VS wil gedeeltelijke autonomie voor Papoea

Anno 2009 komt voormalig Nederlands Nieuw-Guinea weer in het nieuws als blijkt dat de Beweging Vrij Papoea nog steeds strijdt voor een vrij Papoea.

(Novum/AP) – Indonesië moet zijn provincie Papoea, voormalig Nederlands Nieuw-Guinea, ‘een zekere mate van autonomie’ toestaan. Dat heeft de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Hillary Rodham Clinton woensdag gezegd. Clinton zei dat de regering-Obama de kwestie bij de Indonesische regering zal aankaarten.
Sinds het in 1962 gesloten Verdrag van New York maakt Papoea deel uit van Indonesië. Er woedt echter al tientallen jaren een opstand, waarbij een grote rol is weggelegd voor de Beweging Vrij Papoea (OPM).
De rebellie kostte naar schatting honderdduizend Papoea’s, eenzesde van de bevolking, het leven.
Clinton zei dat de provincie steun verdient ‘in haar pogingen een mate van autonomie te verkrijgen’.
Zij legde de verklaring af in antwoord op vragen van
F.H. Faleomavaega, een lid zonder stemrecht van het Huis van Afgevaardigden.
Faleomavaega is afgevaardigde van Samoa en een bekend criticus van de Indonesische regering.

Nederland werd in 1962 onder druk van de VS gedwongen Nederlands Nieuw-Guinea af te staan aan Indonesië.

Makassar

Makassar, vanouds het dominante centrum van de handel in het Oosten van Indonesië, kende een beleid van vrijhandel waarbij de nadruk werd gelegd op het recht van elke bezoeker om zaken te doen in de stad. Men handelde in alles wat wenselijk was en iedereen deed mee.

Even na de capitulatie van Japan voelde Makassar erg chaotisch aan, het droeg de klemmende sfeer van een wildwest stadje in het Middenwesten van Amerika in de vorige eeuw. De drukke handelsstad gaf de indruk dat de stedelijke smeltkroes van verschillende bevolkings-groepen het heft in eigen handen nam, de militairen waren bezig de orde te bewaren, de burgers storten zich op uiteenlopende handelsactiviteiten en de bureaucratie nam toe, terwijl iedereen achter het grote geld aanjoeg.
Het vliegveld van Makassar lag op 20 km van de stad af en het vervoer naar de stad geschiedde in open legertrucks die een kleine gewapende militaire escorte kregen vanwege de onveilige route door het gebied. Het opkomend nationalisme ontaarde in fanatiek geweld van de vooral jonge bevolking, de Pemoeda’s.
Op 13 juli 1946 kreeg Nederland van de geallieerden het bestuur van Celebes in handen. Men kreeg onmiddellijk te maken met het geweld van de Pemoeda’s tegen buitenlanders, maar ook de Indonesische bevolking had het zwaar te verduren. Van eenheid was geen sprake, het waren beconcurrerende partijen die ook nog eens samenwerkten met rampokkende benden. Enkele benden in Makassar waren de “Tentara Lipan Badjeng” (het Badjengse Duizendpotenleger) en de “Semoet Merah”(de Rode Mier). Zij gijzelden de eigen bevolking en pleegden moord en doodslag, ontvoering, roof en brandstichting. Kortom, in en rond Makassar heerste de anarchie.

Bangkinang

Uit de Japanse tijd is het stadje Pakan Baroe in Midden-Sumatra bekend geworden doordat Nederlandse en geallieerde krijgsgevangenen onder erbarmelijke omstandigheden een spoor-weg moesten aanleggen. Minder bekend is dat op 50 km verderop langs dezelfde weg het burgerinterneringskamp ‘Bangkinang’ lag.

