Een terugreis vol onzekerheden

Onder het motto “de baas beslist en anders niet” kregen uit Holland terugkerende verlofgangers pas op het laatste moment tijdens de bootreis naar Indië te horen waar en op welke standplaats de toekomstige functie voor 6 jaren zal moeten worden vervuld.

Aan boord van de passagiersschepen naar Indië kreeg een terugkerende verlofganger een plaats in de eetzaal aangewezen voor de duur van de reis. Aan tafel bemerkte hij dat hij was ingedeeld bij mensen die eenzelfde beroep uitoefenden of aan dezelfde maat-schappij verbonden waren of een zelfde soort ambtelijk functie bekleden.
Een belangrijk deel van hun tafelgesprek handelde over de toekomstige 6 werkzame jaren in Indië. Voor zowel particulieren als ambtenaren kwam dat neer op hun nieuwe plaatsing. Waar zullen ze worden geplaatst? Op welke onderneming? In welk gebied?.
Immers, tijdens het buitenlands verlof, ruim 8 maanden inclusief heen en terugreis, werd hun vroegere plaats in de Indische werkkring niet opengehouden. Op die plaats kwam, uit oogpunt van promotie, meestal een ander terecht. Voor de van buitenlands verlof terugkerende functionaris was het nu een kwestie van afwachten.
Dat afwachten gebeurde aan boord tijdens de reis naar Indië. Omstreeks de laatste week van de reis werden door het Gouvernement van Indië en door de directies van handels-, landbouw- en mijnondernemingen telegrammen verzonden met de exacte gegevens over de vervulling van de nieuwe posten en standplaatsen. De onzekerheid is voorbij, men weet nu wat er te wachten staat. Maar waarom niet eerder deze berichtgeving? Mogelijke achterliggende gedachte was dat men met de wetenschap van de nieuwe standplaats of functie niet meer in staat was om hiertegen te protesteren.

Spoorwegen


Overal in de wereld bouwde men al spoorwegen.
Echter, de aanleg van spoorwegen in
Indië vormde een blijkbaar onoverkomelijk
bezwaar. Er is in ruim 30 jaren wat afgepraat,
voorgesteld, gediscussieerd en gedroomd over
de ‘ijzeren weg’.

Intussen liep de afvoer van landbouwproducten uit de
binnenlanden stuk op het gebrek aan transport naar de
havensteden.
De gouvernementskoffie lag in de goedangs in de
Midden-Javaanse Vorstenlanden te schimmelen en de
schepen lagen op de rede van Semarang maanden te
wachten op lading.
Er was een nijpend tekort aan dierkracht om de wagens
te trekken. Veeteelt was nu eenmaal niet een sterk
vertegenwoordigde bedrijfstak in Indië.
Er was een voorstel om in Midden-Java een centraal
gouvernements-etablissement met 4000 buffels en een
uitgebreid wagenpark op te richten. Berekening leerde
dat dit niet rendabel kon zijn.
Een geïmporteerde kudde van 40 kamelen bleek niet te
kunnen aarden. Met lama’s en uit Nederland gezonden
ezels lukte het ook al niet. Een slachtverbod in 1841 van
buffels en de gewenning van de Javaan aan geitenvlees
liep eveneens stuk op medewerking.
Wel kwamen er voortdurend aanvragen voor conces-
sies binnen, die telkens werden afgewezen.
Eindelijk, in 1863, namen de minister Fransen van der
Putte en de GG baron Sloet van de Beele het besluit om
in Midden-Java een spoorweg te laten aanleggen.
De concessie hiervoor werd toegewezen aan de
Nederlandsch-Indische Spoorweg Maatschappij.

Bali, opium opbrengst


De ‘pacificatie’ van het hele eiland Bali werd in
1908 gerealiseerd, nadat de laatste vorsten in
een ‘poepoetan’ de rituele dood hadden
gevonden. Van de oude vorstenhuizen waren er
nog 3 over, die van Gianjar, Bangli en
Karangasem.

Een van de belangen van Nederland bij rechtstreeks
bestuur op Bali en Lombok was de opbrengst uit de
opiumhandel. Opium werd op de eilanden algemeen
gebruikt en was vrij op de markt te koop.
De vorsten hadden een groot belang bij de opium-
handel omdat Boeginese en Chinese handelaren hun een
deel van de winst als belasting betaalden.
De VOC en de Nederlandse staat hadden ook altijd aan
de opiumhandel verdiend.
In 1904 stelde de Nederlandse Staat de ‘opiumregie’ in.
Opium mocht voortaan alleen nog in zogenaamde
opiumhuizen worden verkocht, tegen vastgestelde
hoeveelheden en prijzen. Omdat de Balinese bevolking
altijd gewend was geweest vrij opium te kopen
ontstonden rellen. In de plaats Gelgel in het sultanaat
Kloengkoeng werden de opiumhuizen aangevallen en de
door de Nederlanders aangestelde Javaanse ambtenaren
gedood.
Het KNIL greep in en doodde ruim honderd Balinezen.
De vorst van Gelgel die de opstandelingen steunde
vluchtte naar het paleis in Kloenkoeng.
Van Heutz stuurde een bataljon van het KNIL uit
Soerabaja naar Kloenkoeng. Op 28 april 1908 werd de
aanval op het paleis ingezet.
Net als eerder in Bali de rituele zelfmoord werd
gepleegd, voerden ook hier de vorsten en hun aanhang
een poepoetan uit.

Kinacultuur

De enige specifieke betekenis van kinine ligt in het anti-malaria effect of het profylactische belang van kinine (het beschermen tegen of voorkomen van malaria). Kinine wordt onder meer ook toegepast als koortswerend of eetlust opwekkend middel.

