Nekolim, een fobie van haat

NEKOLIM, Neokolonialisme, was het toverwoord van Soekarno tegen de oprichting van de Federale Staten van Malaysia. Radio Jakarta wakkerde de haat aan tegen de ‘aartsboef’ Tengku Abdul Rahman, premier van Malaysia, en natuurlijk tegen de Britse Imperialisten.

Engeland trok zich terug uit zijn Zuid-Aziatische kolonies,
in dit geval uit Maleisië, maar ook uit Serawak en Brits Noord-Borneo (later Sabah genoemd). Gestreefd werd naar een federaal systeem waarbij ook Brunei en Singapore werden betrokken. Malaysia, een federatie van 5 staten.
Tegen de vorming van Malaysia tekende Soekarno verzet aan. Zijn argument was dat Malaysia dan een marionet van Engeland zou blijven en dat met de Britse invloed op de regio de onafhankelijkheid van Indonesië ernstig werd bedreigd.
De vorming van Malaysia ging niet zonder slag of stoot.
Opstanden in Brunei en Serawak tegen de aansluiting met Maleisië werden militair onderdrukt. De UN speelde een rol in de binnenlandse conflicten van beide Borneo-staten via een pro en contra referendum.
Uiteindelijk werd op 16 september 1963 Malaysia opgericht met Maleisië, Singapore, Serawak en Sabah.
Brunei besloot afzonderlijk te blijven. Later in 1965 trok Singapore zich terug uit de federatie.

In Indonesië steeg de spanning. De morgenedities van de nieuwsbladen stonden vol onheilspellend nieuws over een mogelijke inval van Malaysia via Medan en Sumatra.
De Britse en Singaporese ambassades in Jakarta gingen in vlammen op en tegen het einde van 1964 was de bevolking volledig opgeruid tegen Malaysia.
“Nekolim”! Oorlog! Weg met de Britse imperialisten!

Meer openheid bij de Badoei

De Badoei gemeenschap is op herhaald aan-dringen van de Indonesische regering flexibe-ler geworden in de omgang met anderen. Trektochten door Badoei Loear en Badoei Dalam begeleid door gidsen zijn toegestaan.
The Jakarta Post, Bambang Parlupi, 2 februari 2006

De geloofsopvattingen van de Badoei (zij noemen zichzelf ‘Orang Kanakes’ naar de naam van hun grondgebied) worden aangeduid met de naam “Soenda Wiwitan” (oorspronkelijk Soendanees). Het zijn oud-Soendanese, hindoe-boeddhistische maar ook animistische overtuigingen. Als streng geïsoleerd levende mandalagemeenschap streven zij naar harmonie met het aardse en het hemelse. Hun levensfilosofie is gericht op eenvoud van leven en eerlijkheid in gedrag. Hierbij valt de nadruk op het vinden van een evenwicht tussen natuurbehoud en levensomgeving, hetgeen tot uiting komt in hun principiële levensopvatting “Goenung oelah dileboer, lebak oelah diroesak”, bergen moeten nooit worden blootgelegd en (oer)wouden nooit vernietigd.
Reeds in de koloniale tijd verkregen zij een status aparte. Zij werden gevrijwaard van belastingheffing, ‘herendiensten’, Indonesische bestuurders en leerplicht, zij wilden niet ontwikkeld worden.
In het moderne Indonesië blijft hun bevoorrechte positie gehandhaafd hetgeen zij voor een groot deel danken aan hun reputatie als hoogstaande mystici.
Onderwerping aan de vele verboden en de strenge naleving hiervan binnen de Badoei-gemeenschap blijft heden ten dage nog onverkort van kracht. Toch is sprake van een voorzichtige toenadering tot de buitenwereld. Onder strikte voorwaarden kan men nu bepaalde delen van het Badoei-gebied betreden.

Soekarno en de pers

Soekarno gaf zich zelf het recht om partijen en eventueel daarbij behorende nieuwsbladen, die ook maar enigszins afweken van zijn beleid, te verbieden. Zij hebben dan zijn limiet overtreden en werden vervolgens bestempeld als kontra-revolusi, reaksi en gevaarlijk voor de Republiek.

In de beginjaren van 1960, nadat hij zijn Geleide Democratie had ingevoerd, had Soekarno zijn eigen ideeën over het functioneren van de pers. Kritiek op zijn beleid of artikelen die inhoudelijk niet strookten met de opvattingen van de President, ondergingen allen het zelfde lot: zij werden verboden.
De wijze waarop nieuwsbladen werden aangepakt, gebeurde in al zijn onrechtvaardigheid op een unieke wijze: hij confisqueerde de baten (activa), maar niet de lasten (passiva).
De onteigende nieuwsbladeigenaar bleef daarmee met de verplichting opgezadeld om de financiering van de machinerie, de printers en andere drukkerijbenodigd-heden af te betalen zonder de apparatuur waarop de kredietverlening was gebaseerd in bezit te hebben.
Dat lot overkwam Mochtar Lubis, eigenaar en hoofd-redacteur van het veelgelezen blad Indonesia Raya. Hij verweerde zich tegen de stijgende corruptie in het land en werd daarvoor 10 jaar in de gevangenis gestopt.
Dat overkwam Rosihan Anwar met zijn alom geprezen culturele blad Pedoman. Het nieuwsblad had een oplage van 70.000 alleen al in Java. In één klap was Anwar straatarm.
Dat overkwam zelfs Sutan Sjahrir met zijn blad van de Partai Socialist Indonesia. Op grond van beweringen werd hij zonder vorm van proces in 1962 in de gevan-genis gezet omdat hij voornemens zou zijn geweest een moordaanslag op de President willen plegen.

Badoei’s “Sasaka Domas”

Het mysterieuze Badoei-gebied ligt in de provincie Bantam in West-Java, zo’n 80 km ten zuiden van de stad Rangkasbitoeng, in een onherbergzaam, dichtbebost heuvelgebied midden in de Kadangse bergketen.
Gedachten op eene reize, in het zuidoostelijk gedeelte der Residentie Bantam gedaan, C.L. Blume, 1822.

Het hele Badoei-gebied ligt verscholen in de lang-gerekte Kadangse bergketen en beslaat een gebied van circa 90 bij 60 km. Aan de bronnen van de lange Tjioedjoeng rivier, één van de vele rivieren die in de bergketen ontspringen, ligt het heiligdom van het Badoei-volk, de Sasaka Domas. In de loop der tijden is het slechts een enkele Europeaan gelukt om toegang te verkrijgen tot dit mysterieuze heiligdom.
De eerste was C.L.Blume, een van oorsprong Duitse arts in dienst bij het KNIL. In zijn uitgebreid reisverslag van 1822 beschrijft hij de uiterst vermoeiende voettocht door het oerbos in de natte en koude regenperiode. Vergezeld door Badoei-gidsen drong hij door tot het verboden Binnen-gebied en bereikte na veel ontberingen het heiligdom Sasaka Domas.
Uit zijn beschrijving valt op te maken dat het betrof een terrasvormig opgebouwd heiligdom dat vanaf de rivieroever omhoog rijst. Verspreid op de terrassen lagen liggende of staande basaltstenen van verschillende grootte. Op het hoogste terras stond een meer dan twee meter hoge, rechtopstaande steen. Deze voelbaar naargeestige, doodstille plaats was de verblijfplaats van de zielen van de voorouders en goden van de Badoei, met als belangrijkste god hun schepper de oppergod Batara Toengal, een god die als mens geleefd zou hebben. Op deze gewijde plek zullen de zielen van alle Badoei zich uiteindelijk, na loutering, verenigen met Batara Toengal.