Bij het plaatsje Bangkinang langs de weg naar Pakan Baroe lag midden in de rubberbossen het burger-interneringskamp ‘Bangkinang’. In feite waren er twee Japanse kampen, een vrouwen en een mannenkamp. Tussen de kampen bevond zich de begraafplaats Koeboeran. Het vrouwenkamp telde ruim 2.200 vrouwen en kinderen, het mannenkamp 970 mannen en jongens.
“Prang ampir habis (oorlog is bijna voorbij)”, fluisterde een goedwillende Japanse bewaker de vrouwen in de moestuin toe. En dat was ook zo, want op 22 augustus werd hun meegedeeld dat Japan had gecapituleerd. Begin september vonden voedseldroppings plaats en nam de RAPWI de regie over.
Eind september kwam de Indonesische revolutie naderbij en de Japanners moesten de kampen nu beschermen tegen de gewelddadigheden van de Pemoeda’s.
Er vonden evacuaties plaats per vliegtuig via Pakan Baroe naar Medan en Palembang. Maar het overgrote deel van de kampbevolking werd in Engelse legertrucks vervoerd naar Padang, dat op 12 oktober door Engelse troepen werd bezet. In Padang werden mannen, vrouwen en kinderen ondergebracht in het grote gebouw van de Landraad en bewaakt door Gurkhas en Indiase Six. Ze mochten het gebouw niet verlaten vanwege het fanatieke Pemoedaregiem in de stad.
De evacuatie naar veiliger oorden als Medan en Djakarta gebeurde per boot rond 11 november 1945.

Generaal Christison

Generaal Philip Christison was in 1943 comman-dant van het 15de Brits-Indische Legerkorps. Het waren zijn troepen die in 1944 aan het Burmafront als eerste in de 2de Wereldoorlog de Japanse aanval tegenhielden en terugdrongen. In sept.1945 kwam hij namens Lord Mountbatton met zijn troepen naar Nederlands-Indië.

Wegens tekort aan mankracht manoeuvreerde Christison zodanig dat hij op Java vier bruggenhoofden in stand kon houden, Batavia, Bandoeng-noord, Semarang en Soerabaja. De Nederlandse krijgsgevangenen uit de Japanse kampen werden via deze enclaves op transport gezet naar Singapore en Bangkok of zaten in beschermde gebieden in Bandoeng, Tjimahi of Batavia. Er ontbraken nog 4.500 Japanse ex-krijgsgevangenen die tegen het bevel in de kampen waren ontvlucht op zoek naar hun families. Deze mannen zaten nu gevangen in Republiekeinse kampen diep in het binnenland, onbereikbaar voor de Britten. Ook waren de Britten nog niet toegekomen aan het ontwapenen en afvoeren van het Japanse 16de leger. De Britten wilden graag hun troepen die al jaren op diverse fronten hadden gevochten eindelijk demobiliseren.
Generaal Christison nam, zonder de Nederlanders hierover in te lichten (die bleven zich toch verzetten tegen samenwerking met de Indonesische regering) zijn besluit om steun van de Indonesiërs te vragen. Hij kreeg steun van Sjahrir en Sjafroeddin die verklaarden dat de Britse taken waren opgedragen door de United Nations en dus als zodanig moesten worden uitgevoerd. Binnen het pas opgerichte Indonesische leger, de TKR, werd tijdelijk de POPDA opgericht, die zich onmiddellijk bezig hield met het vervoer van krijgsgevangenen en Japanners uit de kampen in het binnenland.

Warga Negara in Republikeinse kampen

In de meeste Republikeinse kampen werden de Indo-Europese geïnterneerden geconfronteerd met de keuze die ze moesten maken om de Nederlandse nationaliteit te blijven behouden of om Indonesiër te worden, een keuze tussen “serikat” of “Warga Negara”, tussen in het kamp blijven of vertrekken.

“Er is nog plaats in de Republiek”, schreeuwden de kranten.
Sommigen kozen bewust voor de Indonesische nationaliteit om een aantal redenen: ze gaven hun overtuiging te kennen dat de Indo in Indonesië thuishoort, er geboren en getogen is, op dit land zijn toekomst bouwt en tenslotte in dit land zijn laatste rustplaats zal vinden, dat het bloed dat door de aderen van de Indo stroomt overwegend Indonesisch bloed is en hij moet worden aangemerkt als een zoon van het volk en een kind van Indonesia.
Voor de meeste Indo-Europeanen was het nauwelijks een keuze. Zij hadden in de Japanse tijd al aangegeven niets van gelijkschakeling met de Indonesiërs te willen weten. In hun ogen zou dat een statusverlaging betekenen.
Het leidde tot felle discussies in de kampen, zodanig dat er vechtpartijen ontstonden. Gevolg hiervan was dat WN-sympathisanten (trekkers) aparte huisvesting kregen en in ieder geval werden gescheiden van de “blijvers”.
Het waren niet alleen ideologische redenen om Indonesiër te worden, er waren ook praktische redenen, o.m. de angst bij vertrek alles te moeten verliezen zal groot zijn geweest, de band met de familie zal verbroken worden, het huizenbezit speelde een rol of men wilde in vrijheid gesteld worden om werk te zoeken om zodoende in eigen onderhoud te kunnen voorzien.