Indianenstammen in Zuid-Amerika kenden de bast van de kinaboom als geneesmiddel.  Via de Spanjaarden werd het in Europa bekend, maar niemand wist van welke boom de kinabast afkomstig was.
Pas in 1846 vond de Engelse plantkundige Weddell een kinasoort in Bolivia, die daar als beste werd beschouwd. In latere jaren verzamelden vele onderzoekers kinaplantenmateriaal uit Zuid-Amerika. Uit alle ter beschikking staande soorten werd op de gouvernementskinaonderneming in de Preanger gekozen voor de Ledgeriana en de Succiruba soorten.
In de bergstreken van West-Java werden beide soorten door grote ondernemingen in cultuur gebracht. Om de bast van de kinaboom te verkrijgen moet de hele boom geveld worden. Er was geen andere methode.
Ieder jaar werd een aantal bomen geveld. Herbeplanting geschiedde daarom op vrij korte afstand van elkaar, 1.20 meter.
De bast werd van de stam afgeschild en gedroogd in de zon of in droogovens.
De kinabast werd door de kinaondernemingen voor 70% verscheept als exportproduct. Het overig deel van de binnenlandse productie werd afgeleverd aan de kininefabriek in Bandoeng.
Nederlands-Indië had voor 90% de wereldhandel van kinabast in handen.

Met de KLM naar Indië

Op 1 oktober 1924 vertrok van Schiphol de piloot Thomassen à Thuessink van der Hoop, bijgestaan door Van Weerden Poelman als tweede piloot en Van den Broecke als mecanicien, voor de eerste vlucht naar Batavia.

De luchtdienst van Amsterdam naar Batavia begon op 1 oktober 1924 met een poging om de 14.000 km lange luchtweg te overbruggen.
Op 24 november landde het vliegtuig op het vliegveld Tjililitan bij Batavia.
De jaren daarop werden proefvluchten uitgevoerd tot in 1930 door de KLM een dienst Amsterdam-Batavia werd geopend, waarbij éénmaal in de veertien dagen in elke richting werd gevlogen.
De Fokker F-7b, met een laadvermogen van 500 kg, deed er 12 dagen over.
Zeven jaar later, in 1937, vloog de KLM met een DC-3, laadvermogen 9600 kg, 11 passagiers, duur van de vlucht 5½ dag, een dienst van drie maal per week. De dienstregeling was zó nauwkeurig geworden dat niet alleen de dagen van aankomst en vertrek op elk station stonden aangegeven, maar eveneens de uren en minuten. Het luchtpostverkeer was flink toegenomen en het aantal passagiers sterk vermeerderd.
Gedurende de vliegtocht werd vijf maal overnacht in resp. Athene, Basra, Jodhpur, Rangoon en Singapore. In het jaar 1939, even vóór het uitbreken van de oorlog in Nederland, werden 4.888 passagiers vervoerd en 121.274 kg post, naast 74.570 kg aan vracht.

Weven als huisvlijt

Weven is een reeds lang bestaande huisvlijt in de Indonesische archipel. Vooral de vrouwen weefden thuis de eenvoudige weefsels voor de dagelijkse kleding, voornamelijk sarongs.

Vroeger had iedere streek haar eigen weefpatronen en kleuren. In West-Java maakte men lichtgekleurd ruitweefsel, voornamelijk in Buitenzorg, “kain Bogor”. Midden-Java was bekend om de wit- en donkerblauw gestreepte weefsels; de “loeriks”, overigens al een bekend handelsartikel in de VOC-tijd. Voor de zijden slendangs werd vaak het ikatprocédé toegepast, vooral in verschillende streken van Sumatra en Celebes.
Op bepaalde lengten werden de draden eerst omwonden zodat daartussen vervolgens de blanke draadstukken op kleur werden geverfd waarna de windsels werden verwijderd en men zodoende gedeeltelijk geverfde draden kreeg. Dit proces werd enige malen herhaald met verschillende kleuren.
De huisvlijt werd eeuwenlang beoefend op uiterst primitieve weeftoestelletjes.
De Textielinrichting Bandoeng introduceerde een verbeterd weefgetouw. Dit toestel kon gemakkelijk worden nagemaakt uit djatihout. Sindsdien heeft de kleine weefindustrie zich snel ontwikkeld. Er waren desa’s waar huis aan huis werd geweven.
Buiten de huisvlijt kwamen er werkplaatsen, alsook mechanische weverijen o.l.v. Chinezen, Indiërs en Arabieren
Het belangrijkste weefproduct bleef de sarong van katoen of katoen met kunstzijde.

Oliepalm

Vier plantjes uit West-Afrika, de bakermat van de oliepalm, geplant in s’Lands Plantentuin in 1848, vormden de bron voor een exportproduct van palmolie uit Nederlands-Indië tot circa 50% van de werelduitvoer.

Sumatra’s Oostkust en Atjeh zijn de gewesten, waar sinds 1911 de oliepalmcultuur tot grote ontwikkeling was gekomen. Een geringer aantal ondernemingen bevond zich in Zuid-Sumatra, Celebes en Java.
De oliepalm vraagt voor goede groei en vruchtdracht een tropische temperatuur.
De oliepalmondernemingen lagen niet hoger dan 500 meter boven de zee.
Verder was niet teveel regenval gewenst en een korte droge periode. Aan de bodem stelde de oliepalm geen bijzondere eisen. De cultuur bood ook geen grote moeilijkheden.
Voor een goede verwerking van de palmolie was echter een kostbare technische fabriek nodig, die ter plaatse de fabricage van de olie kon verwerken.
De oliepalmvrucht moest noodzakelijkerwijs in het land van productie zelf verwerkt worden, omdat de kwaliteit van de olie vrij snel sterk terugloopt. Wilde men een hoge kwaliteit van de olie handhaven, dwz een laag gehalte aan vetzuren, dan zou verscheping van de vruchten niet economisch zijn geweest.
De palmoliecultures onder Westerse leiding omvatten terreinen van minimaal 15 km² en een grote fabriek. Vanwege de geringe binnenlandse consumptie (men gebruikte kokosolie) was de uitvoer van palmolie uit Nederlands-Indië rond 1940 uitgegroeid tot een ruime 50% van de totale werelduitvoer.

Verkeerswegennet

Gouverneur-Generaal Daendels moet het, tijdens zijn eerste reis over Java, vreemd te moede zijn geweest toen hij de verschrikkelijke toestand van de wegen zelf ondervond.

