VS wil gedeeltelijke autonomie voor Papoea

Anno 2009 komt voormalig Nederlands Nieuw-Guinea weer in het nieuws als blijkt dat de Beweging Vrij Papoea nog steeds strijdt voor een vrij Papoea.

(Novum/AP) – Indonesië moet zijn provincie Papoea, voormalig Nederlands Nieuw-Guinea, ‘een zekere mate van autonomie’ toestaan. Dat heeft de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Hillary Rodham Clinton woensdag gezegd. Clinton zei dat de regering-Obama de kwestie bij de Indonesische regering zal aankaarten.
Sinds het in 1962 gesloten Verdrag van New York maakt Papoea deel uit van Indonesië. Er woedt echter al tientallen jaren een opstand, waarbij een grote rol is weggelegd voor de Beweging Vrij Papoea (OPM).
De rebellie kostte naar schatting honderdduizend Papoea’s, eenzesde van de bevolking, het leven.
Clinton zei dat de provincie steun verdient ‘in haar pogingen een mate van autonomie te verkrijgen’.
Zij legde de verklaring af in antwoord op vragen van
F.H. Faleomavaega, een lid zonder stemrecht van het Huis van Afgevaardigden.
Faleomavaega is afgevaardigde van Samoa en een bekend criticus van de Indonesische regering.

Nederland werd in 1962 onder druk van de VS gedwongen Nederlands Nieuw-Guinea af te staan aan Indonesië.

Makassar

Makassar, vanouds het dominante centrum van de handel in het Oosten van Indonesië, kende een beleid van vrijhandel waarbij de nadruk werd gelegd op het recht van elke bezoeker om zaken te doen in de stad. Men handelde in alles wat wenselijk was en iedereen deed mee.

Even na de capitulatie van Japan voelde Makassar erg chaotisch aan, het droeg de klemmende sfeer van een wildwest stadje in het Middenwesten van Amerika in de vorige eeuw. De drukke handelsstad gaf de indruk dat de stedelijke smeltkroes van verschillende bevolkings-groepen het heft in eigen handen nam, de militairen waren bezig de orde te bewaren, de burgers storten zich op uiteenlopende handelsactiviteiten en de bureaucratie nam toe, terwijl iedereen achter het grote geld aanjoeg.
Het vliegveld van Makassar lag op 20 km van de stad af en het vervoer naar de stad geschiedde in open legertrucks die een kleine gewapende militaire escorte kregen vanwege de onveilige route door het gebied. Het opkomend nationalisme ontaarde in fanatiek geweld van de vooral jonge bevolking, de Pemoeda’s.
Op 13 juli 1946 kreeg Nederland van de geallieerden het bestuur van Celebes in handen. Men kreeg onmiddellijk te maken met het geweld van de Pemoeda’s tegen buitenlanders, maar ook de Indonesische bevolking had het zwaar te verduren. Van eenheid was geen sprake, het waren beconcurrerende partijen die ook nog eens samenwerkten met rampokkende benden. Enkele benden in Makassar waren de “Tentara Lipan Badjeng” (het Badjengse Duizendpotenleger) en de “Semoet Merah”(de Rode Mier). Zij gijzelden de eigen bevolking en pleegden moord en doodslag, ontvoering, roof en brandstichting. Kortom, in en rond Makassar heerste de anarchie.

Bangkinang

Uit de Japanse tijd is het stadje Pakan Baroe in Midden-Sumatra bekend geworden doordat Nederlandse en geallieerde krijgsgevangenen onder erbarmelijke omstandigheden een spoor-weg moesten aanleggen. Minder bekend is dat op 50 km verderop langs dezelfde weg het burgerinterneringskamp ‘Bangkinang’ lag.

Bij het plaatsje Bangkinang langs de weg naar Pakan Baroe lag midden in de rubberbossen het burger-interneringskamp ‘Bangkinang’. In feite waren er twee Japanse kampen, een vrouwen en een mannenkamp. Tussen de kampen bevond zich de begraafplaats Koeboeran. Het vrouwenkamp telde ruim 2.200 vrouwen en kinderen, het mannenkamp 970 mannen en jongens.
“Prang ampir habis (oorlog is bijna voorbij)”, fluisterde een goedwillende Japanse bewaker de vrouwen in de moestuin toe. En dat was ook zo, want op 22 augustus werd hun meegedeeld dat Japan had gecapituleerd. Begin september vonden voedseldroppings plaats en nam de RAPWI de regie over.
Eind september kwam de Indonesische revolutie naderbij en de Japanners moesten de kampen nu beschermen tegen de gewelddadigheden van de Pemoeda’s.
Er vonden evacuaties plaats per vliegtuig via Pakan Baroe naar Medan en Palembang. Maar het overgrote deel van de kampbevolking werd in Engelse legertrucks vervoerd naar Padang, dat op 12 oktober door Engelse troepen werd bezet. In Padang werden mannen, vrouwen en kinderen ondergebracht in het grote gebouw van de Landraad en bewaakt door Gurkhas en Indiase Six. Ze mochten het gebouw niet verlaten vanwege het fanatieke Pemoedaregiem in de stad.
De evacuatie naar veiliger oorden als Medan en Djakarta gebeurde per boot rond 11 november 1945.

Generaal Christison

Generaal Philip Christison was in 1943 comman-dant van het 15de Brits-Indische Legerkorps. Het waren zijn troepen die in 1944 aan het Burmafront als eerste in de 2de Wereldoorlog de Japanse aanval tegenhielden en terugdrongen. In sept.1945 kwam hij namens Lord Mountbatton met zijn troepen naar Nederlands-Indië.

Wegens tekort aan mankracht manoeuvreerde Christison zodanig dat hij op Java vier bruggenhoofden in stand kon houden, Batavia, Bandoeng-noord, Semarang en Soerabaja. De Nederlandse krijgsgevangenen uit de Japanse kampen werden via deze enclaves op transport gezet naar Singapore en Bangkok of zaten in beschermde gebieden in Bandoeng, Tjimahi of Batavia. Er ontbraken nog 4.500 Japanse ex-krijgsgevangenen die tegen het bevel in de kampen waren ontvlucht op zoek naar hun families. Deze mannen zaten nu gevangen in Republiekeinse kampen diep in het binnenland, onbereikbaar voor de Britten. Ook waren de Britten nog niet toegekomen aan het ontwapenen en afvoeren van het Japanse 16de leger. De Britten wilden graag hun troepen die al jaren op diverse fronten hadden gevochten eindelijk demobiliseren.
Generaal Christison nam, zonder de Nederlanders hierover in te lichten (die bleven zich toch verzetten tegen samenwerking met de Indonesische regering) zijn besluit om steun van de Indonesiërs te vragen. Hij kreeg steun van Sjahrir en Sjafroeddin die verklaarden dat de Britse taken waren opgedragen door de United Nations en dus als zodanig moesten worden uitgevoerd. Binnen het pas opgerichte Indonesische leger, de TKR, werd tijdelijk de POPDA opgericht, die zich onmiddellijk bezig hield met het vervoer van krijgsgevangenen en Japanners uit de kampen in het binnenland.

