Makam Bung Karno

In 1964 begint de gezondheid van Soekarno af te takelen. Hij houdt nog wel vlammende redevoeringen, maar als hij in augustus 1965 in het openbaar onwel wordt, verliest de charismatische Bung veel van zijn geloofwaardigheid.

In het provincieplaatsje Blitar, ten zuiden van Malang, ligt Soekarno begraven. De eerste president en proclamator van de Republik Indonesia stierf 21 juni 1970 op 69-jarige leeftijd in het militair hospitaal in Jakarta. Hij leed al twee jaar aan een ongeneeslijke nierziekte, kampte met hoge bloeddruk en had problemen met de bloedcirculatie. Het stoffelijk overschot van de president werd op 22 juni 1970 overgevlogen naar Blitar waar Soekarno”s moeder ook begraven ligt.
Tien jaar na zijn dood leek het de Indonesische regering gepast om het graf van Soekarno een waardig aanzien te geven. Dit als gebaar naar de vele Soekarno-aanbidders, want Soekarno’s rustplaats is uitgegroeid tot een pelgrimsoord waar wekelijks honderden mensen naartoe trekken.
Het grafcomplex kreeg een Hindoe-Javaanse symboliek, echter met een Islamitische inslag. De cungkup (grafhuis) werd gebouwd in de joglo-stijl, dat wil zeggen naar model van een Javaanse pendopo agung. Dat is de plaats waar vergaderd wordt, waar bruiloften plaatsvinden of voorname gasten worden ontvangen.
Het lichaam van Soekarno wordt geflankeerd door het graf van zijn moeder Ida Aju Njoman Rai en dat van zijn vader R. Soekeni Sosrodihardjo.
Volgens zijn laatste wens is aan de noordkant van het grafhuis een witte waringin geplant, op een eenvoudige grafsteen staat geschreven: “Hier ligt Bung Karno”.

Vrijheidsstrijder

Joke Moeljono behoorde tot de Gelanggan-groep, die in hun ‘Cultureel Manifest 1950’ aangaf:
Wij zijn de rechtmatige erfgenaam van de wereldcultuur en die zetten wij op onze wijze voort . . . Het probleem van deze generatie is niet de tegenstelling tussen Oost en West maar het probleem van mens tot mens. Ik ben een mens en daarmee uit!

Hier zit ik als commandant
en houd mensenlevens in mijn hand . . .
een wonderlijk gevoel,
ik anti-soldaat
zit op een bamboestoel
geheel zonder haat
en verwacht de vijand.
Of het is een vriend
die met misleide hand
plunderde moordde schond
omdat hij niet beter wist?
(Op het land waar de oogst stond smeult nog het vuur).

Ach, ik kan maar een deel overzien
en vecht waar men mij heeft ingezet.
Toch blijft het een wonderlijk gevoel
als men onwetenden de dood in stuurt
terwijl men zelf in deze strijd
is neergesmeten al een dobbelsteen
en voor de dorpelingen die hier wonen
een vreemde man is
die toekijkt en hen niet kan helpen
(want rijst en rust kan men niet geven).
Sneuvel ik hier
dan zeggen ze later op het hoofdkwartier
‘Hij offerde zijn leven’
En ze zweren door te zetten
tot het bittere einde.
Wat betekent een dode in deze strijd
In onze ‘grootse, heroïsche tijd’?
Van Stalingrad tot Trumantown:
L’après-midi d’un faune
‘voor een beter lot?’ ( Ach, haatte ik maar)

Rosihan Anwar

Rosihan Anwar wordt de laatste Mohikaan onder de Indonesische journalisten genoemd. Hij werd net als Mochtar Lubis in 1922 geboren in een dorpje bij Padang in West Sumatra. Op 87 jarige leeftijd schrijft hij nog steeds columns in de nationale bladen. The Jakarta Post van 9/2/2009

Net als Mochtar Lubis, de auteur van o.m. “Het land onder de regenboog”, behoort Rosihan Anwar tot de onbuigzame journalisten die de politieke en sociaal-economische situaties in de bewogen beginjaren van de Republiek Indonesië op een eerlijke manier probeerde te beoordelen.
Tijdens de Japanse bezetting werd hij naar eigen zeggen uit broodnijd journalist bij Asia Raya, de enige krant die de Japanners toelieten.
In 1947 werd hij hoofdredacteur van zijn eigen culturele tijdschrift, Siasat . Ook stichtte hij in 1948 het sociaal-democratisch blad “Pedoman” (de leidsman).
Toen Soekarno begin 1960 de macht naar zich toe trok en zich van alle kanten bedreigd voelde, was de pers de dupe en werden redacteuren als Lubis, en Anwar in de gevangenis gezet en hun dagbladen verboden.
“Ik dank God dat ik elke crisis in de geschiedenis van Indonesië heb meegemaakt”, zei Anwar, “ik heb veel ervaringen opgedaan tijdens het koloniaal bewind, de Japanse bezetting en het onafhankelijk Indonesië”.
Hij was er bij toen de slag bij Soerabaja zich voltrok in 1945, hij versloeg vele parlementaire vergaderingen tijdens de revolutie en maakte de onderhandelingen mee tussen de delegaties van Nederland en Indonesië, hij reisde mee met Hatta en Soekarno en versloeg de Malino conferentie. Hij was dé corespondent van vele buiten-landse nieuwsbladen en is dat ook nu nog in 2009.