Kort na zijn komst in 1808 kondigde Daendels aan dat er op korte termijn een grote verbindingsweg zal moeten komen vanuit Buitenzorg door de Poentjakpas naar Bandoeng en verder langs de noordkust tot Soerabaja. Hij wees erop dat een snel legertransport noodzakelijk was om een mogelijke vijandelijke aanval af te slaan. Hij doelde daarbij op een mogelijke Engelse aanval op Java.
De Grote Postweg is er gekomen.
Aan verdere uitbreiding van het wegennet is gewerkt, maar pas ná 1850 werd dit krachtig aangepakt toen de ondernemingslandbouw zich begon te ontwikkelen. Een verbeterd wegennet bleek de oprichting van nieuwe ondernemingen sterk te stimuleren.
Begin 1900 was voor een adequaat werkend binnen- lands bestuur een goed wegennet absoluut vereist. De met steenslag verharde wegen werden vervangen door asfalt en voor het autoverkeer werden de wegen verbreed.
Op Sumatra heeft de wegverbetering geleid tot opening van onontgonnen gebieden. De auto is op Java en in de Buitengewesten een grotere en belangrijke rol gaan spelen. Rond 1940 was al sprake van circa 10.000 autobussen, terwijl het totale aantal motorvoertuigen (personen- en vrachtauto’s, motorrijwielen en autobussen) ruim 84.000 bedroeg.

Bevolkingsrubber

De Indonesische bevolking was al snel, nadat in Malakka rubberondernemingen waren opgestart, begonnen met rubber te planten.

Vele Indonesiërs uit Borneo en Noord Sumatra waren als koelie werkzaam geweest op rubber-ondernemingen in Malakka.
Zij brachten de zaadjes en plantjes mee naar huis en legden de eerste rubbertuintjes aan. De hoge prijzen van de rubber na 1910 brachten vele Indonesiërs ertoe zich toe te leggen op de rubbercultuur. De rubbertuintjes waren niet groot, gemiddeld circa 1 ha.
Meestal verbouwde men rubberplantjes op de ladangs als de rijst was geoogst. Omdat rubberbomen geen verdere verzorging behoeven werd de grond een paar jaar aan zijn lot overgelaten. Het rubbertappen vond plaats op verschillende wijzen en de bereiding van de rubber was over het algemeen primitief. In gehalveerde benzineblikken werd de latex verzameld en gecoaguleerd met aluin.
De verwerking tot crêpe of sheet gebeurde met mangeltjes of eenvoudigweg door de koek plat te trappen en dan in de zon te drogen te leggen. De nog veel water bevattende koek (“slab”) ging via een opkoper naar een herbereidingsfabriek.
In Sumatra en Borneo bedroeg het aantal Indonesische rubberplanters ruim 800.000.
Het bevolkingsaandeel vertegenwoordigde ruim 45% van de rubberexport.

Bank Negara Indonesia

De centrale bank van Indonesië is ontstaan uit de fusie van genationaliseerde Nederlandse banken. De bank is gevestigd te Jakarta.

In de koloniale tijd fungeerde de in 1824 opgerichte en in 1881 als NV geconstitueerde, geoctrooieerde, particuliere Javasche Bank als circulatie bank. De Indonesische republiek stichtte vóór de soevereiniteitsoverdracht een eigen circulatiebank te Djokja.
Na de soevereiniteitsoverdracht werd de Javasche Bank tot centrale bank gemaakt.
Op 1 juli 1953 veranderde de naam in Bank Indonesia. Taak en werkzaamheden kwamen ongeveer overeen met die van De Nederlandse Bank. Later werden de in Indonesië opererende Nederlandse banken genationaliseerd en vond in 1965 tussen deze banken een fusie plaats onder de overkoepelende naam Bank Negara Indonesia (BNI).
Ter onderscheiding werd de vroegere Bank Indonesia BNI unit I genoemd, de vroegere Factorij der Ned. Handels.Mij werd BNI unit II, de oude bank Negara Indonesia werd BNI unit III en de vroegere Ned. Indische Handelsbank werd BNI unit IV.
De integratie van het Indonesische bankwezen werkte niet bevredigend.
Het regiem Suharto gaf in 1966/67 opdracht activiteiten, administratie en kapitaal van de voormalige Factorij weer af te scheiden.

Arachide olie

De Katjang tanah of aardnoot is een plant die zijn vruchtdragende bonen in de grond tot ontwikkeling brengt. De nootjes werden voornamelijk verwerkt tot de bekende arachideolie. De aardnoten waren voor Nederlands-Indië een export product.

De katjang tanah, het apenootje of olienoot of gewoon pinda, heeft een bijzondere en merkwaardige wijze van vruchtvorming.
Eerst zijn er de bloemetjes. Die bevinden zich op heel korte steeltjes alleenstaand of getweeën in de oksel van de onderste bladeren. Na de vruchtzetting groeit het korte steeltje uit tot een lange steel met aan het einde het jonge vruchtje. De steel die 20 cm lang kan worden boort zich vervolgens in de rulle grond waarin het plantje staat. Ongeveer op een diepte van 5 cm in de grond begint het vruchtje zich te ontwikkelen tot het bekende katjangpeultje, dat twee, soms drie zaden (pinda’s) bevat.
De bevolking plantte de katjang tanah ná de rijstoogst op ladang of sawah.
Voor de teelt in de klaargemaakte plantbedden is losse grond vereist waar de vruchten gemakkelijk kunnen indringen. Tijdens de groei heeft de plant veel water nodig, maar bij rijping van de vruchten is droogte gewenst. Het is dus typisch een gewas van de laagvlakte.
In de eerste plaats werden de noten verwerkt tot olie. Deze bewerking vond plaats in moderne fabrieken, maar ook in het kleinbedrijf of door de tani zelf.
Arachide olie is een lekkere slaolie en wordt verder in de magarinefabrikatie en de zeepindustrie gebruikt.

Kretek-sigaretten

Al heel lang hoorde het erbij, de ‘strootjes’ van de Javaan. Hij maakte zelf van gedroogde tabaksbladeren een strootje door wat tabak te wikkelen in het schutblad van mais, pisang of palm.