Warga Negara in Republikeinse kampen

In de meeste Republikeinse kampen werden de Indo-Europese geïnterneerden geconfronteerd met de keuze die ze moesten maken om de Nederlandse nationaliteit te blijven behouden of om Indonesiër te worden, een keuze tussen “serikat” of “Warga Negara”, tussen in het kamp blijven of vertrekken.

“Er is nog plaats in de Republiek”, schreeuwden de kranten.
Sommigen kozen bewust voor de Indonesische nationaliteit om een aantal redenen: ze gaven hun overtuiging te kennen dat de Indo in Indonesië thuishoort, er geboren en getogen is, op dit land zijn toekomst bouwt en tenslotte in dit land zijn laatste rustplaats zal vinden, dat het bloed dat door de aderen van de Indo stroomt overwegend Indonesisch bloed is en hij moet worden aangemerkt als een zoon van het volk en een kind van Indonesia.
Voor de meeste Indo-Europeanen was het nauwelijks een keuze. Zij hadden in de Japanse tijd al aangegeven niets van gelijkschakeling met de Indonesiërs te willen weten. In hun ogen zou dat een statusverlaging betekenen.
Het leidde tot felle discussies in de kampen, zodanig dat er vechtpartijen ontstonden. Gevolg hiervan was dat WN-sympathisanten (trekkers) aparte huisvesting kregen en in ieder geval werden gescheiden van de “blijvers”.
Het waren niet alleen ideologische redenen om Indonesiër te worden, er waren ook praktische redenen, o.m. de angst bij vertrek alles te moeten verliezen zal groot zijn geweest, de band met de familie zal verbroken worden, het huizenbezit speelde een rol of men wilde in vrijheid gesteld worden om werk te zoeken om zodoende in eigen onderhoud te kunnen voorzien.

Kamp Sawiran

In het kleine Republikeinse kamp in het bergdorp Sawiran aan de weg naar Pasoeroean, waren in drie huizen 145 mannen en jongens ondergebracht. Na hun gevangenschap in de gevangenis van Pasoeroean was het verblijf in Sawiran een aanzienlijke verbetering, hier was het klimaat goed met volop frisse lucht.

En in dit kamp was men gevrijwaard van de luizen, vlooien, kakkerlakken en ander ongedierte.
Het voedsel bleef echter slecht, per persoon 2x per dag 2½ ons half om half gekookte djagoeng-rijst met doorgekookte kangkoeng, af en toe tempé of vlees.
Op een dag werd de kampbevolking bij elkaar geroepen om te luisteren naar een toespraak van de politiechef Sasmidi uit Bangil. In een gloeiend betoog schetste Sasmidi de heerlijkheden die men zou verkrijgen als de keuzemogelijkheid om Nederlander te blijven of Indonesiër te worden, zou doorslaan naar het zg. Warga Negara-schap. In volledige vrijheid zouden herenigde gezinnen in de nieuwe Republiek verder kunnen leven en werken. Hun beroepsmatige kennis van zaken zou uiterst gewaardeerd worden in de jonge Republiek en hun expertise zou dienen om de verdere ontwikkeling van het land omhoog te stuwen.
24 mannen gaven aan dat ze WN-er wilden worden, zij verlieten het kamp in volle vrijheid.
Nadien vroeg een jonge Indonesische politieman van het Sasmiditeam aan een van de Indische Nederlanders:
“Wat doet U, als U het kamp uitkomt en vrij bent om de Nederlandse of Indonesische nationaliteit te kiezen?”
“Ik blijf Nederlander”, was het antwoord.
“Dat is dan jammer voor U, want dan blijft U wat U altijd bent geweest, namelijk geen vlees en geen vis”, sprak de jongeman wijsgerig.

Singapore

Net waren ze ontsnapt aan de oorlog in Soerabaja, de vrouwen en kinderen uit het verzamelkamp in de Darmowijk. De konvooien naar de haven Tandjong Perak ondervonden weinig hinder van de vijandig gezinde Pemoeda’s die met duizenden de stad Soerabaja bevolkten.

Aangekomen in de haven werden vrouwen en kinderen direct overgebracht naar Engelse of Amerikaanse troepentransportschepen. Mogelijk dat ze zagen hoe de 5de Divisie Brits-Indische troepen op volle oorlogssterkte werd ontscheept. Zij waren veilig met circa 6.000 personen door de lange corridor in de Republikeinse stad Soerabaja gekomen.
Velen kregen als bestemming Singapore.
Met landingsvaartuigen werden de repatrianten naar hun schip gebracht. Op de overvolle schepen werd met moeite een plaatsje gevonden. Na een korte zeereis bereikten ze de volgende dag Singapore. Eenmaal aan land ging het in vrachtwagens naar een enorm groot Engels kamp.
Het Wilhelminakamp werd geleid door Nederlandse militairen. Alles was tiptop verzorgd. Zij die hun mannen hadden moeten achterlaten in gevangenschap in Soerabaja kregen hier schone huizen toegewezen. Per persoon kregen ze een veldbed, een deken, een laken, een handdoek en eetgerei. Met de ontvangen spulletjes en het weinige dat ze als bagage bij zich hadden, voelden zij zich rijk én veilig. Er werden ook voedselpakketten uitgedeeld met o.m. blikken met haring in tomatensaus en cornedbeef. Het huis werd schoongemaakt door een Chinese amah.
Maar de meeste vrouwen dachten met smart aan hun mannen in de diverse gevangenissen in Soerabaja. En dat deed heel veel pijn!

Dreigbrief aan Indo’s en Ambonezen

Aan het begin van de onlusten in Batavia eind 1945 en 1946 hadden Soekarno’s jeugdige volgelingen, Pemoeda’s, het vooral gemunt op de Indo-bevolking en Ambonezen. Hun trouw aan de Europese status werd hun fataal en zij moesten er voor boeten.

“. . . Indo’s, thans zegeviert gij. Gij vergeet zeker onze vergiftigde soempits ( vergiftigde pijltjes uit blaaspijp), onze vergiftigde golok’s en krissen? Als wij nu niets doen, dan is dat alleen maar omdat onze grote leider Boeng Karno vrede en orde commandeert.
Denk aan uw toekomst. Gij wilt hier leven, te midden van wakker wordende Indonesiërs! Nica, Van der Plas heeft Inlandse aanhangers, maar dat zegt niets, want die gekke Inlanders zijn reeds geschreven in onze zwarte lijsten en die vinden hun weg naar het hiernamaals.
Weet u, de Yaps trainden duizenden en nog eens duizenden Pemoeda’s. U denkt dat wij van de Yaps houden. Kita bikin abis dengan mereka (wij maken korte metten met hen). . . . . want wat jullie binnen 350 jaar deden, deden de Yaps dat in 3½ jaar, tot wij helemaal werden uitgehongerd en uitgenaakt.
. . . .en nu willen jullie Indo’s, Ambonezen de Djapanners (Japanners) in wreedheid nadoen, in plaats van vrede te zaaien. Door dat moordpolitiek graven jullie je eigen graf! We bedoelen hiermee alle Indo’s en Ambonezen!” Tot zover het pamflet.
De sterk ingekorte brief vervolgde met dreigende kreten als gifslangen in badkamers, kidnappen van kinderen, Goena-Goena, verminkte levende halfdoden, vergif in waterleidingen, en nog veel meer onheil.
De brief werd door Batavia verspreid en zaaide angst onder de bewoners van de buitenwijken. Hij was onder-tekend door “Kromo de Wreker”.