NASAKOM

April 1965. President Soekarno’s concept van een representatief gouvernement was NASAKOM, NAS van Nationale partij, A van godsdienst (de religieuze partijen) en KOM van de Communistische partij.

Soekarno meende met het drie-partijen stelsel een stabiele regeringsvorm te kunnen bereiken. Hij dacht daarbij in de positie te verkeren om de meest actieve machten in Indonesië, het leger en de communistische partij, in balans te kunnen houden.
De strijdkrachten waren goed georganiseerd en Soekarno als hoofdbevelhebber had groot vertrouwen in het leger. Twee getrouwen van hem hadden de leiding, Generaal Nasution was minister van defensie en generaal Yani was bevelhebber van de strijdkrachten.

De 2de macht was de Partai Kommunis Indonesia (PKI).
Gebruikmakend van de geldende NASAKOM-doctrine wilde Soekarno de communisten langs de weg leidden die hij wilde gaan. Maar de leiding van de PKI had een andere route in gedachten. NASAKOM gaf de KPI de strategische positie die zij als partij nog nooit eerder hebben gehad. Zij groeide onder voorzitterschap van D.N. Aidit uit tot de in grootte 3de communistische partij ter wereld met 300.000 kaderleden en 2 miljoen leden.
Zij gebruikte die macht om tot in de meest verwijderde dorpjes een agressieve landhervorming door te voeren daarbij werden landbouwgronden en sawah’s van moslim boeren onteigend. Daarmee werd de sociale positie van de lokale islamitische geestelijken ernstig bedreigd, maar ook het leger kwam hiertegen in verzet. Niemand durfde daar iets tegen te doen. Toen Aidit ook nog 15 miljoen boeren wilde bewapenen met wapens uit China was het duidelijk dat de KPI naar meer macht streefde.

De eendenhoeder

Eendenhoeders zijn een groot deel van het jaar met hun eenden onderweg naar pas geoogste rijstvelden. Hier treffen ze kosteloos voedsel aan voor hun eenden. Ze leven van de verkoop van de eendeneieren.

Het is een bekend gezicht, de eendenhoeder achter zijn kudde eenden op weg naar ergens. Het tempo werd bepaald door zijn eenden en hij houdt ze in bedwang met een lange zwiepende bamboe stok.
Hij leidt zijn eenden naar rijstvelden waar pas geoogst is. Tijdens het oogsten blijft er namelijk altijd een aanzienlijke hoeveelheid rijstkorrels op het veld achter. Voor de eenden vormen de door de boeren achtergelaten rijstkorrels een uitstekend voer.
Het is dus zaak dat een eendenhoeder voortdurend op zoek gaat naar rijstvelden die net geoogst zijn. Van de boeren moet wel eerst toestemming worden verkregen. Als tegenprestatie ontvangen de boeren een pakje sigaretten of wat eendeneieren.
Een groot deel van het jaar is de eendenhoeder van huis. Hij weet inmiddels waar, dankzij de aanwezigheid van een irrigatiesysteem meerdere malen per jaar geoogst wordt. Hij overnacht bij vrienden langs de route of ergens in het veld.
De meeste inkomsten krijgt de eendenhoeder uit de verkoop van de eieren. Met een koppel van 200 eenden betekent dat zo’n 150 eieren per dag. Deze worden aan de eierhandelaar verkocht tegen zeg maar 30 cent per stuk en de verdienste beloopt dan zo’n 45 gulden per dag. Daar komt dan nog bij, dat oudere niet meer productieve eenden aan Chinese restaurants worden verkocht.

Het einde van de PRRI/Permesta revolte

President Soekarno gaf generaal Nasution de opdracht om de PRRI/Permesta opstand militair genadeloos te onderdrukken. Nasution paste een uitgekiende strategie toe, die uiteindelijk zou leiden tot de volledige overgave van de rebellerend bataljons in 1961.

Een serie geduchte luchtaanvallen van de Republikeinse luchtmacht (AURI) verwoeste een groot deel van de vijandige B26 bommenwerpers op het vliegveld in Menado. Daarna volgde een zowel amfibisch als door luchtlandingstroepen uitgevoerde aanval op Menado.
Tegelijkertijd werden op Sumatra de steden Medan, Bukkittingi en Padang op dezelfde wijze heroverd.
De rebellerende troepen trokken zich terug in de bergen en bossen om vandaar een guerrillaoorlog te starten.
Maar dan kondigde de Centrale Overheid in Jakarta een geslaagde campagne aan door amnestie te verstrekken aan hen die zich wilden overgeven. Omdat hier sprake was van strijdende partijen die elkaar goed kenden, zelfs vrienden en familieleden zijn van elkaar, verliep deze maatregel tot volle tevredenheid.
Door deze strategie bereikte generaal Nasution dat eerst druppelsgewijs en daarna met hele bataljons tegelijk de rebellerend manschappen zich overgaven. Zo werden 20-30 van de rebellerend bataljons sinds 1961 weer ingelijfd bij de strijdkrachten van de Republiek Indonesia. Na de strijd volgde op z’n Indonesisch een hartelijke omhelzing.
De politieke coupleiders zijn naar het buitenland gevlucht. Officieren die zich al te gecompromitteerd hadden gedragen werden op wachtgeld gezet, zij die verantwoordelijk waren voor moordpartijen werden geëxecuteerd. Met de teruggekeerde bataljons werd het anti-communistitische element in het leger versterkt.

Zwavel van de Kawa Ijen

Vanaf de plaats Banyuwangi in Oost-Java bereikt men met een gehuurd minibusje de voet van de Kawa Idjen. Daarna moet de 2800 meter hoge top beklommen worden om vervolgens in een weeë stank van rottende eieren af te dalen naar het lager gelegen, turkooisblauwe kratermeer.