De Javaan maakte het strootje een weinig tapvormig, het smalle einde deed hij in de mond en het andere, iets dikkere einde stak hij aan.
Zo rolden de rokers hun rokok klobot, het eenvoudige strootje gevuld met inheemse kerftabak.
Maar dan gebeurde het, dat omstreeks 1870 in Koedoes in Midden-Java Hadji Djamahari, een man die zijn longen uit zijn lijf hoestte, meende een probaat middel tegen zijn onophoudelijke hoest gevonden te hebben. Zo vertelt de overlevering dat hij kruidnagelstof bij de tabak oprolde en daarmee de uitvinder was van de rokok kretek.
Toen nog heette het “geneeskrachtig roken”. Daarnaast vond een ieder het knetterend geluid van de brandende ‘sigaret’ een teken dat de medicijn werkte en het was nog lekker ook.
De naam van het gekruide strootje volgt uit het geluid dat het brandende strootje voortbrengt, krè . . tèk. Daarmee werd Koedoes als centrum van de Kretek sigaret beschouwd.
De strootjesindustrie, die vroeger slechts een huis- industrie was, werd na de 1ste Wereldoorlog in groeiend tempo een grootindustrie met fabrieken, waar Kretek- sigaretten machinaal werden vervaardigd.
Onder Chinese leiding richtte deze bedrijfstak zich vooral op de Indonesische binnenlandse markt.

Radiotelefonie

In 1928 waren de technische middelen zover gevorderd dat het mogelijk was telefonisch met Indonesië contact te leggen door middel van radio-uitzending op de korte golf.

 
Na de radiotelegrafie ontwikkelde zich in snel tempo de radiotelefonie. In maart 1927 werd de stem uit Nederland voor het eerst in Indië gehoord. In mei van dat jaar werd het gesproken woord uit Indië duidelijk hoorbaar in Nederland ontvangen.
Op 8 januari 1929 kon het radiotelefoonverkeer Indië-Nederland v.v. voor publiek worden opengesteld. In Nederland werd gelijktijdig de verbinding met Indië officieel opengesteld en werden zogenaamde “Indiëcellen” geïnstalleerd in de grote steden.
De PTT zag het historisch belang van deze gebeurtenis en heeft de persoonlijke ervaringen van de eerste sprekers vastgelegd in het boekje, “Hallo Bandoeng, hier Den Haag” In 1931 werd in Medan een radiotelefoniestation in gebruik gesteld, waardoor het interinsulair telefoon- verkeer Java-Noord-Sumatra mogelijk werd.
Abonnees in Noord-Sumatra konden niet alleen een telefoonverbinding met Java krijgen, maar ook met aangeslotenen in Nederland en verder met alle landen waarmee Java al in verbinding was.
Door telkens nieuwe radiotelefoniezenders te plaatsen heeft het telefoonnet zich over de hele archipel flink uitgebreid.

Ontwikkeling van de Rubbercultuur

De Maya’s en Azteken wisten al dat als het sap
van de rubberboom aan de lucht wordt
blootgesteld een elastische massa ontstaat. Zij
maakten er grote ballen van en speelden er hun
ritueel balspel mee.

Voorheen was Brazilië het enige rubber exporterend land
in de wereld geweest.
De Engelsman Wickam bracht in 1876 nauwkeurig
geselecteerde zaadjes van de Braziliaanse rubber-boom
(Hevea brasiliensis) naar Engeland.
Het waren ook de Engelsen die in rubber een nieuwe
ondernemingscultuur zagen.
Zij begonnen in Malakka en Ceylon met de aanleg van
Hevea-plantages.
In Nederlands-Indië ontstonden de eerste rubberondernemingen
op Sumatra in 1903 en op Java in 1906.
Toen begin 1900 de automobielindustrie zich begon te
ontwikkelen en de bandenfabricage de rubber-behoefte
deed stijgen, werd ná 1910 ook in Indië de rubber van
grote betekenis. Niet alleen als ondernemingscultuur,
maar ook als bevolkingscultuur.
De vraag naar rubber overtrof de productie.
In razend tempo ontstonden ook in Nederlands-Indië
Hevea-aanplantingen op nieuwe gronden.
In 1910 was 75.000 ha met hevea beplant, in 1940
bedroeg de ondernemingsaanplant circa 600.000 ha,
met 600 ondernemingen op Java en 600 in de
Buitengewesten, hoofdzakelijk op Sumatra.
Daarnaast had de bevolkingsaanplant een even grote
vlucht genomen.
Rubber werd voor Indië in waarde het belangrijkste
exportproduct met 38% van de wereldproductie.

Cacao

In een brief van Cortès aan Karel V, verzonden uit Mexico in 1521, wees hij op de teelt van cacao- bomen en het nut van de vruchten ervan (cacao-bonen).

De cacaoboom heeft een eigenaardige groeiwijze. De stam van een uit zaad geplante boom wordt niet hoger dan ca 1 meter en vormt dan aan de top een schijnkrans van 5 schuin omhoog staande primaire takken; deze vertakken zich verder normaal. De stam vormt verder geen zijtakken, wel verticale waterloten die het gedrag van de stam herhalen; zo ontstaan verschillende etages van primaire takken boven elkaar.

Een aanplant levert de eerste vruchten in het 3de of 4de jaar; de maximum opbrengst geschiedt op de leeftijd van 7-15 jaar. De bomen worden 30 –50 jaar oud. De vrucht (kolf) is ovaal, 15 – 20 cm lang, en bevat 25 – 40 zaden in 5 overlangse rijen. Rijpe vruchten worden met een kapmes afgesneden, opengekapt en op afgedekte hopen gelegd.
Gedurende enkele dagen vindt op deze manier het fermentatieproces plaats, waarbij de bonen door gist- en bacterievorming de karakteristieke smaak- en reukstoffen van cacao verkrijgen.
De bonen worden vervolgens gedroogd in de zon. Verdere bewerking van de bonen levert cacaopasta, cacaoboter en cacaopoeder, noodzakelijke producten voor verwerking in de chocolade, cosmetische en farmaceutische industrie.
De Java-cacao was van bijzonder goede kwaliteit.