Kamp Sawiran

In het kleine Republikeinse kamp in het bergdorp Sawiran aan de weg naar Pasoeroean, waren in drie huizen 145 mannen en jongens ondergebracht. Na hun gevangenschap in de gevangenis van Pasoeroean was het verblijf in Sawiran een aanzienlijke verbetering, hier was het klimaat goed met volop frisse lucht.

En in dit kamp was men gevrijwaard van de luizen, vlooien, kakkerlakken en ander ongedierte.
Het voedsel bleef echter slecht, per persoon 2x per dag 2½ ons half om half gekookte djagoeng-rijst met doorgekookte kangkoeng, af en toe tempé of vlees.
Op een dag werd de kampbevolking bij elkaar geroepen om te luisteren naar een toespraak van de politiechef Sasmidi uit Bangil. In een gloeiend betoog schetste Sasmidi de heerlijkheden die men zou verkrijgen als de keuzemogelijkheid om Nederlander te blijven of Indonesiër te worden, zou doorslaan naar het zg. Warga Negara-schap. In volledige vrijheid zouden herenigde gezinnen in de nieuwe Republiek verder kunnen leven en werken. Hun beroepsmatige kennis van zaken zou uiterst gewaardeerd worden in de jonge Republiek en hun expertise zou dienen om de verdere ontwikkeling van het land omhoog te stuwen.
24 mannen gaven aan dat ze WN-er wilden worden, zij verlieten het kamp in volle vrijheid.
Nadien vroeg een jonge Indonesische politieman van het Sasmiditeam aan een van de Indische Nederlanders:
“Wat doet U, als U het kamp uitkomt en vrij bent om de Nederlandse of Indonesische nationaliteit te kiezen?”
“Ik blijf Nederlander”, was het antwoord.
“Dat is dan jammer voor U, want dan blijft U wat U altijd bent geweest, namelijk geen vlees en geen vis”, sprak de jongeman wijsgerig.

Singapore

Net waren ze ontsnapt aan de oorlog in Soerabaja, de vrouwen en kinderen uit het verzamelkamp in de Darmowijk. De konvooien naar de haven Tandjong Perak ondervonden weinig hinder van de vijandig gezinde Pemoeda’s die met duizenden de stad Soerabaja bevolkten.

Aangekomen in de haven werden vrouwen en kinderen direct overgebracht naar Engelse of Amerikaanse troepentransportschepen. Mogelijk dat ze zagen hoe de 5de Divisie Brits-Indische troepen op volle oorlogssterkte werd ontscheept. Zij waren veilig met circa 6.000 personen door de lange corridor in de Republikeinse stad Soerabaja gekomen.
Velen kregen als bestemming Singapore.
Met landingsvaartuigen werden de repatrianten naar hun schip gebracht. Op de overvolle schepen werd met moeite een plaatsje gevonden. Na een korte zeereis bereikten ze de volgende dag Singapore. Eenmaal aan land ging het in vrachtwagens naar een enorm groot Engels kamp.
Het Wilhelminakamp werd geleid door Nederlandse militairen. Alles was tiptop verzorgd. Zij die hun mannen hadden moeten achterlaten in gevangenschap in Soerabaja kregen hier schone huizen toegewezen. Per persoon kregen ze een veldbed, een deken, een laken, een handdoek en eetgerei. Met de ontvangen spulletjes en het weinige dat ze als bagage bij zich hadden, voelden zij zich rijk én veilig. Er werden ook voedselpakketten uitgedeeld met o.m. blikken met haring in tomatensaus en cornedbeef. Het huis werd schoongemaakt door een Chinese amah.
Maar de meeste vrouwen dachten met smart aan hun mannen in de diverse gevangenissen in Soerabaja. En dat deed heel veel pijn!