Chairil Anwar, dichter

Chairil Anwar, geboren in 1922 in Medan, was het idool van de intelligente jeugd in de 40-tiger jaren. Hij was een genie en leefde als een bohémien. Toen hij op 27-jarige leeftijd stierf werd hij door de literaire jeugd van het land diep betreurd. En ze treuren nog om hem.

Tijdens de ‘fysieke revolutie’, 1945-1950, ontstond er onder de jonge schrijvers en dichters een sterke drang om zich te ontworstelen aan de traditionele culturele patronen. Om het culturele tijdschrift Siasat (strategie) vormde zich in Jakarta een groep die zich de Angkatan Empatpuluh Lima (Generatie van 1945) noemde. Hoofdfiguur van deze groep was de jonge dichter Chairil Anwar. Zijn gedichten waren geënt op de werken van Marsman, Slauwerhoff, T.S. Elliot, Rilke en Emily Dickinson. Hij vertaalde hun gedichten en modelleerde zijn Indonesische gedichten naar hun voorbeeld, daarbij voerde hij soms een onconventioneel taalgebruik.

Ik

Als mijn tijd gekomen is
Toon dan geen smart
Ook jij niet.

Het snikken heeft toch geen zin

Ik ben een wild dier
Verjaagd door de kudde.

Of de kogel mij de huid doorboort
Ik storm toch woedend vooruit

Draag wonden en gif met mij mee.
Ik draag ze met mij mee
Tot de brandende pijn verdwijnt.

Waarom zou ik mij er iets van aantrekken?
Ik wil toch nog duizend jaar leven. (Uit ‘Aku’, 1943)

Radja Ampat

“Vier verdroomde eilanden in een verdroomde tropenzee”. Zo omschrijft Antonie van Kampen het Rijk van de vier koningen, Radja Ampat.
Dit vredige oord werd frontpaginanieuws toen de persberichten verhaalden over Indonesische infiltraties t.b.v. een aanval op Nieuw-Guinea.

“Tussen de uiterste westpunt van Nederlands Nieuw-Guinea en Indonesië ligt een archipel, bestaande uit een 1400 eilanden. Men beweert dat ze allemaal een naam hebben, hetgeen nauwelijks te geloven is, als men de grootte van de allerkleinste in aanmerking neemt. Die kan men namelijk in een paar minuten rondlopen.
Radja Ampat kan men vertalen met “De vier koningen”. Waar die naam precies vandaan komt weet niemand. Maar er zijn legio legenden, de een al mooier dan de andere. Een ervan beweert, dat er eens, lang geleden, vier mensen uit evenveel schildpadeieren kropen en dit later die koningen werden. Elk van hen ging er op een dag vandoor, omdat er onenigheid zou zijn ontstaan. Hun prauwen voerden hen in vier windrichtingen. Daar waar ze landden stichtte elk een “koninkrijk”.
Wat er van waar is wordt nergens historisch bevestigd.
De eilanden hebben niets van het normale, woeste, grimmige Nieuw-Guinea. Integendeel, dit is een lieflijk, romantisch oord, bestaande uit helblauwe luchten, gestoffeerd met sneeuwwitte cumuluswolken, en onder die hemel honderden eilanden, waarvan bijna elk was omgeven door een jadegroen rif, overschuimd door hoge, witte branding, uitlopend op in de tropenzon schitterend hagelwit zand. En dan op dat zand de wuivende en ruisende klapperbossen. Elke bewoner van Radja Ampat bezat z’n eigen huisje op palen boven het water. De droom van de rijke én de arme man”.

Kumis Kucing of Kattensnor

Overal in Indonesië, vooral op Java en Sumatra, groeit de Kumiskucing in het wild, in tuinen en langs water-kanten. Een plant die weinig verzorging nodig heeft.
De Kumiskucing ook wel Remoedjoeng genoemd is een rechtopstaand struikje tot zo’n anderhalve meter hoogte. De vierkante paarsige stengel is bezet met fijne haartjes. De ovale bladeren staan kruisgewijs en zijn van onder en boven zacht behaard.
De mooie witte bloemen staan aan eindtrossen en hebben lange meeldraden en stampers. Ze lijken op de snorharen van een kat.
De zaadjes zijn langwerpige nootjes. De plant bloeit het gehele jaar door en kan gemakkelijk gestekt worden.
De plant is al eeuwenlang bekend om zijn geneeskracht, die voornamelijk in de bladeren en stengeltoppen zit.
In Europa is de plant door de moderne geneesmiddelen uit de belangstelling verdwenen, maar tegenwoordig is de vraag weer toegenomen.
Kumiskucing is in Nederland te koop als middel tegen nier- en galstenen. Thee getrokken uit de bladeren is daar een goed middel voor.
Verder wordt Kumiskucing gebruikt als urineafdrijfmid-del, bij suikerziekte, reumatiek en ontsteking van de mannelijke geslachtsorganen.
Het is een probaat middel tegen jicht van voet en teengewrichten. Hoestdrank en zelfs olie wordt uit de plant gewonnen.

Ikat van Soemba

Het waren de Nederlanders die op Soemba het monopoly van de vorstelijke elite openbraken op het dragen van ikatdoeken. Zij maakten er een open markt van en noemden het “Soemba Kain”

Het eiland is beroemd geworden door de patronen van het Ikat textiel. In de noordoostelijke kustgebieden van Soemba geweven, behoren de patronen op het textiel tot de meest dramatische ontwerpen in Indonesië.
In tegenstelling tot de abstracte patronen op andere Ikats, geven de Soemba ikatdoeken de eigen geschie-denis weer, herinneringen aan stammenoorlogen, de brute komst van de Nederlanders, de boom met schedels van overwonnen vijanden, vooruitstormende ruiters met lange spiezen. Verder zijn onder buitenlandse invloed niet alleen herten en buffels afgeschilderd maar ook Chinese draken en Hollandse leeuwen.