Kerstvlucht Pelikaan

Op 18 december 1933 vertrok uit Amsterdam de fokker F XVIII, beter bekend onder de naam “Pelikaan”, voor een retourvlucht Amsterdam – Batavia – Amsterdam.

Het was een speciale postvlucht van de KLM om de concurrentie te laten zien waartoe zij in staat was. Op 18 december 1933 vertrok de “Pelikaan” bestuurd door gezagvoerder Iwan Smirnoff van Schiphol met bestemming Batavia.
De ervaren Smirnoff had zijn sporen al verdiend als geducht jachtvlieger in dienst van de Tsaar, hij was ná de Russische Revolutie ontsnapt aan de communisten. Sinds 1922 was hij als vlieger in dienst van de KLM.
De éénmotorige enkeldekker, type Fokker F XVIII, had een bemanning van 4 koppen. Behalve Smirnoff waren dat Piet Soer als 2de bestuurder, Sjef Grosfeld, mecanicien, en Cor van Beukering, marconist.
Aan boord bevond zich alleen post, kerstpost. De vliegroute ging over land naar Marseille, Athene, Caíro, Bagdad, Karachi, Bangkok, en Singapore. Na 4 etmalen, 4 uren en 44 minuten bereikten zij Batavia op 23 december 1933.
Een tot dan toe ongekende prestatie en de kerstpost was ruimschoots op tijd.
De terugvlucht ving aan op 27 december en eindigde op 30 december 1933.
Nagenoeg dezelfde reistijd werd gehaald, namelijk 4 etmalen, 4 uren en 33 minuten. Een enthousiaste menigte van zo’n 20.000 mensen ontving hen op Schiphol.

Stijgende welvaart en schrijnende armoede


De fabelachtige verdiensten van het snel
uitbreidende bedrijfsleven (olie, tin, rubber,
oliepalm, sisal, koffie en thee) gingen geheel en
al voorbij aan de ontwikkeling van de bevolking.

Vanaf 1900 groeide de petroleumproduktie explosief.
Koninklijke Shell en de andere oliemaatschappijen in
Nederlands-Indië pompten als het ware de petroleum
het land uit en zorgden op dit terrein voor een
wegvloeiende welvaart zonder dat het land en de
bevolking ervan konden profiteren.
Het management en het technische personeel bestonden
uitsluitend uit Europeanen en Amerikanen.
Het middenkader werd grotendeels gevormd door Indo-
Europeanen (Indische mensen) en het lagere personeel
was Indonesisch.
De salarissen waren overeenkomstig! De verdeling van
de woningen volgde eveneens dit sociale onderscheid en
er waren aparte sociëteiten voor Europese, Indische en
Indonesische werknemers.
Ook het overige bedrijfsleven was als zodanig ingericht.
Een ‘inheems’ onderwijsprogramma bijvoorbeeld stuitte
op verzet van de Europeanen die het een belachelijk
kostbaar project vonden.
Er verschenen in diverse kranten kritische artikelen van
Indische journalisten waarin de aandacht werd gevestigd
op de schrijnende tegenstelling van uitbundige welvaart
voor de westerse bedrijven en de tergende sociale en
economische armoede onder de inheemse bevolking.

Middenstand

Terwijl de Indonesiërs in overrompelende getale zich bezig hielden met voornamelijk individuele handel in eetwaren via tokootjes, stalletjes en wagentjes langs de wegen, werd de meer georganiseerde middenstand gevormd door Arabieren, Chinezen en Indiërs.

De detailhandel in Indië was voornamelijk in handen van Chinezen, Arabieren en Indiërs. In hun winkeltjes was alles te koop, kleding, huisraad, levensmiddelen, medicijnen, enz.
Een afbetaling was zonder rente altijd mogelijk. Bij Chinezen en Arabieren moest je zijn om geld te lenen, overigens tegen woekerrentes van soms 50%. Voor de kleine boer was de bank uitgesloten en waar moest hij dan naar toe voor een sterfgeval, bruiloft of landbouwinvestering op zijn land.
Terugbetaling moest stipt worden nagekomen, bij niet naleving van het contract werd een hogere rente opgelegd. Velen kwamen daardoor in een uitzichtloze situatie terecht en pleegden handelingen, die hen in de gevangenis deden belanden. Sinds 1932 gold een anti-woekerwet waarbij kredietverstrekking volgens bepaalde regels verliep.

-Chinese straatverkopers waren vooral bekend als klontong-chinees, textiel-, garen- en bandverkopers, of bami-chinees (bami tok-tok), door wie de porties bami ter plekke onder aanwijzing van de koper werden bereid, of als tjina baby, vleesverkoper, enz.
-Bombayers was de verzamelnaam voor de stoffenverkopers en kleermakers uit India.
-Japanners hadden winkeltjes met goedkope horloges, fotografieartikelen en speelgoed.

Nederlands-Indisch Volkskredietwezen


Tijdens een ziekteverlof in Holland, maakte rond
1900, de assistent-resident De Wolff van
Westerrode kennis met de werking van het
Raiffeisen-stelsel van de gelijknamige Bank. Hij
voorzag een toekomst van het landbouwkredietstelsel
ook op Java.

De denkbeelden over de inrichting van een
landbouwkredietstelsel op Java vielen in goede aarde en
per 1905 werd de assistent-resident Carpentier Alting tot
eerste inspecteur benoemd van het Inlandsch
Volkskrediewezen. Tegelijk werd een corps controlerende
ambtenaren in het leven geroepen, waaruit de Dienst
voor het Volkskredietwezen ontstond.
Voor het beheer van de dorpskredietinstellingen was
men aangewezen op het desabestuur, aangezien naast
het desahoofd geen andere dorpeling genoeg aanzien
genoot.
Jarenlang hield de dienstleiding vast aan het ideaal van
een ontwikkeling in coöperatieve richting.
Vele pogingen daartoe stuitten telkens op nagenoeg
geen belangstelling van de zijde van de bevolking.
Het net van afdelingsbanken kon niet uitgroeien tot de
beoogde particuliere verenigingen.
Uiteindelijk werd in 1934 de Algemene Volkskrediet-
bank (A.V.B.) opgericht, die zowel een Centrale Kas als
alle afzonderlijke afdelingsbanken omvatte.
Het landbouwkrediet van de dorpsbanken betrof veelal
het uitlenen van padiplantjes tijdens de sawahbewerking
die in natura werd terugbetaald uit de rijstoogst, met
een toeslag voor verspilling en kosten.
De oogstleningen werden verstrekt t.b.v. landbouwwerktuigen,
kunstmest, pootgoed en voeding in een
schrale tijd.