Bersiap in Batavia

Al snel werd Batavia het strijdtoneel voor de eerste confrontaties tussen het oude Nederlands-Indië en de nieuwe Republiek.
Het vrijheidsgevoel onder de jonge Indonesiërs sloeg over in een verblindende haat tegen alles wat Nederlands was.

De uit ex-krijgsgevangenen gevormde KNIL-eenheden trachten zoveel mogelijk op te treden tegen het nu ontstane geweld van de Pemoeda’s en groepen rovende benden uit de kampongs. Op klaarlichte dag vonden slachtingen, verkrachtingen en ontvoeringen plaats onder Nederlanders, Indo-Europeanen en Indonesiërs die verdacht werden van sympathie voor de Nederlanders.
In Batavia verkeerde de chaos!
Het waren vooral de Ambonese KNIL-ers die de strijd aangingen met het gepeupel onder de Pemoeda’s. Door hun fanatieke loyaliteit aan de Nederlandse vlag werden zij het mikpunt van haat. Hun vrouwen werden al te vaak mishandeld en vermoord.
De Ambonezen, zelf Aziaten, wisten dat terreur in Azië met terreur moest worden beantwoord. Het was hard tegen hard. Zij overvielen het Indonesische politiebureau en namen de politiebezetting gevangen. Een andere keer brandden zij een hele kampong af, waarop de hemel ten oosten van het Koningsplein zwart kleurde.
De Ambonese KNIL-peletons waren gelegerd in het 10de Bataljon aan het Waterlooplein, midden in het chaotische en onveilige centrum van Batavia. De gebouwen van dit kamp stonden gegroepeerd om een binnenterrein. Vanuit de klapperbomen buiten het kamp werd gericht geschoten op een ieder die zich op het binnenterrein bevond. Door het korte bladerdak waren de snipers te zien en werden dan ook prompt uit de boom geschoten.

Nakhon Pathom

Na de Japanse capitulatie kregen krijgsgevangenen uit de kampen langs de Birmaspoorlijn hun vrijheid terug. Van hen werd een groot deel getransporteerd naar Nakhon Pathom. Het stadje ligt op 40 km van Bangkok vandaan aan de Birmaspoorlijn. Hier was in 1944 een groot Japans hospitaalkamp gebouwd.

Het Japanse hospitaalkamp in Nakhon Pathom werd na de capitulatie geheel ingericht voor de opvang van de uitgemergelde krijgsgevangenen. De 50 barakken, geheel uit planken gebouwd, boden plaats voor elk 200 man. Hier kregen de mensen medisch onderzoek en verpleging. Engelsen, Amerikanen, Australiërs werden al snel naar hun landen teruggevlogen. 5.000 Nederlanders moesten blijven, zij konden niet naar hun ‘hometowns’ in Indië, vanwege het nieuwe bewind van Soekarno.
Het was in dit kamp dat een apart ingericht Bureau Burger-Geëvacueerden (BBG) van de Militaire Missie in Bangkok ervoor zorgde dat vrouwen en kinderen van deze ex-gevangenen uit het gevaarlijke Java werden geëvacueerd om hier te herenigen met hun mannen en vaders. Opvang en huisvesting gebeurden in 4 kampen, tw. Wilhelminadorp, Emmadorp, Julianadorp en Beatrix-dorp.
Op 12 december 1945 opgericht herbergden de dorpen in totaal 4.640 vluchtelingen, waarvan 2.100 vrouwen, 1.955 kinderen tot 12 jaar, 585 jongeren en mannen. Op 11 september 1946 sloot het kantoor van BBG.
Vanuit de Republikeinse kampen bevrijd en overgebracht naar verzamelpunten op Java, werden de vrouwen en kinderen geselecteerd voor hereniging met hun mannen en vaders in Thailand.
Met Engelse en Amerikaanse troepentransportschepen werden zij vervoerd naar Bangkok.

De oorlog in Soerabaja (2)

In het volle Darmokamp hadden alle vrouwen en kinderen van Europese afkomst zich verzameld. Met tegenzin gaven de Indonesische autoriteiten toestemming om konvooien toe te staan van Darmo door de stad (Republikeins gebied) naar de haven Tandjoeng Perak te rijden. Van daar zouden schepen de evacués wegvoeren naar bestemmingen buiten Indonesië.

2 november 1945. Onder grote spanning vertrok het eerste konvooi met vrouwen en kinderen uit Darmo. Zonder incidenten bereikte dit konvooi Tandjung Perak.
3-5 nov. Met grote moed reden de chauffeurs de konvooien dag na dag door de zeer vijandige stad Soerabaja.
6 nov. Het laatste konvooi verliet het verzamelkamp Darmo in het zuiden van Soerabaja. Kort daarop trokken de Brits-Indische troepen uit Darmo zich terug op Tandjong Perak. De veiligheid van ruim 6.000 vrouwen en kinderen was verzekerd. De prijs daarvoor was dat 5.000 mannen achterbleven in gevangenissen en Republikeinse kampen.
Troepentransportschepen ontscheepten manschappen van de 5de Brits-Indische Divisie. Bevelhebber was generaal Mansergh, hij stond aan het hoofd van een divisie die zich nu op volle oorlogssterkte gereed maakte voor acties met infanterie, tanks, artillerie, luchtmacht.
8 nov. Mansergh betoogde dat niet was voldaan aan de eis van het Engelse opperbevel in Batavia om alle wapens in te leveren bij het Britse leger. Hij stelde een 24-uur limiet in.
9 nov. De tijdslimiet verstreek zonder dat aan de eis was voldaan. Radio Soerabaja eiste totaal nationaal verzet.
10 nov. De Britse opmars begon om 6.00 uur in de ochtend. De verbitterde strijd die volgde zou ruim 5 weken duren, voordat de Britten de hele stad in handen kregen.

De oorlog in Soerabaja(1)

De stad Soerabaja stroomde vol met duizenden jongeren uit de omgeving. Aangemoedigd door de ophitsende toespraken van Bung Tomo over radio Pembrontak, overvielen zij massaal de wapendepots van de Japanners, die zonder enige tegenstand te bieden, toekeken.