Vanaf de top van de Kawa Idjen (2800 m.) gaat een bochtige vervallen trap door een doolhof van kolossale rotsblokken naar het 300 meter lager gelegen kratermeer. Even boven dit meer aan de linkerkant van de krater is de helgele zwavelwand zichtbaar. Op de brede richel bij deze wand werken tientallen arbeiders.
Vanuit de verspreid liggende gaten in de warme wand stroomt ’s nachts de zwavel in gasvorm naar buiten. De zwavel wordt door condensatie vloeibaar en hoopt zich op rond elke gasopening, koelt vervolgens af en veroorzaakt enorme, stevige zwavelafzettingen.
Een arbeider hakt met een stalen staaf op de ’s nachts gevormde sedimenten in en maakt er kleinere brokken van. Anderen zoeken de brokken bij elkaar, vullen hun draagmanden ermee en sjouwen de zwavelbrokken op hun rug de kraterwand op naar de top van de Kawa Idjen. Vandaar komen de zwavelbrokken naar de zwavelfabriek in Jambu. Op en rond de centrale ovens liggen hopen helgele zwavel die in de ovens wordt hersmolten. De gesmolten zwavel wordt via filters gereinigd van onzuiverheden en met een pannetje uitgegoten op een natte cementvloer. Door het koude water stolt de vloeibare zwavel tot dikke, platte platen die vervolgens worden vermalen om als kleinere stukjes in zakken te worden gestopt.
De zwavel wordt gebruikt als explosief goedje voor vuur-werk, lucifers, enz. Verder in de chemische industrie en als geneesmiddel, maar vooral om rietsuiker te bleken.

De CIA in Indonesië

Operation Hike, zo noemde J. Burkholder Smith in zijn boek “ Portrait of a cold war” de hulp van de CIA aan de opstanden in Sumatra en Celebes. Hij beschreef hoe de CIA, geheel op zich zelf, actief deelnam aan de politieke strijd van de opstandige kolonels in beide gebieden.

De langdurige weifelachtige politieke situatie in Jakarta lokte begin 1957 in Sumatra en Celebes een reactie uit. In beide gebieden kwamen legereenheden in actie die van Soekarno eisten dat de communistisch getinte politiek van het kabinet Djuanda moest worden beëindigd. Soekarno gaf daar geen gehoor aan.
Bang voor een intensieve verspreiding van het commu-nisme in Indonesië, zei de directeur planning van de CIA “I think it is time we held Soekarno’s feet to the fire”.
De operatie Hike begon.
Zonder aanduidingen en daardoor onbekende vliegtuigen dropten op grote schaal uiterst modern wapentuig op geheime plaatsen in de buurt van de opstandige troepen. Buitenlandse instructeurs gaven ter plaatse uitleg over het gebruik van de wapens. Buitenlandse huurlingen voegden zich bij de troepen en ondersteunden de aanvallen op het Indonesisch leger.
In de Mindanao times uit de Fillippijnen verschenen artikelen die berichten dat bombardementen werden uitgevoerd op doelen in Makassar, Ambon en andere plaatsen door langeafstands bommenwerpers. Op het vliegveld bij Menado waren bommenwerpers gestatio-neerd die luchtaanvallen uitvoerden in de omgeving.
De CIA trok zich pas terug toen één van deze bommenwerpers werd neergeschoten. De piloot was Allan Pope, een gevechtsvlieger uit de Koreaanse oorlog.
Op alle fronten werd de inmenging van de CIA ontkend, maar wapens en vliegtuigen waren beslist Amerikaans.

Desa Suriname’ op Sumatra

Van de 33.000 Javanen die als contractarbeider naar Suriname werd vervoerd, keerden ± 8.500 na afloop van hun 5-jarig contract terug. De grote meerderheid wisselde hun recht op een betaalde terugtocht in tegen 100 Sur. guldens voor de aankoop van een stukje land.

Doordat hun levensomstandigheden na de contract-periode niet echt verbeterde, bleef de wens om terug te keren naar Java altijd doorwoekeren.
Sommigen van hun verkozen bij de openbare verkiezin-gen in 1950 niet voor het Nederlanderschap maar voor terugkeer naar het onafhankelijk geworden Indonesië.
Een van de organisaties die zich beijverde voor de terug-keer naar Java was de “Yayasan ke tanah air” (Organisa-tie voor terugkeer naar het vaderland) van S.M. Hardjo en J.W. Kariodimedjo.
Op 4 januari 1954 vertrok een groep van 300 gezinnen uit Paramaribo, in totaal 1014 man, waarvan 646 perso-nen in Suriname geboren zijn. Vooraf aan het vertrek werden tijdens vele bezoeken goede afspraken gemaakt met Indonesische functionarissen.
Java als bestemming was niet mogelijk. Het werd het land van de Minangkabau, Sumatra, 180 km van Padang alwaar hun ongeveer 1500 ha grond was toegezegd.
Midden in de rimboe verrees na jaren van hard werken de model desa Tongar. Ze was ruim van opzet en ieder huis had een flinke tuin. Een welvarende desa was het.
Heden ten dage ligt Tongar nog steeds aan de voet van de Boekit Barisan. De eerste repatrianten (30) zijn ouder geworden. Vele anderen zijn uitgevlogen en hebben elders in Indonesië een bestaan opgebouwd.
Eens werd hier gedanst op Zuid-Amerikaanse muziek als uit alle windstreken de families bijeenkwamen om feest te vieren en Pom te eten.

Permesta in Noord Celebes

In 1955 werd bij de algemene verkiezingen de communistische partij de 4de partij in het land. Dit tot bijzonder groot ongenoegen van de leger- en vele burgerautoriteiten in de gewesten buiten het eiland Java. Zij eisten van Soekarno autonome vrijheid van handelen.

Omstreeks de tijd dat in Sumatra een opstand uitbrak (eind 1956) tegen de centrale regering in Jakarta, kwam met dezelfde intenties in Noord Celebes een beweging op gang, die bekend werd als de Permesta-revolte. De Piagram Perjuangan Semesta (Charter van de universele strijd), werd op 2 maart 1957 uitgeroepen door militaire en burgerlijke leiders. Het centrum was gevestigd in Menado en de leider van de beweging was kolonel Ventje Sumual.
De initiatiefnemers waren voornamelijk legerofficieren, die als ware krijgsheren hun macht ontleenden aan de wanordelijke, weke, instabiele en communistisch getinte politiek van de achtereenvolgende kabinetten in Jakarta. Gedurende die jaren van Liberale Democratie, hadden legerofficieren zich een lucratieve verdienste weten toe te eigenen door op grote schaal te smokkelen in ruwe rubber en copra.
De opstandelingen hoopten dat meerdere commandan-ten zich bij hen aansloten. Dat lukte slechts ten dele.
Echter, de CIA meldde zich als strijdmakker en bevoor-rade hen met moderne wapens en vliegtuigen. Er was zelfs sprake van een Permesta luchtmacht van 15 B26 bommenwerpers compleet met CIA-piloten en onder-houdsdienst op het vliegveld Menado. De luchtaanvallen richtten zich op steden in handen van de centrale overheid, Balikpapan, Makassar en Ambon.
De Permesta en de PRRI in Sumatra sloten een verbond en trokken gezamenlijk op tegen Centrale regering.

Javanen in Suriname

Als een van de laatste kolonisators schafte Nederland in Suriname in 1863 de slavernij af. Vele ex-slaven verruilden de plantages voor het leven in de stad Paramaribo. In de 140 plantages ontstond een nijpend tekort aan arbeidskrachten.