Citronella olie


Het serehblad wordt in de keuken gebruikt om
een aangename geur in vele gerechten te
verkrijgen. Uit de bladeren van sereh en
verwante grassoorten worden etherische oliën
verkregen, die dienen als kruiderij, geneesmiddel
of spierpijn-wrijfmiddel.

Serehgras, citronellagras en lemongras zijn alle
grassoorten die nauw aan elkaar verwant zijn.
De bladeren van deze drie grassoorten leveren een
welriekende olie op, terwijl van een vierde nauw
verwante grassoort, vertivergras of akar wangi, juist de
wortels de olie opleveren.
De bloeiwijze van de hier bedoelde grassoorten is
identiek.
Uit dicht op elkaar gedrongen pollen, die vrij hoog boven
de aarde uitkomen, steken de bladeren.
Het gras wordt geteeld op ondernemingen en in de
tuinen van de bevolking.
De teelt vindt plaats door gewortelde stengels te
gebruiken die van oude pollen zijn afgescheurd.
Zij worden in een kuil geplant, waaruit de pol zich
allengs naar boven zal werken.
Uit de bladeren werden in kleine fabriekjes en als
huisindustrie met primitieve destilleerapparaten
etherische oliën verkregen.
Een groot deel van het bevolkingsblad werd echter door
ondernemingen opgekocht voor de verwerking tot
sereh-, citronella- of lemon-olie.
Vooral de citronellaolie was een gewild exportartikel.
De wortels van de akar wangi grassoort leverden, ook bij
de Europese dames in Indië, de bekende akar-wangi-olie
op. De wortels werden ook in de linnenkast gelegd om
de aangename geur.

Radiotelegrafie in Indië


Vóór de radio het berichtenverkeer tussen de
eilanden overnam was men aangewezen op
goede telegraafverbindingen. Om de eilanden
telegrafisch met elkaar te verbinden gebruikte
men zeekabels.

Om een telegraafdienst in te richten voor de hele
archipel waren behalve telegraaflijnen over land ook
zeekabels nodig om de verbinding tussen de eilanden te
waarborgen.
Rond 1922 had het Indische zeekabelnet een lengte van
12.500 km lengte bereikt. Zeekabels waren in aanschaf
en in onderhoud ongelooflijk kostbaar. Bovendien
hadden ze een korte levensduur.
Een en ander gaf aanleiding om zo snel mogelijk van de
communicatie via kabelverbindingen over te stappen op
de radiotechniek, die een snelle ontwikkeling had
doorgemaakt.
Het gebruik van kortegolfzenders gaf betere resultaten
op de grotere afstanden
Op tal van plaatsen in de Buitengewesten werden één of
meer zenders met ontvangstinstallaties aangebracht. Op
deze wijze werd het mogelijk over en weer telegrammen
uit te wisselen.
Batavia werd het voornaamste centrum voor radio-
verbindingen.De zenders stonden op de Bandoengse hoogvlakte
opgesteld en correspondeerden met de grote plaatsen in
de Buitengewesten, zoals Medan, Makassar, Menado enz.
Deze zenders dienden op hun beurt als moeder-station
voor de kleinere plaatsen.
Het radioverkeersnet had rond 1940 het land- en zeekabelnet
in de archipel geheel vervangen.

Java-teak

Djati is de naam van de boom die het Java-teak
levert. De boom kwam op Java in grote
hoeveelheden voor. De djatibossen op Java
werden beheerd door het Djatibedrijf, dat
behoorde tot het Gouvernementsbosbedrijf.

Teak is een houtsoort afkomstig van de Tectona grandis,
een boom die in Birma, Thailand, Laos, Vietnam en
Indonesië groeit en verder in andere werelddelen werd
aangeplant.
Deze houtsoort heeft haar bekendheid te danken aan het
feit dat zij meer goede eigenschappen in zich verenigt
dan welke andere houtsoort ook.
De kleur is licht- tot donkerbruin, vaak fraai getekend.
Het hout is wat grof van nerf, matig hard en matig zwaar, sterk en nagenoeg krimpvrij.
Verder is het uiterst duurzaam, bestand tegen termieten
en ook goed bestand tegen vele chemicaliën.
Hoewel gemakkelijk bewerkbaar maakt het gereedschappen
tamelijk snel bot. Vroeger werd het hout in de
scheepsbouw (scheepsdekken) gebruikt en in de
huizenbouw.
Door verminderd aanbod is het nu een dure houtsoort
geworden en wordt het select toegepast, vooral als
dekfineer. Naar gelang van herkomst onderscheidt men
Birma-teak, Siam-teak en Java-teak, die in kwaliteit
weinig verschillen.

De naam “teak” wordt gebruikt voor andere houtsoorten,
om goede eigenschappen te suggereren.
Er is echter maar één soort teak!
Fout zijn namen als African-teak, Rhodesian-teak of zelfs
Yang-teak.

Deli, tabakscultures


De razendsnelle ontwikkeling van Deli
ontketende een ware toeloop op het “Wilde
Oosten”, vooral op Sumatra’s Oostkust.

In 1858 onderwierp het kleine sultanaat Deli, gelegen
aan de Oostkust van Sumatra, zich aan het Nederlandse
gezag. Als beloning voor zijn medewerking kreeg het
sultanaat een rechtstreekse relatie met Batavia. Enige tijd later meldde zich de ondernemende tabaksplanter uit Java, J. Nienhuys, bij Sultan Mahmoed
en verkreeg van hem een concessie op uiterst gunstige
voorwaarden.
Voor een pikol van 60 kilo uitgevoerde tabak betaalde
Nienhuys een prijs van 50 cent. Ter vergelijking: Javatabak
bracht op de Nederlandse veiling circa 1 gulden
per kilo op.