25 oktober 1945. Landing van de 49ste Brits-Indische Infanterie Brigade, onder bevel van generaal Mallaby.
26 okt. Mallaby in conferentie met dr.Soerio, gouverneur van Oost-Java. Mallaby zet uiteen waarvoor hij kwam, nl. om alle Europese geïnterneerden uit alle kampen te evacueren en alle Japanners te ontwapenen en terug te voeren naar Japan. Met tegenzin kregen de Engelsen toestemming om bruggenhoofden te vestigen.
27 okt. Een zwarte dag! Pamfletten uitgestrooid door een RAF vliegtuig uit Batavia sommeerden alle inwoners van Soerabaja hun wapens in te leveren op straffe van doodschieten. Een fatale blunder!
28 okt. De strijd ontbrandt! Alle verspreid liggende bruggenhoofden van de Britten werden door fanatieke volksmassa’s aangevallen. De hemel boven Soerabaja kleurde bloedrood.
29 okt. Soekarno kwam naar Soerabaja, maar zijn onderhandelingen liepen vast en Soekarno vloog terug. De strijd ging onverminderd door.
30 okt. Indonesische leiders hadden hun greep op het volk verloren. De Britten raakten in het nauw. Mallaby deed een poging om het schieten te stoppen en werd neergeschoten voor het Internatiogebouw Willemsplein.
31 okt. Britten kregen versterking vanuit de haven. Elke man telde. Gouverneur dr.Soerio kreeg volk tot bedaren.
1 november 1945. Britten bedongen een verspreiding over twee stadsgedeelten, in het noorden de haven en in het zuiden om het Darmokamp.

Oorlogshandelingen Gagak Item Bataljon

Tijdens de 1ste Politionele actie werd het Gagak Item Bataljon eveneens ingezet. Zij moesten zich klaarmaken op oorlogssterkte en kregen de dagorder te horen tijdens het avondeten in de kantine. Als elite beroepseenheid kreeg het bataljon de opdracht om de voorhoede gevechten op zich te nemen.

Ingekort verslag:
Om 7.00 uur in de ochtend van 21 juli 1947 begon het Bataljon vanuit Medan aan de opmars naar het Westen. Doel was om Binjei te bereiken. Tussen Bindjei en Medan bevonden zich Republiekeinse troepen die hun al heel lang het leven zuur gemaakt hadden. Allereerst moest Hamperan Perak worden veroverd. Bij het plaatsje Terdjoen werd zware tegenstand ondervonden. Bovendien moesten ze verspreid vuur en landmijnen trotseren. Tegen 16.00 uur was de weerstand bij Terdjoen verbroken. Er waren 5 dodelijke KNIL-slachtoffers te betreuren. Nadat wegversperringen waren opgeruimd konden rond 17.00 uur de pantserauto’s, artillerie en ander gemotoriseerd vervoer doorrijden.
De volgende dag werd Bindjei om 18.00 uur ingenomen.
Bij een Republikeinse tegenaanval ’s avonds verloor een infanterist het leven.
De volgende dag werd een wraakactie ondernomen door 3 van de 4 compagnieën. Maar de vijand was gevlucht en alle desa’s in de omgeving vielen zonder tegenstand in handen van het Bataljon.
Van 24 -25 juli werd het hele gebied tussen Medan en Bindjei gezuiverd. Bij Selesh Banten leverde de vijand zware tegenstand. Gemotoriseerde verkenners troffen daarna het plaatsje Koeala brandend aan.
Op 26 juli werd de bevolking van Koela geëvacueerd naar Bindjei en de bezetting van het gebied overgelaten aan een Nederlands Bataljon.

Het Medan-bataljon

Het door de Japanners ontbonden KNIL in Medan opende een wervingskantoor waar voormalige KNIL-militairen zich konden melden voor actieve dienst. En zij kwamen, de op nonactief gestelden, maar ook zij die uit Japans gevangenschap terug keerden kregen hun militaire status terug.

Op 15 april 1946 werd uit de in Medan aanwezige militairen het ‘Medan Bataljon’ geformeerd.
De sterkte bedroeg 4 infanterie compagnieën, een ondersteuningscie en een Stafcie.
Intussen vormden grote groepen Pemoeda’s, gewapend met Japanse wapens, een ernstige bedreiging voor de samenleving in Medan. Zij keerden zich tegen alles wat meer had dan zij, ook al waren het Indonesische onderdanen. Het gezag in Sumatra was weggevallen en er was geen centraal bestuursorgaan dat de macht overnam. Rampok en moord heersten overal in Medan.
De ernstigste bedreiging vormde deze fanatieke Pemoeda’s voor de eens zo machtige Inheemse regenten uit de Nederlandse tijd. Van hen werden al enkelen vermoord. Zo werd het paleis van de Sultan van Deli in Medan omsingeld door een tot haat opgefokte menigte. Er waren al familieleden vermoord.
Door snel ingrijpen van het Medan-bataljon werd de Sultan en zijn familie gered en in veiligheid gebracht.
Door hun snelle en felle optreden naar buiten, ondersteund door hun eigen afdeling pantserwagens en tanks, dwongen zij respect af bij hun talrijke tegenstanders. Hun vlag droeg de afbeelding van een zwarte raaf. Naar het Inheemse geloof verschijnt de zwarte raaf (Gagak Item) op het strijdtoneel altijd als voorbode van de dood. Deze symboliek werd overgenomen in de naam van het bataljon, het werd dan ook gevreesd als het ‘Gagak Item Bataljon’.

De tragedie van Depok

Johan Fabricius was oorlogscorrespondent van de Times. Hij vertoefde in Batavia in de tijd dat de eerste Engelsen na de capitulatie van Japan op Java werden gedropt. Hij werd de centrale figuur die in Depok ruim 1000 vrouwen, kinderen en oude mannen bevrijde uit handen van de Pemoeda’s.

Johan Fabricius kreeg van vluchtelingen te horen dat Depok, een plaatsje tussen Buitenzorg en Batavia, volledig werd verwoest door Pemoeda’s en dat er moord-patijen, vernielingen, martelingen en roofpartijen plaats- vonden. Depok werd bewoond door een Christelijke bevolking van circa 5000 personen.
Fabricius besloot onmiddellijk poolshoogte te nemen. Hij liet zich begeleiden door een dertigtal Britse soldaten van het Gurkha-regiment in Buitenzorg.
Toen hij arriveerde leek het dorp uitgestorven, maar de onwaarschijnlijk grote vernielingen aan huizen was duidelijk zichtbaar.
Op zijn vraag waar iedereen was, verwees een eenzame dove man in het dorp hem naar het gemeentehuis. Bij het openbreken van de voordeur trof hij tot zijn ontzetting een opgepakte massa van circa 1000 vrouwen, kinderen en enkele oude mannen aan. Zij zaten gedurende 4 lange dagen opgesloten. Met holle ogen van te weinig slaap, versuft door angstige voorgevoelens vanwege de voortdurende verwensingen en bedreigingen van de Pemoeda’s, gescheiden van hun mannen die elders in gevangenschap doorbrachten en smachtend naar eten of drinken hielden zij zich zo stil als mogelijk was.
Gurkha konvooien brachten hen in veilige kampen in Buitenzorg. Zij waren net op tijd gered want de Pemoeda’s wilden het gemeentehuis in brand steken.