Op 9 augustus 1890 kwam de eerste groep Javaanse contractarbeiders (93) in Suriname aan. Allen hadden een 5-jarig contract voor 6 dagen werk in de week en 7 uur per dag. Na afloop van de contracttijd was voorzien in een vrije overtocht naar het land van herkomst.
Het werken met de Javaanse contractanten beviel goed en er werd van overheidswege i.v.m. de continuïteit van arbeidskrachten in Suriname een Javaanse immigratie opgestart.
In 1894 kwam de volgende groep van oorspronkelijk 614 Javaanse contractarbeiders in Suriname aan. Als gevolg van slechte omstandigheden aan boord (overbe-vrachting), stierven er gedurende de 40 dagen durende reis, 64 personen. De Handels-Maatschappij die de over-tocht ‘belangeloos’ verzorgde werd daarvoor niet aan-sprakelijk gesteld.
Van 1890 – 1939 werden ± 33.000 Javaanse contract- arbeiders aangevoerd. De immigratie eindigde met het uitbreken van 2de Wereldoorlog.
Lange tijd werkten de Javanen op de plantages of in de kleine landbouw. Daardoor leefden zij geïsoleerd van andere bevolkingsgroepen en ook misten zij scholings-mogelijkheden. Gediscrimineerd door Creolen en Hin-doestanen (eerdere contractarbeiders) bleven zij heel lang verstoken van betere baantjes dan de laagst betaalde. Anno 2000 is dit beeld niet meer actueel.
Het Javaanse bevolkingsdeel is nu geïntegreerd in de Surinaamse samenleving.

Zoutindustrie

Ondanks de overvloedige grondstoffen die Indonesië rijk is, beschikt het over weinig natuurlijke zoutbronnen. Talloze kleine bedrijfjes op alle eilanden winnen zout uit zeewater. Daar waar ongerepte gronden net even boven de zeespiegel liggen, treft men zoutpannen aan.

Kleine stukken grond worden afgebakend door smalle, lage dijkjes. De bodem van zo’n zoutpan wordt keurig plat gewalst met een eenvoudige handwals aan een lange bamboestok.
Via een systeem van greppels en goten wordt bij vloed zeewater in de zoutpannen overgeheveld.
Een lange bamboestok hangt keurig in evenwicht over een geïmproviseerde bamboevork. Aan het ene einde is een waterdicht gevlochten mand gehangen, aan het andere einde wordt de hevel met mankracht bediend. Het water uit de volgelopen greppel wordt telkens met de mand overgeschept in de zoutpan. Op deze manier wordt een waterhoogte bereikt van circa 10 cm.
Zonnewarmte en wind doen het water verdampen. Het zout blijft liggen. Telkens wordt de zoutpan met zeewater aangevuld tot de afgezette zoutlaag dik genoeg is om weggeschept te worden. Heel voorzichtig moet de dunne zoutlaag worden weggeschept zodat het zout zich niet kan vermengen met de onderliggende grond. Met draagmanden wordt het zout centraal opgestapeld tot de bekende zoutheuvels.
De grondgesteldheid bepaalt het kristallisatieproces, het doorsijpelen van grondwater moet worden voorkomen.
In het regenseizoen ligt de zoutwinning stil.
Een grote zoutverbruiker is de visindustrie, bijvoorbeeld de pindangmakers die veel zout gebruiken bij de productie van zoute vis.

De genodigden op 17 augustus


Op 17 augustus 1959 zaten de genodigden op de tribune. Onder het fluwelen baldakijn was het heet. De dames in hun batikrokken waaierden zich koelte toe met het programmaboekje. De heren in wandelkostuum en uniform voerden een trage conversatie.

Men wachtte op Soekarno, de genodigden. Het nieuwe systeem was hun al bijgebracht. Er waren een heleboel nieuwe functies te vergeven. De gesprekken werden op zachte toon gevoerd.

‘Je moet je firma aan een staatsbedrijf koppelen, zei de man van de handelsbank tegen zijn oom, ik zal de afdeling licenties overnemen. Ik regel dat wel’.
‘Die parlementsklucht in Bandoeng is tenminste voorbij, zei een generaal tegen zijn collega van de luchtmacht, wij hebben alles al te lang laten verwaaien. Nu moeten wij als één man die rebellen in Oost Sumatra en Noord Sulawesi hard aanpakken’.
‘Zeg, die kolonel Kawilarang, die aanvoerder van de rebellen, was toch jouw oude baas, zei de man van de luchtmacht, wat gaat het leger doen nu alle partijen aan de kant zijn gezet?’
‘Mee regeren. Duidelijke verhoudingen scheppen. De veiligheid herstellen en daarna opbouw en orde. Slechts één beveelt, de anderen gehoorzamen’.
‘Dat riekt naar dictatuur. Maar inderdaad U weet wel, het land kan niet zonder hem’.
‘Ach, Karno, dacht de socialistenleider, het paleis heeft jouw oordeel vertroebeld. Je had altijd al een zwak voor mensen die je naar de mond praten. Ze zijn ijdel, hebzuchtig en al omgekocht voordat ze minister werden. Arm Indonesië. Maar misschien heb jij gelijk. Wij deugen niet voor het regeren. Kijk maar hoe jij het alleen doet’.

Karbouwengat en Kota Gadang

“The Grand Canyon” van Indonesië “ wordt hij genoemd, voorheen het Karbouwengat. De kloof is ontstaan tijdens erupties van de nabij gelegen Sumatraanse Merapi.

Nabij Bukittingi (voorheen Fort de Kock) in de Padangse Bovenlanden van West Sumatra ligt Ngarai Sianok, een 100 meter diepe en 4 km lange kloof tussen steile bergwanden, beter bekend als het “Karbouwengat”.
Beneden in het diepe dal dat door de rivier de Ngarai Sianok is uitgeslepen, loopt een wandelpad.
Komend van Bukittingi eindigt het pad, via een zeer steile opgang aan de andere kant van de kloof in het zilverstadje Kota Gadang, dat bekend is door het sierlijke filigrane-werk in goud en zilver. Uit de eigen zilversmederij wordt zilverwerk vervaardigd bestaande uit 95% zilver en 5% koper. Verder is Kota Gadang bekend om de kostbare sarongs die er geweven worden en in vroegere jaren ook door de grote ontwikkeling van zijn bewoners in vergelijking met de rest der bevolking.
Toen de eerste Inlandse school te Fort de Kock geopend werd, waren het bijna uitsluitend jongelingen van Kota Gadang, die de school bezochten. Als gevolg daarvan trof men in de koloniale tijd onder de Kota Gadang-inwoners vele inheemse ambtenaren aan, zoals djaksa’s, koffiemantries en schoolmeesters, velen ook in dienst van de Nederlands-Indische regering en werkzaam in Fort de Kock. In de beginjaren van de Republik Indonesia speelden intellectuelen afkomstig uit Kota Gadang een grote rol in het Republikeinse Landsbestuur, te denken valt aan twee voormalige Indonesische premiers: Agus Salim en Mohammed Natsir.