Op Soemba hebben de vrouwen de productie van ikat-doeken geheel zelf in handen: zij planten de katoen en oogsten het, zij verwerken de katoen en spinnen het, zij produceren de kleuren, de applicatie van de decoraties, en de fabricatie van het textiel.
Het weefsel dat Soembanese vrouwen produceren bevat per cm veel meer scheringdraad (dat zijn de draden die in het weefraam worden ingespannen in lengterichting) dan inslagdraad (draad dat kruiselings tussen de sche-ringdraden wordt aangebracht).
Om de motieven en decoraties ten volle op het doek te laten verschijnen wordt ervoor gezorgd dat de schering-draden altijd zichtbaar blijven en geverfd worden in de vereiste kleuren. Voor iedere kleur moeten de draden opnieuw worden afgebonden.

Diamanten in Zuid-Borneo

Diamantzoekers in Cempaka.

Ten zuidoosten van Banjermasin in Borneo ligt het stadje Cempaka. Hier zoekt sinds lange tijden de bevolking naar diamant. De bovengrondse diamantmijn bestaat uit een enorme zandgroeve waar in de aangeslibde grond sporen van diamant worden aangetroffen.
Op verschillende manieren wordt naar de diamant-steentjes gezocht.

Een afgebakend stukje grond wordt een meter uitgegraven en met watergevuld. Een tiental mannen staan tot aan het middel in het water en zeven in een platte rotanmand de moddersediment van de bodem.

Er wordt een smalle, diepe schacht gegraven. Afhankelijk van de structuur van de aarde wordt de schacht tegen instortingsgevaar gestut met een houten constructie. Op de bodem van de schacht wordt de modder verzameld in rotan manden en naar boven getakeld door vrouwen. De modder wordt vervolgens gewassen in houten pannen en eventueel blijven diamantsteentjes, brokjes goud, amethist, saffier of granaat op de bodem liggen.

Om een langwerpige waterbak groeperen zich een 5-tal mensen. Kluiten van het harde, grove zand worden in de waterbak gelegd en vervolgens wordt met snelle been-bewegingen het water onstuimig in beweging gezet. De zandkluiten lossen op en de modder wordt in manden gezeefd door snel heen en weer bewegen. De steentjes die blijven liggen worden met argusogen bekeken.

‘Staatsblad-Europeanen’

Wim Walraven was naar eigen zeggen “geketend aan Indië, geketend aan zijn Soendanese vrouw Itih, geketend aan zijn 8 Indische kinderen”. Maar ook in Holland had hij niets meer te zoeken. Hij hekelde de toestanden in Dirksland, zijn geboortedorp, dat hij ontvluchte voor Indië.

In zijn brieven aan familieleden in Holland beschreef de auteur W. Walraven hoe hij zich ergerde aan de in zijn ogen verwaande opvattingen van de Indo-Europeanen. “Deze gedroegen zich plus royaliste que le roi, meer Europeaan dan de Europeanen zelf. Zij vormen een zelfbewuste klasse, die ter onderstreping van dit pseudo- Europeaanschap een hooghartige houding tegen de inheemse bevolking aannemen. Deze staatsblad-Europeanen hebben veelal een minderwaardigheids-complex, dat zich soms kan uiten in overdreven brutaliteit, soms ook in overdreven bescheidenheid en schuwheid. Ze zijn karig met woorden, althans als er een blanda aanwezig is. Indo-Europese vaders zijn zelf hun leven lang ondergeschikte geweest, hetgeen geen waarborg gaf voor een goede behandeling van hun (inheemse) ondergeschikten, want slaven zijn dikwijls op hun beurt de grootste tirannen als ze de kans krijgen.
Indo-Europeanen drijven bovenop de inheemse samenleving als een vlies op de melk.
Er is oppervlakkig contact met de inheemse bevolking waarin zijzelf hun oorsprong hebben, merendeels was er zelfs geen contact met de eigen inheemse familieleden”.

Walraven is hier geciteerd om aan te geven dat de Indo’s zich als afzonderlijke bevolkingsgroep manifesteerden. Elke poging om een versmelting met de Indonesische samenleving te bewerkstelligen is te allen tijde mislukt.

De kruidnagelsigaret of “Kretek”

Het plaatsje Kudus in Midden-Java is het centrum van de kreteksigarettenindustrie in Indonesië.
Daar staan de fabrieken van de drie meest populaire merken, Djarum, Gudang Garam en Bentoel. De eigenaren zijn Chinezen.

De Chinese eigenaren van de kretek-fabrieken in Kudus willen de productie graag mechaniseren. Maar dat zou tot een verlies van tienduizenden arbeidsplaatsen leiden, aldus de Indonesische regering. De meeste sigaretten worden namelijk met de hand gerold door ± 200.000 vrouwelijke werknemers. Er worden jaarlijks 200 miljard kretek-sigaretten gerookt.

“Wat, mag ik U vragen, rookt U?”, vroeg zo’n 60 jaar geleden een Engels diplomaat aan Agus Salim, de eerste Indonesische ambassadeur in Engeland.
“Dat, uwe excellentie, is de reden waarvoor het Westen de wereld veroverde”, antwoordde Agus Salem en hij refereerde aan de kruidnagel uit de Molukken en de nootmuskaat uit Banda, waarvoor in de 15de en 16de eeuw de Europese ontdekkingsreizigers en in hun kielzog de kolonisten naar de zuidelijke zeeën trokken.