Soetan Sjahrir

Soetan Sjahrir was geboren in Padang Pandjang West Sumatra op 5 maart 1909. Hij studeerde in Medan en Bandoeng voor hij in 1929 in Leiden aan een rechtenstudie begon. In Holland kwam hij in aanraking met nationalisme, liberalisme en democratie. Zonder zijn studie af te maken keerde hij in 1931 terug naar Indonesië.

Vanwege zijn nationalistische activiteiten werd Soetan Sjahrir in 1934 door de Indische regering gevangen gezet eerst in Boven-Digoel en later tot 1941 in Banda.
In de Japanse bezettingstijd sloten Soekarno en Hatta compromissen met de Japanners, maar was Sjahrir bezig met een ondergrondse beweging zich voor te bereiden op de onafhankelijkheid van Indonesië. In november 1945 werd Sjahrir door Soekarno benoemd tot eerste Premier. In die tijd hield hij zich bezig met zoveel mogelijk internationale erkenning voor zijn land te verwerven.
Hij schreef in 1945 in zijn pamflet Perdjoeangan Kita (onze strijd):
“Elke nationalistische beweging die zich door vreemdelingenhaat laat meeslepen en bedwelmen en daaruit haar kracht wil putten, zal tenslotte de gehele wereld en de gehele mensheid tegenover zich vinden.
De nationale hartstocht, die oorspronkelijk een krachtbron voor de beweging kan zijn, zal op dood spoor komen om tenslotte onder te gaan in een roes van zelfvernietiging.
Onze kracht moet bestaan in het kweken van gevoelens van rechtvaardigheid en menselijkheid.
Alleen een nationalisme, dat gedragen, wordt door deze gevoelens van rechtvaardigheid en menselijkheid, kan ons in de wereldgeschiedenis vooruit brengen”.

De strijd om Ambarawa en Bandjoebiroe.

Tussen 20 november en 1 december vond er een zware strijd plaats in de omgeving van de 6 grote ex-Japanse interneringskampen in Ambarawa en Bandjoebiroe. Ondanks zware tegenstand lukte het de Britten om bewoners uit enkele meest bedreigde ex-Japanse kampen over te brengen naar het overvolle fort Willem 1.

Grote groepen Pemoeda’s vielen de kampen aan. Met mortieren werden de kampen bestookt. Water- en elektriciteitsvoorzieningen van de kampen werden afgesneden en doordat ook de wegverbinding tussen Ambarawa en Semarang werd geblokkeerd, werden de kampen dagelijks door Britse Dakota’s uit de lucht bevoorraad.
De Britten konden Indonesische aanvallen op Ambarawa- en Bandjoebiroe-kampen afslaan.
Met versterkingen uit Semarang werd nu fort Willem 1 veroverd op de BKR. Het fort werd onder leiding van de Britten vervolgens een beschermingskamp voor gevluchte omwonenden en ex-Japans geïnterneerden uit de meest onveilige kampen in Ambarawa en Bandjoebiroe.
Na de 27ste november laaide de strijd weer op. Flinke Indonesische versterkingen uit Salatiga en Magelang rukten op. Met groot geschut namen de Indonesiërs de kampen 6, 7 en 10 én het fort Willem 1 onder vuur. Met luchtaanvallen werd dit geschut tot zwijgen gebracht en verkreeg men weer controle over de konvooiweg Bandjoebiroe- Ambarawa-Semarang.
Begin december begonnen de Britten met de evacuatie van ex-Japanse geïnterneerden (1.500) uit Bandjoebiroe naar Semarang. Direct daarop gevolgd door een contingent van APWI’s, IFTU’s en Chinezen (7.700) uit Ambarawa. Op 14 december werden de laatste Britse troepen uit Ambarawa teruggetrokken.

Piekirans van een Indo

Ook de Indonesische bevolking had veel te lijden: dwangarbeid en hongersnood richtten een slachting aan onder de miljoenen Indonesiërs. Die periode wakkerde het verlangen naar onafhankelijkheid bij de jonge Indonesiërs sterk aan. Japanners leerden hen hoe vreemdelingen te haten. Die fanatieke haat werd later de kracht van de onstuimige revolutie van Indonesië.

De Japanse bezetter gaf in Zuidoost-Azië de nationalistische leiders in diverse landen een belangrijk aandeel in het landsbestuur, waardoor hun prestige bij de inheemse bevolking enorm steeg.
De Nederlandse regering is steeds ongevoelig gebleven voor het groeiende Indonesisch nationalisme.
De Japanners gaven uit eigen belang wel de hulp die Indonesië onafhankelijk maakte van Nederland.
Sterker nog, de wereld trok Indonesië los uit de grimmige greep van Nederland en liet haar opgaan in de vaart der volkeren.
“Tabé Nederland. Wij gaan nu doen wat jullie voorheen hebben gedaan, wij plaatsen alle vrijheidslievende volkeren binnen de archipel, ondermeer Atjehers, Molukkers, Dajaks en Papoea’s, onder één Javaanse alleenheerschappij.
Oh ja, en neem je nakomelingen in dit land ook maar mee terug. Wij willen ze niet meer, hun typisch Nederlandse arrogantie en loyaliteit verpest onze vrijheid”.
En zo viel de eeuwenoude stamboom van de Indo-Europese bevolkingsgroep ten prooi aan grof geweld. Geheel beroofd van have en goed verhuisden haar loten noodgedwongen als landlopers naar Nederland.

Een kade in Indonesië, een Nederlands passagiersschip, het laatste beeld van ons geboorteland.

Britse militairen in Semarang

Als gevolg van snelle noodzakelijke hulp aan de ruim 20.000 ex-Japanse geïnterneerden in en om Semarang besloot Lord Mountbatten op Java een derde bruggenhoofd te vestigen in de havenstad Semarang in Midden-Java.

Op 19 oktober 1945, de dag dat Majoor Kido de controle over Semarang had bevochten, landde in de vroege ochtend het eerste Britse contingent militairen in het havengebied. Het was het 3rd Battalion 10th Princess Mary’s Own Gurkha Riffles (3/10 Gurkha Riffles) dat door een misverstand direct in een hevig, 5 uren durend vuurgevecht verwikkeld raakte met de Japanse troepen van Kido. Na beëindiging van de strijd werd Majoor Kido onder Brits bevel geplaatst.
De 3/10 Gurkha Rifles werden later versterkt door enkele compagnieën van 2/19 Hyderabad en 5/8 Punjab en vanuit Jakarta de 5Th Parachute Brigade. Samen met enkele artillerie- en cavalerie-eenheden was dit de Britse macht in Midden-Java.
Deze uit verschillende divisies samengestelde, ijlings geïmproviseerde en niet al te sterke Britse troepenmacht
moest in de uiterst roerige driehoek tussen Magelang, Salatiga en Semarang de orde handhaven. Bovendien lagen binnen dit gebied de grootschalige ex-Japanse interneringskampen Ambarawa en Bandjoebiroe.

