok vandaan aan de Birmaspoorlijn. Hier was in 1944 een groot Japans hospitaalkamp gebouwd.

Het Japanse hospitaalkamp in Nakhon Pathom werd na de capitulatie geheel ingericht voor de opvang van de uitgemergelde krijgsgevangenen. De 50 barakken, geheel uit planken gebouwd, boden plaats voor elk 200 man. Hier kregen de mensen medisch onderzoek en verpleging. Engelsen, Amerikanen, Australiërs werden al snel naar hun landen teruggevlogen. 5.000 Nederlanders moesten blijven, zij konden niet naar hun ‘hometowns’ in Indië, vanwege het nieuwe bewind van Soekarno.
Het was in dit kamp dat een apart ingericht Bureau Burger-Geëvacueerden (BBG) van de Militaire Missie in Bangkok ervoor zorgde dat vrouwen en kinderen van deze ex-gevangenen uit het gevaarlijke Java werden geëvacueerd om hier te herenigen met hun mannen en vaders. Opvang en huisvesting gebeurden in 4 kampen, tw. Wilhelminadorp, Emmadorp, Julianadorp en Beatrix-dorp.
Op 12 december 1945 opgericht herbergden de dorpen in totaal 4.640 vluchtelingen, waarvan 2.100 vrouwen, 1.955 kinderen tot 12 jaar, 585 jongeren en mannen. Op 11 september 1946 sloot het kantoor van BBG.
Vanuit de Republikeinse kampen bevrijd en overgebracht naar verzamelpunten op Java, werden de vrouwen en kinderen geselecteerd voor hereniging met hun mannen en vaders in Thailand.
Met Engelse en Amerikaanse troepentransportschepen werden zij vervoerd naar Bangkok.

De oorlog in Soerabaja (2)

In het volle Darmokamp hadden alle vrouwen en kinderen van Europese afkomst zich verzameld. Met tegenzin gaven de Indonesische autoriteiten toestemming om konvooien toe te staan van Darmo door de stad (Republikeins gebied) naar de haven Tandjoeng Perak te rijden. Van daar zouden schepen de evacués wegvoeren naar bestemmingen buiten Indonesië.

2 november 1945. Onder grote spanning vertrok het eerste konvooi met vrouwen en kinderen uit Darmo. Zonder incidenten bereikte dit konvooi Tandjung Perak.
3-5 nov. Met grote moed reden de chauffeurs de konvooien dag na dag door de zeer vijandige stad Soerabaja.
6 nov. Het laatste konvooi verliet het verzamelkamp Darmo in het zuiden van Soerabaja. Kort daarop trokken de Brits-Indische troepen uit Darmo zich terug op Tandjong Perak. De veiligheid van ruim 6.000 vrouwen en kinderen was verzekerd. De prijs daarvoor was dat 5.000 mannen achterbleven in gevangenissen en Republikeinse kampen.
Troepentransportschepen ontscheepten manschappen van de 5de Brits-Indische Divisie. Bevelhebber was generaal Mansergh, hij stond aan het hoofd van een divisie die zich nu op volle oorlogssterkte gereed maakte voor acties met infanterie, tanks, artillerie, luchtmacht.
8 nov. Mansergh betoogde dat niet was voldaan aan de eis van het Engelse opperbevel in Batavia om alle wapens in te leveren bij het Britse leger. Hij stelde een 24-uur limiet in.
9 nov. De tijdslimiet verstreek zonder dat aan de eis was voldaan. Radio Soerabaja eiste totaal nationaal verzet.
10 nov. De Britse opmars begon om 6.00 uur in de ochtend. De verbitterde strijd die volgde zou ruim 5 weken duren, voordat de Britten de hele stad in handen kregen.

De oorlog in Soerabaja(1)

De stad Soerabaja stroomde vol met duizenden jongeren uit de omgeving. Aangemoedigd door de ophitsende toespraken van Bung Tomo over radio Pembrontak, overvielen zij massaal de wapendepots van de Japanners, die zonder enige tegenstand te bieden, toekeken.

25 oktober 1945. Landing van de 49ste Brits-Indische Infanterie Brigade, onder bevel van generaal Mallaby.
26 okt. Mallaby in conferentie met dr.Soerio, gouverneur van Oost-Java. Mallaby zet uiteen waarvoor hij kwam, nl. om alle Europese geïnterneerden uit alle kampen te evacueren en alle Japanners te ontwapenen en terug te voeren naar Japan. Met tegenzin kregen de Engelsen toestemming om bruggenhoofden te vestigen.
27 okt. Een zwarte dag! Pamfletten uitgestrooid door een RAF vliegtuig uit Batavia sommeerden alle inwoners van Soerabaja hun wapens in te leveren op straffe van doodschieten. Een fatale blunder!
28 okt. De strijd ontbrandt! Alle verspreid liggende bruggenhoofden van de Britten werden door fanatieke volksmassa’s aangevallen. De hemel boven Soerabaja kleurde bloedrood.
29 okt. Soekarno kwam naar Soerabaja, maar zijn onderhandelingen liepen vast en Soekarno vloog terug. De strijd ging onverminderd door.
30 okt. Indonesische leiders hadden hun greep op het volk verloren. De Britten raakten in het nauw. Mallaby deed een poging om het schieten te stoppen en werd neergeschoten voor het Internatiogebouw Willemsplein.
31 okt. Britten kregen versterking vanuit de haven. Elke man telde. Gouverneur dr.Soerio kreeg volk tot bedaren.
1 november 1945. Britten bedongen een verspreiding over twee stadsgedeelten, in het noorden de haven en in het zuiden om het Darmokamp.

Oorlogshandelingen Gagak Item Bataljon

Tijdens de 1ste Politionele actie werd het Gagak Item Bataljon eveneens ingezet. Zij moesten zich klaarmaken op oorlogssterkte en kregen de dagorder te horen tijdens het avondeten in de kantine. Als elite beroepseenheid kreeg het bataljon de opdracht om de voorhoede gevechten op zich te nemen.

Ingekort verslag:
Om 7.00 uur in de ochtend van 21 juli 1947 begon het Bataljon vanuit Medan aan de opmars naar het Westen. Doel was om Binjei te bereiken. Tussen Bindjei en Medan bevonden zich Republiekeinse troepen die hun al heel lang het leven zuur gemaakt hadden. Allereerst moest Hamperan Perak worden veroverd. Bij het plaatsje Terdjoen werd zware tegenstand ondervonden. Bovendien moesten ze verspreid vuur en landmijnen trotseren. Tegen 16.00 uur was de weerstand bij Terdjoen verbroken. Er waren 5 dodelijke KNIL-slachtoffers te betreuren. Nadat wegversperringen waren opgeruimd konden rond 17.00 uur de pantserauto’s, artillerie en ander gemotoriseerd vervoer doorrijden.
De volgende dag werd Bindjei om 18.00 uur ingenomen.
Bij een Republikeinse tegenaanval ’s avonds verloor een infanterist het leven.
De volgende dag werd een wraakactie ondernomen door 3 van de 4 compagnieën. Maar de vijand was gevlucht en alle desa’s in de omgeving vielen zonder tegenstand in handen van het Bataljon.
Van 24 -25 juli werd het hele gebied tussen Medan en Bindjei gezuiverd. Bij Selesh Banten leverde de vijand zware tegenstand. Gemotoriseerde verkenners troffen daarna het plaatsje Koeala brandend aan.
Op 26 juli werd de bevolking van Koela geëvacueerd naar Bindjei en de bezetting van het gebied overgelaten aan een Nederlands Bataljon.