“Mooi weertje, vandaag”

Repatrianten die voor het eerst “Mooi weertje vandaag” als begroetingsritueel kregen te horen, doken vanwege de schrale koude wind nog dieper in de kraag van hun jas en waren het absoluut niet eens met die opmerking.

Als je dat aarzelend beaamde, bedacht je dat op die dag inderdaad de zon flauw aan de matblauw getinte hemel stond. Tegelijk streelde de schrale ijskoude Noorden-wind langs je wangen. Nee, warm was het bepaald niet in Holland, maar. . . het regende die dag niet.
In Indië hoorde je “mooi weertje” nooit zeggen, het was altijd “mooi weertje” en tegen 12 uur in de middag zelfs verstikkend. Vooral als je woonde en werkte in de grote steden langs de kust. Omdat de hevige warmte verre van aangenaam was, negeerde men dat onderwerp.
In Holland hebben de mensen rode wangetjes en zien er frisser uit. Men slaapt onder een deken en dat is een sensatie. Geen enkele muskiet, dus er was ook geen klamboe nodig. Verse lucht kwam via een klapraampje boven de deur, een bovenlicht noemden ze dat.
Met het matte zonnetje aan de hemel ging men toch eerder bij de warme kachel vandaan. Men besloot niet alleen te wandelen maar tevens inkopen te doen. ‘Inkopingen’, zeggen Indische mensen. Ik heb er zelfs gekend die ‘inkopeningen’ zeiden. Hoe het ook zij, met mooi weer trok men naar de winkels in de stad.
Ajo, we gaan ‘stadten’?
De naoorlogse stad was bezig zich te moderniseren. Voor de eerste repatrianten was het zalig om in alle rust langs de winkels te slierten. Na lange, lange jaren ellende met Jappen en Pemoeda’s, bezetting en revolutie, kon men nu in volle vrijheid een saucijzenbroodje bij Rutek eten.

Waar zij over spraken op 17 augustus

Het grote Vrijheidsplein in Jakarta was op 17 augustus 1959 volgestroomd met duizenden mensen. Soekarno zou een redevoering houden. Onder de wachtenden bevonden zich vele jongeren. Zij hadden de revolutie en de strijd niet echt bewust meegemaakt.

Tegen het gietijzeren hek voor het witte paleis zat een groepje jongelui te wachten op wat Soekarno te zeggen had. De kranten hadden reeds melding gemaakt van het nieuwe systeem, maar ze hadden geen idee wat er veranderen moest en zou.
Tien jaren waren er verstreken sinds 1949. Het was niet naar wens gegaan. Plechtig was in 1945 verklaard dat er een rechtvaardige en welvarende gemeenschap zou ontstaan. Daar hadden hun ouders en broers voor gestreden, schouder aan schouder. En daarna begon het kibbelen en redetwisten, het gekrakeel van partijen, hebzucht en het telkens beter weten.
De rijken werden rijker en de armen steeds armer. Laatst nog zei iemand dat het vroeger beter was. Zijn vader diende bij een Hollander en van zijn spaargeld kon hij een nieuwe fiets kopen en kleren voor zijn kinderen. Vorig jaar 17 augustus kostte een liter rijst 4 roepiah, nu 20. Vanmorgen bij het ontbijt was er weinig rijst. En hun hemd was op deze feestdag al erg oud. Sarongs en batik zijn niet te betalen. 12 roepiah per dag verdiende je. Dat is anders bij die hoge pieten, die verdienden 4000 roepiah per maand. Geloof jij dat? Alleen de batik van mevrouw is al zoveel waard. Hij rijdt in een dure auto, hoe betaalt hij dat? Boven onze straat hangt zo’n spandoek met ‘Weg met Corruptie’. Laat mij niet lachen, tegenwoordig is iedereen corrupt.
Zou ‘onze’ Karno hier in het paleis het weten? Natuurlijk weet hij dat. Maar wat voor een systeem heeft hij nu.

Theo Meier

Geboren in 1908 in Bazel, Zwitserland, werd de schilder Meier getroffen door de primitieve kunst van Gaugin. Hij reisde in 1936 naar Tahiti en trof naar zijn zeggen de door Gauguin vertolkte schoonheid aan zowel in de kleurenpracht als in de lokale vrouwen.

Maar datgene wat Gaugin zo karakteriseert in zijn schilderijen, primitieve eenvoud, miste hij ten volle. Hij concludeerde dat Gaugin meer volgens zijn eigen artistieke fantasie schilderde dan de werkelijk aangaf.
Maar de componenten van de tropische natuur die Gaugin verweefde in zijn schilderijen trof hij later in Bali aan. In die tijd was Bali nog erg traditioneel ingesteld. Hier vond Meier wat hij miste in Tahiti, naast de uitbundige tropische natuur, een volk dat nog leefde volgens de oude tradities.
Hij vestigde zich in Sanur, een omgeving die hem inspireerde. Zijn objecten lagen direct voor de hand, de tempels en het dagelijks leven op Bali.
Hij sloot vriendschappen met de vele buitenlandse kunstenaars op het eiland. Onder hen de Duitser Walter Spiess, wiens bamboe woning in Iseh hij later overnam.
Hij trouwde twee keer met een Balinese vrouw. Beiden stonden model in zijn schilderijen.
De Japanse bezetting en de daarop volgende onafhan-kelijksstrijd van het Indonesische volk brachten Bali niet meer terug in zijn vooroorlogse staat. Maar Meier bleef zijn geliefde eiland schilderen.
Meier prijsde zich gelukkig dat President Soekarno een kunstliefhebber was. Deze kocht Meiers schilderijen en bracht o.a. Nasser en Nehru als kopers aan. Nehru was het die poëtisch Bali noemde “The morning of the world”.
Meier vertrok in 1957 met alle buitenlanders uit Indo-nesië en ging naar Thailand. Hij overleed daar in 1982.

Politiek Manifest

Op 5 juli 1959 zond Soekarno de Wetgevende Assemblee in Bandoeng het besluit waarbij zijwerd ontbonden. Het argument luidde dat de liberale democratie niet past bij het Indonesische volk en haar levensfilosofie. Er was een democratie met leiding en discipline nodig.

Op 17 augustus 1959 hield Soekarno op het Vrijheids-plein in Jakarta een 2 uur durende redevoering. Enkele fragmenten daaruit:
“Van 1945 tot 1950 hadden we een fysieke revolutie. We namen de imperialisten de macht en de heerschappij uit handen en . . . .onze bodem was een vlammenzee . .
Van 1950 tot 1955 was het de periode van het overleefd hebben. Ons lichaam was met wonden bedekt . . en wij ruimden de ruines op . . .
In 1956 wilden we een nieuwe periode inluiden . .schuld aan alle gebreken en moeilijkheden was niet omdat wij een volk zijn dat niet in staat is te presteren . .nee, de compromissen hebben onze geest aangetast . . . . het trachten naar verzoening en samenwerking met de oude koloniale macht . . trouw aan de letter van de Haagse overeenkomst van 1949 . . trouw aan het verdrag blijven! (verachtelijk uitgesproken).
Tien jaren zijn verknoeid. Broeders en zusters . . trekt alle liberalisme van U af . . gebruik de constitutie van 1945 als wapen. Hijst de vlag van de geleide democratie!
1959 is het jaar van de herontdekking van onze revolutie!” (Dit werd later de officiële titel van de redevoering, die de kern van het ‘Manifest Politik’ vormt)

De drie punten uit zijn regeringsprogramma waren:
Herstel van veiligheid (onderdrukking van de rebellie), voortzetting van de strijd om Nieuw-Guinea en bevrediging van de behoefte aan voedsel en kleding.