In 1864 kwamen de eerste 50 pakken Deli-tabak op de
Nederlandse markt. De kwaliteit bleek schitterend te
zijn, vooral het Delidekblad kreeg de hoogste lof.
De tabakscultuur in Deli moest zich toen nog beperken
tot een gebied van 70 km lang en 60 km breed.
In 1865 werd de Delitabak geveild voor ƒ 1,49 per pond,
de hoogste veilingprijs in de 19de eeuw.
Deli was een sensatie.

In 1870 werd de Deli Maatschappij opgericht, de eerste
cultuurmaatschappij in Nederlands-Indië, een naamloze
vennootschap waarvan de directie niet in Indië maar in
Amsterdam zetelde. In het eerste jaar werd 200%
dividend uitgekeerd, in het derde jaar 1300%.

Kaneel

Kajoe manis of de bast van de Indische kaneelboom stond in de handel bekend onder de naam ‘cassia vera’ of ‘kaneelkassia’. Begin 1900 werd er nog een goede prijs voor betaald maar de export was tegen 1940 zeer sterk teruggelopen.

De kaneelboom voelt zich prettig in het gebergte op een hoogte van circa 1000 meter. Het is een gemakkelijk groeiende boom die ook wel wordt toegepast voor herbebossing en langs de wegen als wegbeplanting.
De bevolking in bergachtige streken plant de kaneelboom op hun erven of in kleine tuintjes. In het laagland groeit de boom eveneens goed, alleen de bast is wat dunner.  In kaneeltuintjes staan de bomen op circa 2 meter van elkaar, er is hier sprake van een vrij dichte beplanting. Zeven of acht jaar na uitplanting kan de bast geoogst worden.
Eerst wordt de stam afgeschraapt om de kurklaag te verwijderen.
Daarna wordt de stam rondom van boven naar beneden ingesneden, de sneden liggen op een afstand van 5 tot 10 cm van elkaar, afhankelijk van de dikte van de stam. Tussen de sneden in wordt de bast gemakkelijk van het hout afgescheurd.
Dan wordt de boom geveld vanaf circa 5 cm van de wortelhals. Van de dikkere takken wordt de bast eveneens afgescheurd. De takbast is dunner en minder geurig.  Van de buitenlaag ontdaan rollen kleine stroken bast bij het drogen ineen tot de z.g. pijpkaneel. Kaneelolie wordt gedestilleerd uit het bastafval.

Kruidnagel (Tjengkeh)

Kruidnagelbomen werden aanvankelijk alleen in de Molukken aangetroffen, veel later werd de cultuur overgebracht naar andere delen van de Indonesische Archipel en verder naar andere landen.

Pas in de laatste decennia van de 18de eeuw lukte het de Fransen zaden en plantjes over te brengen naar Mauritius van waaruit de cultuur zich ook verspreidde naar Madagaskar, Zanzibar en het Caraïbisch gebied. De beperkte spreiding was in hoge mate te danken aan de bijzondere eisen die de kruidnagelboom aan de grond en aan het klimaat stelt.
De tjengkeh-bomen vergen weliswaar wat betreft teelt en verzorging op zich weinig energie en tijd, maar ze vragen wel langdurige aandacht.
Tussen aanplant en bloei ligt namelijk een tamelijk lange periode.
Een kruidnagelboom draagt pas na 10 of 12 jaar vrucht en bereikt daarbij doorgaans een leeftijd van 50 of 60 jaar.
Tussen oktober en januari – wanneer de bomen in bloei staan – worden de bloemtrosjes geplukt door in de boom te klimmen of takken naar beneden te halen met haken aan lange bamboestokken. Pas op dat moment wordt er intensieve arbeidsinspanning gevraagd. Wanneer de knoppen beginnen te bloeien, zijn er namelijk slechts enkele dagen om deze te plukken; het aroma neemt erg snel af.
In verband met de broosheid van de knopjes moet snelheid niet ten koste gaan van uiterste voorzichtigheid bij het plukken.

Strijd om de aardolie in Nederlands-Indië

In 1907 fuseerde de Koninklijke met het Engelse bedrijf Shell Transport and Trading Company, dat een raffinaderij in Balikpapan op Borneo had opgezet, tot de Koninklijke Olie /Shell Groep, later bekend onder de naam Shell.

Na de fusie in 1907 met een Engels oliebedrijf werd als Koninklijke Shell getracht het monopolie over de oliewinning in Nederlands-Indië te verkrijgen.
In Palembang werd Moeara Enim overgenomen en later de Dordsche Petroleum Maatschappij, die bronnen in Midden-Java exploiteerde.
De Nederlandse regering weigerde andere bedrijven concessies en aldus werd het monopolie een tijdlang gehandhaafd.
Enige concurrentie kwam later van het Amerikaanse oliebedrijf van Rockefeller, Standard of New Jersey, dat door aankoop van oude concessies voet aan de grond kreeg en de Nederlandse Koloniale Petroleum Maatschappij (NKPM) oprichtte. Op grond van een oude concessie werd in 1926 een grote raffinaderij opgezet in Sungai Gerong, aan de Kommering, een zijarm van de Moessi, recht tegenover de BPM-raffinaderij in Pladjoe. In 1939 werd deze raffinaderij de grootste in het Verre Oosten. De naam NKPM was intussen gewijzigd in Standard Vacuum Petroleum Company (Stanvac). Ook Caltex werd in 1939 actief in Nederlands-Indië. Begin jaren ‘40 werd de oliewinning in Nederlands-Indië verdeeld onder "de Grote Drie": Shell, Stanvac en Caltex. Dit monopolie op olie werd later door politieke beslissingen op wereldniveau opengebroken.

De eerste vlucht naar Indië

De eerste vlucht naar Indië werd in 1924 uitgevoerd met een Fokker, type F-8 van de KLM.

Je moest in het begin van de jaren ’20 wel een idealist zijn om te dromen van een vliegreis naar Indië. Gezagvoerder bij de KLM, Thomassen à Thuessink van der Hoop was dat in ieder geval en al jaren liep hij met dat stoutmoedige idee rond.