Met Semarang als brandhaard van Indonesisch verzet en een overmacht aan fanatieke strijdgroepen Pemoeda’s uit heel Midden-Java tegenover zich, moest het Britse leger alle zeilen bijzetten om de ex-Japanse geïnterneerden en andere geïnterneerden in de overvolle kampen in Ambarawa en Bandjoebiroe te beschermen tegen vijandige stormaanvallen.

Majoor Kido ( zijn 5-daagse strijd)

Na de capitulatie van Japan bevond zich in Semarang het Japanse bataljon van majoor Kido. De troepen hadden zich teruggetrokken in hun kampement Djatingaleh in het zuiden van de stad en wachtten op geallieerde begeleiding bij hun evacuatie naar Japan.

Begin oktober verslechterde de situatie in Semarang. Het werk van de RAPWI ondervond zware tegenstand van de Pemoeda’s. Deze vormden overal in de stad checkpoints, het verkeer werd geblokkeerd, de spoorweg werd geblokkeerd zodat voedselvoorraden alleen nog via het vliegveld de stad konden bereiken, alle telefoonlijnen met de rest van Java werden afgebroken.
Majoor Kido besloot op te treden! In alle vroegte op 15 oktober 1945 verlieten de Japanners in twee collones hun barakken. De rechter colonne zuiverde het gebied Djomblang en de troepen bereikten de 3 APWI-kampen om deze veilig te stellen voor aanvallen door Indonesiërs. Onder heftig vuur van machinegeweren en snippers bereikte de linkercolonne het centrum van de stad, overmeesterde het hoofdkwartier van de BKR en trok verder noordwaarts om vervolgens alle belangrijke openbare gebouwen te zuiveren. Met antitankgeschut werd de volgende morgen het RAPWI hoofdkwartier veroverd. Beide colonnes vochten verwoed tegen een overmacht aan Pemoeda’s die uit heel Midden-Java waren toegestroomd. Op 17 oktober bereikten de colon-nes elkaar. Kido begon aan de zuivering van de stadskampongs en het havengebied en op 19 oktober had hij de stad met 1100 man onder controle. Intussen had een groep Kempeitai militairen op bevel van Kido de Boeloegevangenis ontzet waar ze 85 vermoorde Japan-ners en 1200 geïnterneerde Europeanen aantroffen.
De 5-daagse strijd in Semarang was voorbij.

Semarang

In Semarang bevond zich het RAPWI-hoofdkwar-tier voor Midden-Java, dat de belast was met de zorg over de ex-Japanse interneringskampen in Semarang, de vrouwenkampen Halmahera en Lampersari-Sompok, het mannenkamp Bangkong en kampen in Ambarawa en Bandjoebiroe.

Het grootste deel van de havenstad Semarang ligt in de droge vlakte aan de noordkant van Midden-Java aan de Javazee. Drie km landinwaarts bevindt zich op de heuvel Gombel het hoger liggende, koelere woongebied. Op een afstand van 4 km ten westen van het centrum van Semarang ligt het vliegveld. Van hieruit vertrokken de Dakota’s met ex- Japanse geïnterneerden naar Jakarta. Er woonden in 1945 ongeveer 185.000 Indonesiërs, 40.000 Chinezen en naar schatting ongeveer 5000 Europese burgers.

Zoals overal op Java namen radicale jongeren de macht in handen. Gewapende Pemoeda’s liepen schreeuwend door de straten en namen bezit van de openbare diensten in Semarang. Ook het RAPWI-personeel werd lastig gevallen bij de hulpverlening.
De onrust nam toe toen de Pemoeda’s op zoek gingen naar wapens van de Japanners. Gesterkt door het succes in Soerabaja, waar Japanners vrijwillig op grote schaal hun wapens inleverden, eisten zij en kregen zij wapens van de Japanse generaal Nakamura in Magelang.
Inmiddels begonnen de interneringen van 2.700 buiten de kampen verblijvende (Indo)-Europeanen, Ambonezen, Menadonezen. Allen kregen een onderkomen in de Djoernatan-, de Mlaten en de Boeloegevangenis.
In de gevangenissen was het een komen en gaan van al of niet radicale groepen Pemoeda’s, die wel of niet een beschermende taak uitoefenden. Een werkelijk zeer beangstigende situatie voor alle geïnterneerden.

Interneringen in Buitenzorg

Begin oktober heerste in Buitenzorg een zeer gespannen sfeer, de macht lag in handen van het Pemoeda ‘Volksfront’ dat zich fel keerde tegen de Nederlandse gemeenschap. De (Indo)-Europese mannelijke bevolking werd door de BKR in de gevangenis Pledang opgesloten.

In de Pledang gevangenis werden ook de mannen uit de Christengemeenschap in het naburige Depok onder-gebracht. Onderweg werden 12 van hen vermoord. De rest van de groep uit Depok werd later weer uit hun cellen gehaald en om het leven gebracht.
Intussen werden door de gespannen situatie met de Pemoeda’s, zoveel mogelijk vrouwen uit de Nederlandse gemeenschap door de BKR naar het Ursulinenklooster gedirigeerd. Ook de vrouwen uit Depok, die door Gurkha’s uit handen van radicale Pemoeda’s werden bevrijd, kregen een plek in het klooster.
In Jakarta besliste het Britse opperbevel dat i.v.m. de alarmerende berichten over kidnapping, moord en doodslag van Pemoeda’s op Europeanen in Bandoeng en Buitenzorg, die twee steden tot Brits bruggenhoofd te maken. Bovendien was het een Britse taak om zorg te dragen voor de grote concentratie APWI, ex- Japanse krijgsgevangenen en burgers, in Bandoeng.
Het eerste detachement Gurkha Rifles dat op 14 oktober in Buitenzorg aankwam, bevrijdde ruim 800 (Indo)-Europeanen uit hun benarde situatie in de Pledang gevangenis. Deze ex-geïnterneerden werden in de beschermde wijk Gedong Halang ondergebracht.
Het bleef onveilig. Er werd op de kampen geschoten. Dat veranderde toen meer Britse troepen binnenstroomden.
Vanaf 23 oktober kregen 2.200 (Indo)Europeanen uit Soekaboemi een veilige haven in de Buitenzorgse kampen Gedong Halang en het 14de Bataljon.

Bandoeng onder Brits gezag

Op 17 oktober 1945 kwam de 37ste Indiase infanterie-brigade van brigadier N. MacDonald in Bandoeng aan. Andere eenheden volgden kort daarna en op 1 november was Bandoeng een Brits bruggenhoofd.