Ananta Pramoedya Tour schreef: “Je kunt een kretekroker altijd herkennen aan de gaten in zijn overhemd” en “toen ik naar Soerabaja verhuisde nam ik twee nieuwe gewoonten aan, kretek roken en schoenen dragen”.

“Zo maar 2/3 tabak en 1/3 kruidnagel bij elkaar doen smaakt naar niets. Het is die typische saus die het ‘m doet. De goddelijke vermenging van kaneel, ananas, kaas, chocola en suikerwater geeft het aroma aan de sigaret”, zegt Djoko Herrianto, de chemist die geur en smaak van de kretek moet zien te verbeteren.

Zilverbewerking

Kota Gede is een district in de stad Yogyakarta in Midden-Java, dat meer bekend is geworden als “De zilverstad”, het Javaanse centrum voor zilverbewerking. Het productieproces geschiedt nog steeds handmatig.

De zilverbewerking in Kota Gede heeft een diepgewortelde traditie die door de eeuwen heen zijn eigen ongeschreven wetten heeft bepaald.
Alle ontwerpen zijn geënt op zuiver traditionele vormen, dus niemand is exclusief eigenaar van een bepaald model of vorm.
Het enige onderscheid tussen de ateliers was hun specialiteit in specifieke zilveren gebruiksgoederen, dus men verkocht of schalen of bestek of juwelen.
In Indonesië verandert er op dit punt, vanwege de traditionele opvattingen, heel weinig.

Maar exportmogelijkheden hebben daar verandering in gebracht, zodat men nu, vanwege de grote bedragen, rekening moet houden met de vraag van overzeese klanten, die nieuwe ontwerpen wel belangrijk vinden.
Die noodzaak zou ertoe moeten leiden dat ateliers zullen moeten streven naar een betere kwaliteit én originaliteit van hun verkoopproducten. Dit ter wille van een betere concurrentiepositie.
De handenarbeid kent natuurlijk ook zijn beperkingen, maar heeft t.o.v. de machinale productie het voordeel van de lage loonkosten. Een ander voordeel is de eigen identiteit van het geleverde product.
Kota Gede zal langzaam met de tijd meegaan. Nu worden er op etnische gronden producten gemaakt met die typisch Indonesische ‘touch’, die door een groot publiek nog steeds aantrekkelijk gevonden wordt.

Asal Oesoel en Pendaftera

Twee stukken die voornamelijk elke Indisch man of –vrouw in bezit moest hebben tijdens de Japanse bezetting. Beide documenten gaven de bezitter een vrijgeleide om buiten de Japanse interneringskampen te blijven.

Van deze twee documenten was het bezit van de Pendafteran (persoonsbewijs) verplicht gesteld. Die moest worden gekocht. Prijs: f 80,– voor vrouwen en
f 150,- voor mannen.
Geregistreerd werden de volgende gegevens: nummer pendaftaran, naam, leeftijd, huidig adres, nationaliteit, geboorteplaats, bedrijf waar werkzaam, hoeveel tijd woonachtig in Indië, getrouwd of niet. Een pasfoto was verplicht evenals de duimafdruk van de houd(st)er.
Dit stuk heeft zijn diensten ook bewezen toen na de Japanse capitulatie, als men alle andere identiteitspapieren was kwijt geraakt, hiermee bij de Nederlandse autoriteiten officieel kon aantonen wie men was.
Een Asal Oesoel was nuttig om aan te tonen hoeveel Indonesisch bloed men ‘in de aderen’ had, via een Indonesische moeder of grootmoeder.
Omdat de Japanners hadden aangekondigd dat de kinderen van het land niet zouden worden geïnterneerd was het kennelijk nuttig om via het Landsarchief in Batavia een bewijs te krijgen dat hij of zij van Indonesische afkomst was. De gegevens van een kort eenvoudig stamboomoverzicht dat van de aanvrager naar ouders en grootouders leidde, werden op een bepaald formulier getypt. Het formulier werd van een officieel stempel voorzien en meestal ook van een Japanse datum. Een datum dat 660 jaar verder ligt dan onze jaartelling, dus het jaar 2603 wil zeggen 1943.

Ontmaskering van een Godenzoon

Generaal Douglas Mac Arthur, tijdens de oorlog in de Pacific de ‘Supreme Commander for the Allied Powers, kreeg zoveel bevoegdheden dat hij Japan kon regeren als een dictator. Op een bepaald moment dwong hij Keizer Hirohito het volk van Japan te laten zien dat een keizer ook maar een mens is.

Op een regenachtige dag keken de keizer van Japan en zijn onderdanen elkaar een ogenblik aan, wederkerig verlegen met de situatie. Toen greep hij plotseling naar zijn afgedragen gleufhoed, bedacht zich, liet zijn hand zakken en poogde te glimlachen. De hoogwaardigheids-bekleders die zich achter hem hadden opgesteld, bewogen zich nerveus.
Hirohito stond op het Keizerlijk Plein in Tokyo ter gelegenheid van de afkondiging van de nieuwe grondwet, die de keizer van alle politieke macht beroofde. Zwijgend en verbijsterd stond de kleine keizer geheel alleen op een versierd platvorm, tegenover vele duizenden met stomheid geslagen Japanners. Zij zagen een kleine tengere man met afhangende schouders, een zwakke kin, een gezicht vol moedervlekken, een stoppelig snorretje, een hoornen montuur met dikke glazen, ongepoetste schoenen en onverzorgde kleren.
Als zij hem van dichtbij zagen, ontdekten de mensen dat hij zelfs geen gelijkenis vertoonde met de “Zoon des Hemels”, die eens de onaantastbare heerser was in de moderne wereld. Zelfs zijn getrouwe onderdanen moesten de tegenstelling zien tussen de beeltenis van een trotse, arrogante keizer in militair uniform, die op hen had neergezien vanaf de muren van scholen en openbare gebouwen, en de kleine, verlegen man, wie door zijn omgeving moest gezegd worden wat hij diende te zeggen en te doen.
Uit: ‘MacArthur’s Japan’, R.Brines, NY 1948