Le Mayeur de Merpres

Adrien-Jean Le Mayeur de Merpres werd op 9 februari 1880 in Brussel geboren. Zijn familie was geparenteerd aan de Belgische Koninklijke familie. Pas na afronding van zijn studie als architect kon hij zich toeleggen op zijn passie voor schilderen.

En schilderen deed Le Mayeur, daarvoor reisde hij de hele wereld af op zoek naar het beste licht voor zijn werkstukken. Hij volgde zelfs het spoor van Gauguin naar Tahiti. Die plaats werd een teleurstelling voor hem.
In 1932 werd hij aangetrokken door een reclameleus van de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij (KPM) die het eiland Bali aanprees als plaats van uitzonderlijke schoonheid en charme. Nog in datzelfde jaar arriveerde Le Mayeur in Singaradja Noord-Bali. Zijn bestemming vond hij bij Sanur beach in Zuid-Bali. Hij was diep onder de indruk geraakt van de tempelrituelen en dansen en niet in de laatste plaats van Ni Pollok, de prachtig gevormde legong danseres. Hij kocht een stuk land en bouwde er zijn villa. Ni Pollok werd eerst zijn schilders-model en later zijn vrouw.
Zijn impressionistische schilderijen deden het goed op tentoonstellingen in Singapore. Schilderijen verkocht hij ook thuis aan toeristen van de wekelijkse cruisse-schepen. De klanten werden gracieus bediend door zijn mooie Ni Polok en dienstmeisjes, allen topless!
De Nederlandse gouverneur van Bali verbood dit in zijn ogen onzedelijk gedrag. Le Mayeur schreef naar zijn neef de Koning van België, die schreef aan Koningin Wilhelmina, die schreef aan de GG van Nederlands-Indië en die schreef aan de puriteinse gouverneur van Bali “to shut up”, Le Mayeur niet te hinderen.
Begin 1958 vertrok Le Mayeur met een kankergezwel naar Brussel. Hij overleed op 31 mei 1958 in Brussel.

Na de verkiezingen van 1955

Voor Soekarno waren de besluiteloze, verdeelde en weinig tot leiden bekwame partij-politici een doorn in het oog. Hij wachtte op een goed moment om de geleide democratie, zoals die tot uitdrukking werd gebracht in de grondwet van 1945, weer te laten gelden.

De verkiezing van september 1955 had wel een nauwkeurige verdeling van partijen opgeleverd, maar de kennelijk onoverbrugbare standpunten tussen de partijen leidde niet tot adequate besluitvorming binnen het parlement. Er openbaarde zich ook geen groep die sterk genoeg was om te voorzien in een nationaal leiderschap. De chronische instabiliteit reflecteerde zich in de 6 kabinetten tussen 1950 -1957.
Eind 1956 trok vice-president dr. Mohammed Hatta zich terug uit de leiding van de staat en uit de politiek.
In Bandoeng boekte de Wetgevende Assemblee, die de grondwet moest voorbereiden over de stellingen in de Pantja Silla als staatsideologie, geen vooruitgang.
In het oosten van de archipel en in Sumatra namen legerofficieren het bewind in handen. Als krijgsheren verdienden zij grote winsten uit de welig tierende smokkel in allerlei goederen. Zij kwamen zelfs in opstand tegen het bevoegd gezag.
Ook de fanatieke moslim organisatie Darul Islam uit West Java had zich verspreid in Atjeh en Zuid Celebes.
De chaos stond voor de deur!

Soekarno greep in. Halverwege 1957 kondigde hij de noodtoestand af en vormde een niet aan partijen gebonden ‘zakenkabinet’. Met het leger onder bevel van generaal Nasoetion naast zich, verkondigde Soekarno dat het tijdvak van de liberale democratie ten einde was en dat nu de geleide democratie zou worden ingevoerd.

Na 5 jaar de eerste verkiezingen in Indonesië


Voorafgaande aan de algemene verkiezingen in september 1955, hadden 17 coalitie- en crisis-kabinetten Indonesië geen goed gedaan.
Vanaf het veelbelovend begin in 1945 had door te weinig gemeenschapszin en vakkennis de liberale democratie geen kans gekregen.

De eerste algemene verkiezingen na de overdracht van soevereiniteit vonden plaats op 29 september 1955. Circa 38 miljoen stemgerechtigden brachten hun stem uit.
De PNI, Soekarno’s Nationale Partij, won met 22,3% van de stemmen en 57 zetels in het Huis van Afgevaardigden. De zeer democratische Masjoemi Partij kreeg met 20, 9 % van de stemmen ook 57 zetels.
De mohammedaans-conservatieve Nahdatoel Oelama die zich in 1952 van de Masjoemi Partij had afgesplitst, won 18,4 % en 45 zetels. De PKI, Communistische Partij, kreeg een verrassende 16,4 % en 39 zetels. De rest van de stemmen kwam toe aan talrijke spinterpartijen.
De Masjoemi Partij bracht op de kleinst mogelijke basis een kabinet samen o.l.v. premier Harahap.
Dit kabinet toonde toenadering tot Nederland en het Westen om de nog niet opgeloste Nieuw-Guinea kwestie op te lossen. Maar Nederland bleef onvermurwbaar en had Nieuw-Guinea in de “ijskast” gezet.
Eindelijk werd in december 1955 te Bandoeng de lang verwachte Wetgevende Assemblee ingesteld die de provisorische parlementaire constitutie van 1950 moest voltooien. Later zou blijken dat de vergaderingen geen verheffend schouwspel moeten zijn geweest. Men kwam over een enkel artikel in maanden niet tot overeenstemming. Ook hier kwam de parlementaire democratie door hardnekkige verdeeldheid (Islam of Pancasilla als leidinggevende filosofie) niet tot besluiten.

Basoeki Abdullah (1915-1993)

Op een vraag over de eeuwigheidswaarde van zijn werken antwoordde de schilder, dat hij daar niet op kon wachten en voortging met hard aanpakken en zo lang mogelijk in leven trachten te blijven, om mogelijk nog mee te maken dat zijn werk de waardering krijgt die het toekomt.