Al snel werd het duidelijk dat de Britten met een veel te kleine troepenmacht moeite hadden om hun officiële taak in Bandoeng te vervullen, namelijk het zorgdragen voor de ex-Japanse krijgsgevangenen en geïnterneerden (APWI). De duizenden Indo-Europeanen in en buiten Bandoeng werden niet beschermd, noch door de Britten, noch door de Japanners.
Echter, door de terreur van Pemoeda’s in de buitenwijken ontstonden grootscheepse vluchtelingenstromen, waaronder ook vele Chinezen, die allen de bescherming zochten van het Britse leger.
De situatie in Bandoeng verslechterde. Op het meest kritieke moment stelde MacDonald in een ultimatum aan de gouverneur van West-Java voor om de spoorlijn die Bandoeng in tweeën deelde als demarcatielijn te gebruiken. Alle Indonesiërs woonachtig in Noord- Bandoeng moesten verhuizen naar Zuid-Bandoeng. Tussenkomst van de centrale Indonesische autoriteit in Jakarta was nodig om tot een compromis te komen.
Op 29 november 1945 begon de volksverhuizing.
Om het noordelijk deel van Bandoeng werd een cordon gelegd van Brits-Indiase en Japanse militairen. Tot 24 maart 1947 zou Bandoeng een verdeelde stad blijven.
Toch bleef het nog onveilig in dit beschermde deel van Bandoeng. Er verdwenen nog steeds mensen, maar ook werd bekend waar mensen zaten opgesloten.
Pas toen militaire versterkingen naar Bandoeng werden gestuurd, herstelde het sociale leven zich enigszins.

Mabuchi Itsuo

In het onrustige en onveilige Bandoeng tijdens de Bersiapperiode, waar het gezag door de capitulatieorder van Lord Mountbatten in handen was gelegd van de Japanse troepen ter plaatse, kregen de Pemoeda’s vrij spel om hun agressie tegen de Nederlanders te botvieren.

De Japanse bevelhebber in West-Java, generaal-majoor Mabuchi Itsuo, een veteraan uit de oorlog met China en de Japanse veroveringen van Ambon en Nieuw-Guinea, speelde in het door Pemoeda’s beheerste Bandoeng noodgedwongen een grote rol in het scheppen van orde in de stad. Aanvankelijk onthield hij zich ervan tegen de gewelddadigheden van Pemoeda’s in Bandoeng op te treden. Pas toen de Pemoeda’s het door Japanners bewaakte vliegveld Andir veroverden kwam hij in actie. Andir was namelijk van cruciaal belang voor de voedselbevoorrading van heel Bandoeng en dus moest de luchtbrug met Batavia voor inwoners en Japanse troepen worden veilig gesteld.
Toen op 10 oktober een grote menigte het Kempeitai- gebouw in Noord-Bandoeng aanviel, kennelijk met de bedoeling om Japanse wapens in beslag te nemen, riep Mabuchi de Pemoeda-leiders in het gebouw om te onderhandelen. Eenmaal binnen werden de leiders met bajonetten gedwongen zich over te geven. Even later werden de leiders in tanks geplaatst met de opdracht het volk tot rust te manen en vooral de Japanners niet meer aan te vallen. Tegelijkertijd vielen Japanners het hoofdkwartier van de KNI en de BKR binnen. Ook Andir werd heroverd. De Japanse troepen barricadeerden de invalswegen van Bandoeng en namen posities in op verschillende punten van de stad. Bandoeng was weer onder militaire controle. Later bleek dat Mabuchi volkomen op eigen initiatief had gehandeld.

NICA

Op 3 april 1944 werd in Australië de NICA (Netherlands Indies Civil Administration) opgericht. De organisatie was verantwoordelijk voor het burgerlijk bestuur en de rechtspraak in de Nederlands-Indische gebieden die op de Japanners heroverd werden.

Luitenant-Gouverneur-Generaal H.J. van Mook en generaal Douglas MacArthur, opperbevelhebber SWPA, kwamen begin 1944 overeen dat de Amerikaanse troepen in de heroverde gebieden van Nederlands-Indië voor de bestuurstaken de NICA zou inzetten.
Het personeel van de NICA was militair of gemilitariseerd en droeg een uniform.
In april 1944 gingen de eerste NICA-detachementen aan land in Nieuw-Guinea (Hollandia, Biak, Noemfoer en Manokwari), de Molukken (Morotai) en Borneo (Tarakan en Balikpapan).
Bekend werd dat na 15 augustus 1945 Nederlands-Indië (minus Sumatra) naar het Britse bevelsgebied van SEAC werd overgeheveld.
De herbezetting van Borneo, Celebes, de Molukken en de andere eilanden in Oost-Indonesië was nu een Australische en de herbezetting van Sumatra, Java, Bali en Lombok een Britse verantwoordelijkheid.
Op 24 augustus werd daarom met de Britten een nieuwe Civil Affairs Agreement gesloten.
In september 1945 kwamen de eerste NICA-vertegen-woordigers in Batavia aan.
Omdat de Indonesiërs fel reageerden op de komst van de NICA (met in de naam Netherlands Indies) werd in januari 1946 de naam gewijzigd in AMACAB (Allied Military Administration, Civil Affairs Branch). Ondanks haar naam bestond de organisatie volledig uit Nederlands-Indische ambtenaren.

APWI en IFTU


In april 1946 sloten de Indonesische autoriteiten met de Britse legerleiding op Java een formeel akkoord over de evacuatie van alle geïnter-neerden vanuit republikeins gebied naar de steden. De Nederlandse autoriteiten werden buiten de besprekingen gehouden.

De eerste Brits-Indonesische bespreking van 9 januari 1946 ging over de begeleiding van APWI uit de binnenlandse kampen door POPDA-manschappen.
Het begrip APWI werd als volgt gedefinieerd: alle ex-Japanse geïnterneerden (dus alle Allied Prisoners of War and Internees). Tegelijk werd onder dezelfde noemer geplaatst de nieuwe groep geïnterneerde Indo-Europeanen die door de Engelsen IFTU (Inhabitants Friendly To Us) werden genoemd.
Dat betekende dat onder het begrip APWI werd begrepen alle totoks en Indo-Europeanen uit Japanse interneringskampen én totoks en Indo-Europeanen die tijdens de Bersiap in Republiekeins kampen waren ondergebracht. In de laatste drie maanden van 1945 werden in totaal circa 46.000 mannen, vrouwen en kinderen geïnterneerd.
Onder de groep van 46.000 personen bevonden zich circa 4.500 blanke Nederlanders (totoks). Na de Japanse capitulatie op 15 augustus hebben zij het geallieerde bevel om in de kampen te blijven genegeerd en zijn op eigen houtje naar hun oude woningen in republikeins gebied teruggekeerd om vervolgens opnieuw te worden geïnterneerd tijdens de Indonesische interneringen in de Bersiap periode.
De Indonesische organisatie POPDA (Panitia Oeroesan Pengangkoetan Djepang dan APWI – Organisatie voor de evacuatie van Japanners en APWI) was nu verantwoordelijk voor de evacuaties.