Eindelijk kreeg hij toestemming en onder grote belangstelling steeg op 1 oktober 1924 de éénmotorige Fokker, type F-8, van Schiphol op met een driekoppige bemanning bestaande uit Van der Hoop zelf, luitenantvlieger Van Weerden Poelman en boordwerktuigkundige Van den Broeke.
Twee dagen later, boven Bulgarije, begaf de radiateur van de H-NACC het plotseling en Van der Hoop moest een noodlanding maken. Door de klap van de landing bezweek het landingsgestel en de motor werd onherstelbaar vernield.
Einde van de tocht ??
Niets is minder waar, want uit Nederland werd terstond een nieuwe Rolls Royce Eagle-motor aangevoerd en door meegekomen Fokker-technici gemonteerd.

Op 2 november werd de reis hervat.
Ondanks herhaalde technische problemen onderweg landde het toestel, zonder verder nodeloos oponthoud, in Batavia op 24 november 1924.
De vliegeniers waren de nieuwe nationale helden.

De eerste vlucht naar Indië

De eerste vlucht naar Indië werd in 1924 uitgevoerd met een Fokker, type F-8 van de KLM.

Je moest in het begin van de jaren ’20 wel een idealist zijn om te dromen van een vliegreis naar Indië. Gezagvoerder bij de KLM, Thomassen à Thuessink van der Hoop was dat in ieder geval en al jaren liep hij met dat stoutmoedige idee rond.

Eindelijk kreeg hij toestemming en onder grote belangstelling steeg op 1 oktober 1924 de éénmotorige Fokker, type F-8, van Schiphol op met een driekoppige bemanning bestaande uit Van der Hoop zelf, luitenantvlieger Van Weerden Poelman en boordwerktuigkundige Van den Broeke.
Twee dagen later, boven Bulgarije, begaf de radiateur van de H-NACC het plotseling en Van der Hoop moest een noodlanding maken. Door de klap van de landing bezweek het landingsgestel en de motor werd onherstelbaar vernield.
Einde van de tocht ??
Niets is minder waar, want uit Nederland werd terstond een nieuwe Rolls Royce Eagle-motor aangevoerd en door meegekomen Fokker-technici gemonteerd.

Op 2 november werd de reis hervat.
Ondanks herhaalde technische problemen onderweg landde het toestel, zonder verder nodeloos oponthoud, in Batavia op 24 november 1924.
De vliegeniers waren de nieuwe nationale helden.

Vlechten als huisvlijt


Vlechten is welhaast de oudste vorm van
huisvlijt in de tropische landen. Ook in Indonesië
weten de inwoners zich door vlechtwerk te
voorzien van de noodzakelijke materialen voor
woning en huishoudelijke voorwerpen.

De wanden van de huizen, niet alleen in de kampong
maar ook van eenvoudige huizen in stedelijke gebieden,
worden vaak gevlochten van bamboe. Als dakbedekking
worden aaneengevlochten bladeren (atap) van diverse
palmsoorten gebruikt.
Huishoudelijke artikelen van vlechtwerk zijn o.m.
manden, slaapmatten, wannen om de rijst te reinigen,
rijstkokers, kipassen om het vuur in de anglo aan te
wakkeren, dozen, zeven, deksels, hoeden, enz.
De grondstoffen worden gevonden in en om de desa,
zoals bamboe, rotan, pandan, bladeren van de
cocospalm, nipa, sagopalm, lontarpalm, maar ook
widoeri-vezel, mendong-bies, alang-alanG-Gras en
talloze andere bladeren of stengels.
Vlechten is een nevenbedrijf voor de landbouwer, de tani
vlecht, zijn vrouw weeft. Een pandanmat van circa 120
bij 30 meter kost om en nabij 12 uren arbeid, de
verdienste is daarentegen zeer gering.

Van grote betekenis was eens de hoedenvlechterij. In de
tijd dat de ‘strooien hoed’ mode was in Europa was de
export naar het buitenland zeer groot. De hoeden
werden in vlechterijen in Tangerang en Tasikmalaja
gemaakt onder Europees beheer.
De hoedenindustrie leverde ook aan de politie en het
leger. De hoeden werden eerst uit gespleten bamboe
gemaakt, later gebruikte men pandanblad.

Cassave of ketella pohon


In Brazilië noemt men het maniok of mandioca,
Europeanen noemen het cassave, in Indonesië
noemt men het oebi kajoe en op Java ketella
pohon.
Het gaat om het knolgewas waarvan de
knolwortel het bekende tapiocameel levert.

Omstreeks 1900 was de cassave in vele streken van
Indonesië nog onbekend. Tijdens de 1ste Wereldoorlog,
toen er rijstschaarste heerste, werd het knolgewas in
snel groeiend tempo geteeld.
De cassavewortel neemt nu een belangrijke plaats in als
voedingsmiddel van de bevolking in Indonesië.
Cassave wordt steeds uit stengelstekken geplant.
Het gewas stelt geen eisen aan de bodem en kan op
allerlei gronden worden geteeld, behalve op echte
kleigronden.
De groeiduur van de knollen varieert, de bevolking oogst
de cassaveknollen van de vroegrijpende variëteit na
ongeveer 6 tot 9 maanden en die van de laatrijpende na
10 of 12 maanden.
Voor consumptiedoeleinden wordt de cassaveknol
gepoft, gekookt, gestoomd of gebakken in olie.
In de warongs zijn allerlei versnaperingen van de
cassaveknol verkrijgbaar, bv. opak als geroosterde platte
koek of droge kroepoek, peujeum (soendanees) of tape
(javaans), enigszins gegiste stukken, gesneden en
gekookte knol, getoek (javaanse koek).
Voor de export worden de knollen geschild, in stukken
gesneden en gedroogd tot gaplek (bestemd voor
veevoer) of vermalen tot (ongezuiverd) gaplekmeel.
Tapiocameel wordt fabrieksmatig verkregen door het
cassavemeel extra te zuiveren van schadelijke stoffen
(o.m. een weinig blauwzuur) uit de knolwortel.