“Inspiratie is een mooi ding, maar kunst komt voornamelijk tot stand door discipline en hard werken”. Daarmee benadrukte de schilder Basoeki Abdullah zijn visie op zijn professie als kunstschilder.
Raden Basoeki Abdullah werd op 27 januari 1915 in Solo geboren. Op de Katholieke basisschool toonde hij al op jonge leeftijd zijn tekentalent. Voor een verdere ontplooiing van zijn capaciteiten bezocht hij de Koninklijke Academie voor beeldende kunsten in Den Haag. De romantiek van de oude meesters voerde hem naar Parijs en Rome, waar hij zich bekwaamde in de traditionele westerse technieken.
Zijn doorbraak kwam toen hij een Europese schilder-wedstrijd met zijn portret van de pas gekroonde Koningin Juliana. President Soekarno verzocht hem in 1949 zijn staatsportret te maken. Vele koningen en staatshoofden volgden.
Zijn kracht lag in het vastleggen van de karakteristieke eigenschappen van de geportretteerde personen met een finishing touch van realisme en romantische expressie.
Basoeki Abdullah exposeerde talloze malen zijn werken zowel binnen als buiten Indonesië. Zo werd hij bekend bij de massa. Hij hield ervan de natuurlijk schoonheid van het Indonesische landschap vast te leggen en mooie vrouwen of scènes uit legendes te schilderen.
Basoeki Abdullah werd in 1993 op 78-jarige leeftijd doodgeschoten tijdens een roofoverval in zijn huis in Jakarta.

De eerste jaren van de Republiek Indonesia

Soekarno had veel minder bevoegdheden in de nieuwe Republiek dan hij eerder had in de door hem geïnitieerde oude Republiek van 1945. Hierdoor kon hij niet genoeg richting geven aan het half in slaap verkerende parlement in het door het volk gekozen Huis van Afgevaardigden.

17 augustus 1950. Bij proclamatie zijn op die datum de 16 afzonderlijke Federale Staten van Indonesië opgelost in de eenheidsstaat, de Republiek Indonesia.
Met Jakarta als hoofdstad van de Republiek Indonesia en Soekarno als gekozen president, stond het eerste kabinet onder leiding van Natsir en was de Masyumi de heersende partij in Indonesië.
Er was ook nog een Nederlands- Indonesische Unie, waarvan de functies nog moesten worden vastgelegd.

Wat er niet was!
Er was geen goedlopende parlementaire democratie. De maatschappij bleef ernstig verdeeld door etnische, regionale, klassen en godsdienstige verschillen.
De voorlopige grondwet zoals goedgekeurd door de wetgevende macht op 14 augustus 1950 bood het gecentraliseerde politiek systeem geen soelaas. De verspreidde gouvernementen waren verantwoording schuldig aan een gemeenschappelijk Huis van Afgevaar-digden dat door het volk werd gekozen.
Er was in het algemeen sprake van gebrek aan vlijt, gemeenschapszin, leiderskwaliteiten en vakkennis. Buiten de stedelijke gebieden leefden de mensen nog in een cultureel milieu van status hiërarchieën en gehoorzaamheid aan het gezag. De Islamitische en linkse stromen waren verre van democratisch.
Het leefklimaat werd verergerd door een slechte economie, overbevolking en tekort aan voedsel.

Luwu, een vergeten koninkrijk

James Brook, de latere Rajah van Serawak, schreef in 1830: “Luwu is de oudste Buginese staat en de meest in verval geraakte. Palopo is een miserabele stad met circa 300 bouwvallige huizen. Het is moeilijk te geloven dat Luwu ooit een machtige staat was”.

Lang voordat de grootrijken Sriwijaya en Madjapahit de archipel beheersten, was het koninkrijk Luwu reeds tot grote bloei gekomen. Dit koninkrijk, gelegen aan de noordelijke bocht van de Golf van Bone in Zuid-Celebes, bestond al in de 8ste eeuw na Christus. In die roemruchte periode stond de mooie kraton van koning Batara Lattu in de toenmalige hoofdstad Patimang.
In de 9de eeuw strekte de invloed van Luwu zich uit tot Malakka en het vaste land van China. Er kwam zelfs een huwelijk tot stand van kroonprins Sawerigading met de toenmalige Chinese koningin I Chun Dai. Er vonden in de loop der tijden huwelijken plaats tussen adel uit Luwu en Koninklijke afstammelingen uit Java.
De economische kracht van Luwu was gebaseerd op de ijzermijnen op de kustvlakte en de ijzersmelterijen. Van het gesmolten ijzer werden wapens gemaakt en land-bouwwerktuigen.
Luwu’s macht kwam tot verval in de 16de eeuw als gevolg van vele militaire nederlagen tegen opkomende machten van omliggende staten.
Omstreeks 1605 was in Pattimang een succesvolle Islamitische prediker actief, Datuk Sulaiman. Door zijn missionering bekeerde eerst de koning en daarna de bevolking van Luwu zich massaal tot de Islam. De koning richtte een grote moskee op waarbinnen de steunpilaar gemaakt is van Palopohout.
Tegenwoordig is in Luwu de grootste nikkelmijn in de wereld actief, hetgeen vele emigranten aantrekt.

Dwifungsi


Volgens de militairen hoort Dwifungsi impliciet in de grondwet thuis. Gebruikmakend van allerlei artikelen van de grondwet ontwikkelden deskundigen uit de sfeer van de Strijdkrachten een logische en wettelijke bekrachtiging van Dwifungsi.

Ná de overdracht van soevereiniteit bleek het politiek systeem in Indonesië niet echt te werken. Het ene kabinet volgde het ander op, er ontstonden telkens en overal demonstraties tegen het lokale bestuur of tegen de regering. De zwakheid van het politiek systeem was duidelijk aantoonbaar.
Tegen het jaar 1957 neigde het leger zich te gaan bemoeien met het politieke geharrewar. Men wilde vat krijgen op het politiek-economisch en administratief systeem.
Generaal Nasution ontwierp de Dwifungsi, een dubbel rol van het leger. Het concept hield in dat het leger nooit de macht naar zich toe zou trekken, maar zeker ook niet inactief zou blijven.
In augustus 1966 werd, tijdens een grote bijeenkomst van seniore legerofficieren, de niet-militaire kant van Dwifungsi besproken. Beslist werd dat het leger zou deelnemen aan iedere vorm van bevolkingsactiviteit op ideologisch, politiek en sociaal-cultureel terrein. Een en ander werd vervat in een document dat 2 plannen ontvouwde, n.l. een plan voor politieke stabiliteit en een plan voor economische stabiliteit.
Men aanvaardde de beginselen van Dwifungsi, die later hun uitwerking vonden in een reeks van wetten om de rol van de militairen in overheidszaken en overige nationale zaken te bepalen. Pas in 1982 werd Dwifungsi officieel beleid via de wet ‘Basis Bepalingen voor de Defensie en Veiligheid van Indonesië’.

Het einde van het Federale Systeem

Op 15 augustus 1950 las Soekarno als President van de Republiek van de Verenigde Staten van Indonesië, in een gecombineerde vergadering van parlement en senaat, de akte van oprichting van de Negara Kesatuan Republik Indonesia (Eenheidsstaat Indonesië) voor.