RAPWI in Indonesië

In februari 1945 werd de organisatie “Recovery of Allied Prisoners of War and Internees” (RAPWI) opgericht. Admiraal Lord Mountbatten, opperbevelhebber van South East Asia Command (SEAC) beoogde hiermee om RAPWI-teams in te zetten achter de oprukkende geallieerde troepen.

De RAPWI-teams kregen de opdracht om de opvang van krijgsgevangenen en geïnterneerden te verzorgen. Met de plotselinge capitulatie van Japan moest in het hele bevelsgebied van SEAC gelijktijdig alle hulp worden geboden.
Nadat men van de Japanse commandanten op Java en Sumatra de verzekering had gekregen dat zij zich aan het capitulatiebevel zouden houden (handhaving van rust en orde), kwam op 28 augustus de RAPWI op gang. Zowel kampbewoners als Japanners kregen instructies via boven de kampen uitgeworpen pamfletten. Daarna werden contactteams gedropt bij de interneringskampen.
Het eerste team o.l.v. majoor A.G. Greenhalgh landde op 8 september in Batavia. Daarna volgden RAPWI-teams in Magelang, Soerabaja, Bandoeng en Semarang.
Op Sumatra liep de zaak op rolletjes na voorbereidend werk van teams uit het Korps Insulinde. RAPWI-teams leidden de evacuaties vanuit de kampen naar Padang, Medan en Palembang. Eind november waren alle kampen ontruimd.
Op Java werd het werk van de RAPWI-teams in een snel verslechterende politieke situatie bemoeilijkt door het Pemoeda-geweld tegen Nederlanders en Indo’s. Toen in oktober Indonesiërs met Britten en Japanners in strijd raakten, stagneerden de evacuaties vanuit de kampen naar de inmiddels gevormde Engelse bruggenhoofden op Java. Alleen met hulp van goedwillende Indonesische voormannen werd enige voortgang geboekt.

Engelse troepen naar Indië

Pas op 28 september gaan de eerste Britse en Indiase eenheden aan land in Batavia. Mountbatten stuurt drie divisies naar Nederlands-Indië: de 23ste Indian Division en 5de Indian Division gaan naar Java, de 26ste Indian Division naar Sumatra.
Door de politiek explosieve situatie besluit Mountbatten af te zien van de voorgenomen herbezetting van het eiland Java en Sumatra. Hij besluit alleen bruggenhoofden te bezetten (de key-area strategie): Batavia en Soerabaja op Java en Padang, Medan en Palembang op Sumatra. Later worden daar op Java Bandoeng, Buitenzorg en Semarang aan toegevoegd.

De Britse en Indiase troepen zijn er om twee taken uit te voeren: het geven van hulp (voedsel, medicamenten, hulp aan zieken, kleding, enz) aan de ex-geïnterneerden in de Japanse kampen en de evacuatie van de Japanners.
Onder geen beding mogen de troepen worden ingezet tegen de jonge Republiek Indonesië. Om een escalatie te voorkomen verbiedt Mountbatten op 19 november bovendien de landing van Nederlandse troepen op Java en Sumatra.

De Onwankelbare staat Indonesië

In het boekje “Van proclamatie tot onwankelbare staat”, gepubliceerd door de Ambassade van de Republiek Indonesië in Nederland, uitgave 2002”, valt de term onwankelbaar ietwat vreemd op.

De subtitel “De Republiek Indonesië van 1945-1950”, geeft aan dat het boekje handelt over de uiterst wankele, gewelddadige beginperiode van Indonesië op weg naar een onafhankelijke staat. Het beschrijft die periode waarin men nog hevige strijd leverde met de Nederlanders, terwijl men intussen ook intern bezig was met de uitwerking van de staatkundige grondbeginselen voor de nieuwe staat Indonesië, zoals die in 1945 hun beslag kregen in de nieuwe Grondwet, bekend als de UUD 1945 (Undang- Undang Dasar 1945).
Het boekje vermeldt dat in die zomer van 1945 men vastberaden was over de onafhankelijkheid. Naar later bleek, veel vastberadener dan de Nederlanders en de oprukkende geallieerden vermoedden.
Voorbij gegaan wordt aan de drie jaren Japanse bezetting, die het Indonesische volk grondig hadden veranderd. De Japanners betrokken de Indonesische intelligentsia veel meer bij het bestuur dan de Nederlanders hadden gedaan, het zelfvertrouwen van die groep nam toe. De landelijke bevolking werd veel wreder uitgebuit dan de Nederlanders ooit gedaan hadden, de haat tegen overheersing nam toe. Daar kwam nog bij dat de Nederlanders indirect hadden geregeerd d.m.v. de inheemse adel. De Japanners heersten direct tot diep in elke kampong en vernielden daarmee het effect van het traditionele gezag door de regentenklasse. Nooit eerder was de bevolking bereid om te strijden voor een onwankelbare onafhankelijkheid.

Rapwi

De RAPWI (Recovery Allied Prissoners of War and Internees) slaagde erin op Java en Sumatra 23.250 ex-Japanse geïnterneerden op te vangen en te verzorgen. Op 26 januari 1946 wordt de RAPWI op Java officieel opgeheven, hulpdiensten vielen onder AMACAB, een Nederlandse bestuursorganisatie, voorheen NICA.

Pas na de komst van de eerste RAPWI-teams lopen de spanningen op en vinden steeds meer incidenten plaats. Eind september 1945 nemen Indonesische jongeren (pemoeda’s) in Djokjakarta, Solo, Malang, Bandoeng, Soerabaja, Batavia de publieke diensten en overheidsgebouwen over van het Japanse bestuur. Tegelijkertijd wordt een algemene voedselboycot afgekondigd tegen Europeanen en wordt de toevoer van water en elektriciteit naar de interneringskampen afgesneden.
Eind september breekt de Bersiap in alle heftigheid uit. In de grote steden op Java vinden in de maanden oktober, november en december 1945 aan de lopende band ontvoeringen (verdwijningen), beschietingen, berovingen en moorden plaats. Vooral Indo-Europese, Chinese en Molukse families die buiten de kampen verblijven, ongewapend zijn en verspreid van elkaar wonen, zijn slachtoffer van het geweld. De Bersiap bereikt een hoogtepunt in de laatste weken van oktober en in de maand november. In die periode zijn Britse troepen in gevechten verwikkeld met Indonesiërs in Midden-Java en in Soerabaja. Eind december 1945 slagen de Britse troepen in Batavia erin de rust te herstellen maar in Bandoeng blijft het tot maart 1946 onrustig. De schatting van het aantal burgerslachtoffers tijdens de Bersiap loopt sterk uiteen: over heel Java zouden in de drie laatste maanden van 1945 tussen de 3.500 en 20.000 doden zijn gevallen.