Comité international de la Croix-Rouge

Eén van de kerntaken van het CICR omvatte het bezoeken van de kampen voor krijgsgevangenen en geïnterneerden. Tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië werd aan het CICR geen toestemming verleend om de kampen en gevan-genissen met Nederlandse gevangenen te bezoeken.

Aan het begin van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië werd het centrale comité van het Nederlands-Indisch Rode Kruis op 1 mei 1942 opgeheven.
De plaatselijke afdelingen konden hun werk met toestemming van de Japanners voortzetten, zij werden hier en daar nog een tijdje gedoogd.
Na de capitulatie van Japan tastte het CICR nog in het duister, er was geen inzicht in de situatie te krijgen. Toch lukte het een gedelegeerde van CICR in september 1945 drie kampen op Sumatra te bezoeken en daar verslag van te doen.
Vanuit Geneve werden twee Zwitserse gedelegeerden gezonden die de organisatie in goede bannen moesten leidden. Intussen was in oktober 1945 het Indonesisch Rode Kruis opgericht. Pas in januari 1946 kon een gesprek met Soekarno c.a. plaatsvinden waarbij de afspraak werd gemaakt om de Geneefse Conferentie van 1929 aan te houden, lijsten van Republikeinse kampen op te stellen en bezoeken toe te staan aan alle kampen.
In de jaren 46 en 47 werd de situatie in de Republieke kampen kritisch beoordeeld en werd met succes bemiddeld over Rode Kruispakketten, de afhandeling van poststukken en het verspreiden van medicijnen.
Na de 1ste Politionele Actie werd het CICR door het Indonesische Rode Kruis om hulp gevraagd o.a. voor de evacuatie van duizenden Chinezen, die door geweld van de Indonesiërs genoodzaakd werden om te vluchten naar veilige gebieden onder Nederlands beheer.

De bittere nasmaak van de Obano-opstand

De heftige opstand van de Kepaukoe Papoeas aan de Wisselmeren in het najaar van 1956, kreeg een onverkwikkelijk staartje. Juist in december zou in de Verenigde Naties een debat worden gevoerd over de zogenaamde Nieuw-Guineakwestie. De onmacht van de Nederlanders tegen het geweld van de Kepaukoes kon de Indonesische delegatie in de kaart spelen.

Gouverneur-generaal Van Baal berichtte in alle oprecht-heid over de opstand in de wisselmeren. Zijn brieven werden alarmerend naarmate de opstand voortduurde. Hij gebruikte termen als “verzet onderdrukt”, “vele doden bij opstandelingen” en “hulp en bijstand van loyale groepen van de bevolking ter plaatse”. Deze berichtgeving kwam via het ANP in de Nederlandse pers.
Van Baal kreeg hiervoor een berisping van de minister van Overzeese Rijksdelen. Hij had zonder overleg met de minister de tekst bekend gemaakt. Dit zou de uitgangspunten van de regeringsbesluiten betreffende de Nieuw-Guinea onderhandelingen met Indonesië ernstig kunnen schaden. Als gevolg hiervan werd alle radio- en telegraafverkeer stil gelegd. Bovendien werd alle post uit de Wisselmeren naar Hollandia gestuurd en flink onder censuur gesteld. Ook brieven van alle hoogwaardigheids-bekleders in Nieuw-Guinea, ja zelfs van de bisschop van Nieuw-Guinea werden nagelezen. De opstand moest hoe dan ook geheim blijven. Was hier sprake van ongeoorloofde briefcensuur?
Het grote stilzwijgen hielp, Indonesië heeft niets laten merken en de kranten in Nederland pakten de zaak niet op. Wel werd later via brieven van o.a. mariniers aan het thuisfront en van personeel van missieposten de opstand wereldkundig gemaakt in o.a. Australische kranten.
Drie jaar na de opstand heeft een Censuurcommissie in 1959 ongeoorloofd briefcensuur geconstateerd met een enkel ontslag als gevolg. Van Baal was al met pensioen.

Obano-opstand bij de Wisselmeren


De Rooms-Katholieke missie en de Protestante zending droegen er ongewild toe bij dat het “bancaire”systeem van de oude Kepaukoe clanhoofden, dat de machtsverhoudingen binnen de clan bepaalde, werd te niet gedaan. De jongemannen werden voor hun arbeid aan de opbouw van scholen, kerken, huizen en het vliegveld rijkelijk betaald met kaurischelpen.