Terwijl de gevechten om de republiek der Zuid Molukken voortduurden, boekten de Unitaristen in de andere gewesten van Oost Indonesië enorm snel vooruitgang.
13 gewesten binnen de deelstaat Oost Indonesië, met uitzondering van de Zuid Molukken, verklaarden zich te willen afscheiden van Oost Indonesië en op te gaan in de eenheidsstaat Republiek Indonesia.
Van 3-5 mei 1950 vergaderden Premier Mohammed Hatta, President Sukawati van Oost Indonesië en dr. Mansur van Oost Sumatra over de voorwaarden om tot een eenheidsstaat te komen. Een en ander resulteerde op 19 mei 1950 in het volgende charter:

Charter of Agreement Between the Governments of the United States of Indonesia and the Republic of Indonesia:

The Government of the Republic of the United States of Indonesia which in this case also acted with full mandate on behalf of the Governments of the State of East Indonesia and the State of East Sumatra, on the one site, and the Government of the member state, the Republic of Indonesia, on the other site, . . . hereby declare: that we agree to implement in co-operation the formation of a Unitarian State as a materialization of the concept of the Republic of Indonesia aimed at in the Proclamation of the 17 August 1945 . . .

De op 19 mei bereikte overeenkomst hield ondermeer in dat Oost Indonesië en Oost Sumatra niet bij de Republiek Indonesia gevoegd zouden worden , maar pas bij de proclamatie van de eenheidsstaat automatisch zullen opgaan in deze Eenheidsstaat, de Republiek Indonesia.

De karbouw

De karbouw of waterbuffel (bubalus bubalis) is een rund, dat zowel in het wild voorkomt als in gevangenschap. Een gedomesticeerde karbouw kan circa 25 jaar oud worden. Afhankelijk van zijn woongebied kan de karbouw een gewicht bereiken van 300-1200 kilo.

In de eerste plaats wordt de karbouw gebruikt als trekdier voor de ploeg in de rijstvelden. Bekend is dat ruim 80% van alle rijstvelden in Azië met karbouwen beploegd wordt. Eén karbouw kan dagelijks 5 uren lang de ploeg trekken en 2 hectare land het hele jaar door bebouwen.
Het dier is verder belangrijk als vlees ter vervanging van rundvlees en als melkproducent. De gestremde melk wordt in China, Thailand, India en de Filippijnen gedronken en dient bijvoorbeeld ook als traditionele grondstof voor de bekende Italiaanse Mozzarella di buffalo.
Verder wordt zijn mest gebruikt voor het land, van zijn huid wordt leer gemaakt en van zijn beenderen allerlei gebruiksartikelen.
De Wereldvoedselorganisatie telt in Azië ruim 150 miljoen karbouwen. Dit aantal blijft constant hoewel in o.a. Indonesië gepoogd werd om de karbouw te vervangen door een tractor. Door de kleinschaligheid van de rijstvelden zouden de boeren in coöperatief verband een tractor moeten beheren. Omdat niemand zich eigenaar kan noemen van zo’n tractor werd weinig aandacht geschonken aan het onderhoud. Het tractorproject was een mislukking, 70% van de aan landbouwcoöperaties geschonken tractoren was stuk. Een te enge benadering vindt men nu, de karbouw speelt nog een culturele rol als bruidschat, bij begrafenissen en als producent van vlees, melk en mest.

Zuidmolukken, deelstaat Oost Indonesië


Tijdens de Ronde Tafel Conferentie in Den Haag werden de rechten van de verschillende deelstaten gegarandeerd, inclusief het recht om uit de federatie te treden.

Terwijl vele deelstaten zich invoegden in de Republiek Indonesia, werden in Makassar, de hoofdplaats van de deelstaat Oost Indonesië, vele pro-Republikeinse voorstanders op last van de minister van Justitie, Dr. Chris Soumokil, gevangen gezet.
De dreiging van het pro-Republikeinse kamp werd groter en Chris Soumokil verplaatste zijn activiteiten naar Ambon-stad in de Zuid-Molukken. Tot dit gewest behoorden Amboina, Buru, Ceram en de kleine eilanden er omheen, met samen ± 450.000 inwoners.
Op 25 april 1950 riep Soumokil, samen met leden van de Zuid Molukken Raad, de onafhankelijkheid van de Republiek der Zuid Molukken uit. Op 3 mei werd Soumokil president van de Zuid-Molukse Republiek. In een verklaring werd onderstreept dat de actie werd uigevoerd doordat Oost Indonesië niet in staat bleek de positie van een grondwettelijke deelstaat van de Republiek van de Verenigde Staten van Indonesië (R.V.S.I.) te handhaven, zoals overeengekomen in de Haagse RTC-conferentie.
Onderhandelingen van de zijde van de Centrale regering in Jakarta werden afgeslagen, tenzij men de Republiek der Zuid Molukken erkende als onafhankelijke staat.
Er volgde een maanden durende strijd van furieus vechtende KNIL-militairen tegen een overweldigende overmacht van Republikeinse troepen. Pas in november 1950 werd de weerstand in Amboina gebroken.

Het mysterie van het Dieng plateau

De naam Dieng is afkomstig van Di-Hyang, verblijfplaats van de goden. Inderdaad stond hier rond het jaar 800 een grote heilige tempelstad met 400 Hindoe tempels, gewijd aan de oppergod Shiva. De bloeiende tempelstad werd bevolkt door priesters.

Het mysterie van het Dieng plateau omvat in feite het hele gebied van Midden-Java. Rond het jaar 930 heerste Koning Sidok over Midden-Java. Hij besloot in dat jaar zijn kraton te verhuizen naar Oost-Java. Met hem vertrok eveneens de hele bevolking van Midden-Java naar het oosten.
Over deze drastische volksverhuizing is veel gespeculeerd. Tot op de huidige dag blijft het een mysterie.
Aan de hand van inscripties was bekend dat omstreeks die tijd Oost-Java, gestimuleerd door een uitgebreide zeehandel, in toenemende mate welvarend werd. Zou de zuigkracht van deze welvaart de oorzaak van de volksverhuizing kunnen zijn geweest? Of was men bang voor een aanval van het machtige rijk Sriwijaja?
Een inscriptie op een steen uit 1016 bracht de Nederlandse geoloog Van Bemmelen ertoe om de grote volksverhuizing te wijten aan een enorme natuurramp, nl. een catastrofale eruptie van de vulkaan Merapi omstreeks 829. Vulkanische as en lava hadden vermoedelijk het land ongeschikt gemaakt voor de landbouw. Dit moest een aanwijzing zijn geweest voor de toorn van de goden.
Vanaf 928 tot de 15de eeuw zijn er geen inscripties gevonden op het Dieng platau. De eens zo bloeiende tempelstad was net als de Boroboedoer verlaten en vergeten. Door aardbevingen, vulkanische uitbarstingen en het oprukken van de jungle veranderd alles in een overwoekerde ruïne.