De jonge mannen werden niet meer afhankelijk van het kredietstelsel van de rijke oude clanhoofden. Dit stak de ouden heren heel erg en zij begonnen te morren.
Maar ook de ingrepen van het Nederlands bestuur in de rechtsorde van de Kepaukoes met het op enkele punten voorbijgaan van de plaatselijk ‘adat’ waren hun een doorn in het oog.
OPSTAND! In oktober 1956 werd in de Obanovallei een hele missiepost met scholen, huizen en kerk in brand gestoken. Een onderwijzersechtpaar werd vermoord. Duizenden krijgers waren op oorlogspad tegen de blanken, de “aangekleden”. De opstand was zo heftig dat tot in de hoogste regionen van het Nederlands Bestuur in Nieuw-Guinea paniek ontstond.
Een peloton mariniers uit Kaimana werd ingevlogen.
Zij konden echter niets uitrichtten tegen de overmacht aan dolgedraaide Kepaukoes. De opstand duurde voort. Mortieren werden ingezet. Ondanks de vele doden en gewonden bleven de Kepaukoes de soldaten uitdagen.
MAAR DAN KWAM ER HULP. De zuidelijke Kepaukoes hadden nog een appeltje te schillen met de noordelijken. Geheel apart van de marine- en politie-eenheden storten zij zich met overgave in de strijd. Bestuur en marine maakten dankbaar gebruik van deze ‘loyalisten’. Ouderwetse roof- en moordtochten herleefden. Ruim 200 doden vielen er onder de noordelijke Kepaukoes.
Met Kerst 1956 was de opstand bedwongen en de nog in leven zijnde aanstichters in de gevangenis gezet.

Mariniers naar het Sterrengebergte

Om de veiligheid van de expeditieleden tijdens de tocht naar en het verblijf in het Sterren-gebergte te waarborgen, werden 21 mariniers meegezonden. Tot hun standaarduitrusting behoorde een Uzi pistoolmitrailleur met 6 volle patroonhouders, twee handgranaten, een dolk, kompas en zaklantaarn.

Met als hoofdtaak de bescherming van de expeditie-leden, verrichtten de mariniers op verzoek ook assistentie bij het wetenschappelijk onderzoek in het veld. Verder hielpen zij bij de aanleg van helicopter-platforms op bepaalde punten in het vaak ondoor-dringbare oerwoud op de route naar de toppen van het gebergte. Op die punten werden de woudreuzen met behulp van TNT opgeruimd, zodat er een open plek, een z.g. “clearing” werd geschapen voor de helecops, die af en aan vlogen om telkens bevoorrading en andere uitrusting naar depots in de hogere zones van het gebergte te vervoeren. Die depots bevonden zich allen langs de rivier. In de groene oppervlakte was de rivier makkelijk te volgen voor de piloten van de helicops.
Ook de twee platbodemvaartuigen op de Digoelrivier werden door mariniers bemand. Deze boten moesten stroomopwaarts langs vele krachtige stroomversnel-lingen in de bovenloop van de rivier, goederen naar het volgende voorzieningdepot vervoeren.
De mariniers werden ook ingezet als (bege)leider van de z.g. koelietrein. Als helicops en boten om welke reden dan ook niet verder konden, werden goederen vervoerd door papoeadragers. Een lang lint van papoeadragers en
agenten worstelde zich gedurende een groot aantal dagmarsen door het oerwoud naar het volgende depot, dan weer wadend door een stroomversnelling, dan weer balancerend op gammele touwbruggen over diepe kloven.

Giftige vissen langs de kust

Uit de dokterspraktijk in Hollandia:
Een dagje uit op het strand, lekker liggen in het zand, een beetje zwemmen en dan ineens een fel opschietende pijn in de voet. De meest ondragelijke en doordringende pijn

De giftvissen die men op het strand kan aantreffen behoren voor het merendeel tot de groep van de meervallen, ikan leleh of ikan sembilan genoemd. Dit zijn kleine vissen met lange baarddraden en stekelige rugvinnen die doodstil in de modderige of zanderige bodem van de zee liggen, vooral in ondiep water.
De meervallen en trouwens de meeste giftvissen bezitten rugvinnen die doorboord zijn door een kanaal, dat in verbinding staat met een gifklier aan de basis van de vinstraal. Bij naderend gevaar zet de vis zijn vinnen rechtop zodat de stekels als injectienaalden omhoog priemen. Stapt men nu op zo’n opgezette stekel, dan doorboort deze de huid van de voet, de gifklier ontlast zich van het gif en vrijwel onmiddellijk veroorzaakt dit gif een stekende pijn.
Andere giftvissen zijn de z.g. “vergiftvis” en de “padvis”, een tweetal afzichtelijk zeemonsters die zo’n 30 cm lang kunnen worden. Zij liggen in de modder te wachten op een voorbij schietende prooi. En dan is er nog de uiterst gevaarlijk schorpioenvis met zowel borst- als rugvinnen.
Alle ongelukken ontstaan uitsluitend doordat een zwemmer op een in de modder verscholen vis trapt.
De beste methode om zich te vrijwaren voor dit soort steken is dat men schuifelend de voeten voortbeweegt door het zand of de modder van het ondiepe water.
Mocht men desondanks toch nog een steek van een giftvis oplopen dan blijft er maar één weg over: onmiddellijk naar het hospitaal!

Het Sterrengebergte

Net tegen de grens met het Australische deel van Nieuw-Guinea lag op Nederlands territoir gebied het volkomen onbekende Sterrengebergte als een blinde vlek op de kaart. Voor dit onbekende gebied werd onder auspiciën van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) in 1959 een expeditie uitgerust met een multidisciplinair wetenschappelijk karakter.

Het onderzoek moest zo breed mogelijk zijn. Om die reden werden 16 wetenschappers met verschillende disciplines geselecteerd, deskundigen op het terrein van gesteente, grondsoort, flora, fauna, bevolking, enz. Berekend werd dat voor een verblijf van circa 6 maanden in het Sterrengebergte ongeveer 45.000 kilo aan goederen voor wetenschappelijk onderzoek nodig zou zijn, inclusief de tonnen aan ‘vivres’: levens-middelen, keukengerei, kleding, medische voorzie-ningen, bouwmaterialen, enz. De voorbereidingen om al het wetenschappelijk materiaal, voeding en andere uitrusting bij elkaar te verzamelen kostte ruim één jaar.
De expeditie telde ook een groot aantal manschappen. Behalve de 16 wetenschappers en een aantal stafleden (expeditieleiders, artsen, vliegers, journalisten) waren er 21 mariniers en 22 Papoea politiemanschappen aan de expeditie toegevoegd plus circa 30 Papoea-dragers.
De goederen werden op 13 januari 1959 van uit Rotterdam verscheept naar Biak en verder per vliegtuig of per boot naar Merauke vervoerd. Vandaar werd per kustvaarder of vliegtuig alles overgebracht naar Tanah Merah, het basiskamp aan de Digoel rivier. Tanah Merah, het vroegere verbanningsoord voor o.m. Soekarno, Hatta e.a., was voor de expeditie van strategisch en logistiek belang. Op het kleine vliegveld kon een dakota landen en opstijgen. Daarnaast was de rivier diep genoeg om kustvaarders aan de steiger te ontvangen. Tanah Merah was tevens een bestaande bestuurspost.

Indische reserveofficiersopleiding

Eindelijk kwam in 1936 toch een Indische officiersopleiding in Indië tot stand. Sinds de 20tiger jaren drongen de inheemse Volksraadsleden er al op aan om een nationale weermacht te vormen ter bescherming tegen een vreemde invasie.

In de Fillippijnen werd sinds 1934 onder leiding van generaal McArthur een klein beroepsleger opgericht naast een groot reserveleger. De inheemse leden van de Volksraad in Indië hadden dit land voor ogen om hun verzoek voor een Indische officiersopleiding te billijken.
In Brits-Indië was sinds de 1ste Wereldoorlog begonnen met de oprichting van een inheems leger dat later is uitgegroeid tot de befaamd geworden Indian Army met een strijdmacht van anderhalf miljoen man. In 1932 werd in Dehra Dun een militaire academie opgericht. Ondanks de binnenlandse politieke vrijheidsstrijd bleef dit leger trouw aan het Engelse opperbevel in de strijd tegen Japan.
In 1938 werd in de Volksraad de beroemd geworden notitie Soetardjo aangenomen, waarin hij pleite voor en ruimer aanstellingsbeleid voor Indonesiërs tot een officiersopleiding. Maar aan deze motie werd geen vervolg gegeven omdat dat niet paste in het Nederlands politieke beleidskader. Wel werden er mondjes maat aan de KMA te Breda Indonesische militairen opgeleid.
In 1936 kwam er toch een reserveofficiersopleiding tot stand bij het 1ste Bataljon Infanterie in Bandoeng. Reden was de grotere behoefte aan officieren toen het KNIL versterking kreeg toegewezen.
In 1938 kreeg deze opleiding de naam ‘Çorps Opleiding Reserveofficieren’ (CORO) met een opleidingstijd van een jaar, dat gelijkgesteld werd aan het eerste jaar KMA.

De Wisselmeren

In de westelijke uitlopers van het Centrale Berg-land van Nieuw-Guinea liggen de drie Wissel-meren te midden van onherbergzaam hoogland. Paniai is het grootste meer en even daaronder liggen de meren Tagé en Tigi. Het is het woongebied van de Kepaukoe Papoea’s of Ekari’s zoals zij zich zelf noemden.

Met de stichting van een bestuurspost in 1938 in dit gebied ontstond de nederzetting Enarotali, gelegen aan het grootse van de drie meren, Paniai genoemd.
Nadat de eerste bestuursambtenaar zich aan de Wissel-meren had gevestigd, volgden al spoedig missionarissen en zendelingen in dit volgens hen “Godvergeten land”.
Op basis van een “herenakkoord” werd het hoogland verdeeld in twee invloedssferen, de katholieken bestreken het gebied van de Tigi- en Tagé-meren, de protestanten het noordelijk deel van het Ekarigebied aan de oevers van het Paniai-meer. Sinds 1955 werd dit akkoord doorbroken en mochten alle gezindten hun bekeringswerk verrichten waar ze maar wilden.
De Kepaukoe-bevolking telde circa 8000-10.000 leden. Zij woonden verspreid in de omliggende valleien. Kenmerkend was dat zij leefden in kleine gemeenschap-pen verdeeld over diverse stammen. Zij erkenden geen formeel gezag, maar hechten toch enige waarde aan het oordeel van machtige stamhoofden. Deze ontleenden hun status aan het bezit van een groot aantal kaurischelpen, het lokale betaalmiddel van Kepaukoe’s.
De rijke oude mannen konden al eeuwen lang met hun kapitaal aan kaurischelpen de jongemannen aan zich binden door hen het krediet te verlenen voor allerlei aankopen. Door onwetendheid met dit kredietstelsel betaalden de blanken hun Papoea-werkkrachten uit in kaurischelpen. De jonge mannen werden rijker, de machtsverhoudingen met de ouden verstoord.

Beklimming van Antares en Julianatop

Aan het eind van de bovenloop van de lange Digoelrivier in Nieuw-Guinea ligt het bestuurs-plaatsje Mabilabol. De nederzetting lag op 1300 meter hoogte en het Nederlandse gezag werd vertegenwoordigd door de bestuursambtenaar, Jan Sneep.

Ten tijde van de expeditie naar het Sterrengebergte diende Mabilabol, ook Sibil genoemd, als basiskamp voor de 16 wetenschappers en ondersteunend personeel.
Hoog in het Sterrengebergte op zo’n 3000 meter hoogte kreeg de expeditie de Julianatop in zicht. Hoewel er geen plannen waren om deze top te beklimmen werden tijdens de tocht voorbereidingen getroffen om het tenminste te proberen. Een kleine groep van 5 vijf expeditieleden – Escher, Verstappen, Tissing, De Wijn en Ter Laag -scheidde zich af en beklommen met grote moeite de besneeuwde bergtop.
Op 9 september 1959 plantte sergeant der mariniers De Wijn de Nederlandse driekleur op de eerder nooit beklommen Julianatop, de hoogste top van het Sterren-gebergte op 4640 meter hoogte.
Voordien concentreerde de expeditie zich op het onder-zoeksgebied de Antares, een van de hogere toppen in het Sterrengebergte. Nadat met behulp van helicops en koelietreinen (Papoeadragers) al het benodigde voedsel, meetapparatuur en andere uitrustingstukken naar het hoogstgelegen basiskamp was getransporteerd, begon men op 5 juli 1959 met de beklimming van de Antares.
De volgende dag werd de top bereikt op 3650 meter hoogte. Een maand verrichtten o.m. plant- en dier-kundigen, geologen, cartografen wetenschappelijk onderzoek. Via radiocontact hielden zij verbinding met het basiskamp. Dit was de laatste en meest kostbare expeditie van het Kon. Ned. Aardrijksk. Genootschap.

De botenbouwer van Hollandia

De “Tengiri”, de eerste trawler, 14m in lengte, een grootste breedte van 2.40m, een gesloten dek en dus geheel zeewaardig, uitgerust met een Dieselmotor met 34 PK vermogen en een mast voor het hulpzeil, snelheid 7 mijl p.u., brandstof-tank met olie voor 50 uur varen. Naar eigen ontwerp gebouwd op de “Imba” jachtwerf aan de Imby Baai, Dok 9, Hollandia-haven.

De eerste trawler “Tengiri” was onderdeel van een serie van 6 boten, gebouwd in opdracht van de Dienst Zeevisserij, die bestemd waren om de visserij in Nieuw-Guinea te moderniseren. De Papoea’s gebruikten nog kano’s om de vis te verschalken. Uit economische over-wegingen moesten de trawlers de bevolking enthousiast maken om voortaan het sleepnet te gebruiken.
De jachtwerf “Imba” was eigendom van de heer Gagliardi. Waar eens een Amerikaanse legerdump stond, bouwde “Paatje Gag” zelf een eigen huis én de aangrenzende jachtwerf. Maar eerst was hij vanaf 1953 weer bezig in het nijverheidsonderwijs, waar hij sinds 1926 zijn werkkring had. Hij bracht het ambachts-onderwijs naar Nieuw-Guinea, later erkend als de Openbare Technische School. Hieraan was hij 7 jaren Directeur. In zijn vrije tijd bouwde hij zijn eigen huis aan de Imby-baai. Na twee kortverbanden en op 60-jarige leeftijd legde hij het ambt van Directeur neer. Hij besloot in Nieuw-Guinea te blijven om zijn ideaal te wezenlijken, n.l. de jachtwerf “Imba”. Maar ook was hij erg veel van het land gaan houden.
De jachtwerf werd een succes, de Jachtclub was er klant, de Marine bestelde er vletten, de Zeevisserij bestelde er de 6 trawlers om de Papoea’s uit hun kano’s te lokken, kortom er was werk in overvloed voor de kleine werf.
En. . . Gagliardi gaf weer les aan Papoea’s die straks het onderhoud voor de boten moeten verzorgen.
Zijn laatste ideaal: een jacht voor zichzelf en zijn vrouw.

Zeevisserij in Nieuw-Guinea

In Nieuw-Guinea hield de Gouvernementsdienst Zeevisserij zich bezig met proefexploitatie van kleine vissersboten, waarbij de bevolking op basis van aandeel in de opbrengst zal worden ingeschakeld. Ten oosten van Hollandia in de monding van de Tami-rivier werd geëxperimen-teerd met een nieuw afgebouwde trawler.

Omstreeks 1956 staat de zeevisserij op een laag peil. Kapitaalkrachtige visserijbedrijven zijn er niet.
De bevolking vist nog overwegend in kano’s volgens de oude overgeleverde methoden met lijnen, speren of op het strand geplaatste fuiken. De vissers voeren hun vis in de middaguren aan, een tijdstip waarop de versheid van de vis al behoorlijk in twijfel getrokken kan worden.
De Gouvernementsdienst Zeevisserij doet onderzoek naar verbetering met sleeplijn- en handlijnvisserij.
Ook de trawler visserij werd onderzocht, dit om de zeevisserij te moderniseren met gebruikmaking van een trechtervormig sleepnet onder aan de boot.
Echter, net zo belangrijk als het vangen van de vis, is het snel afleveren ervan en het in de tussentijd bewaren van de vangst in koel en vriesruimten.
Een werkelijk grootscheepse aanpak van de visserij in de wateren rond Nieuw-Guinea zal gericht moeten zijn op export, hetzij in verse vriesruimten of geconserveerd. Maar conserveringsinstallaties zijn slechts economisch verantwoord bij een constante en regelmatige aanvoer van vis. Bij de huidige technische outillage van de bevolkingsvisserij kan dit niet gegarandeerd worden. Bovendien moet worden afgewacht of de bevolking in staat zal zijn om de nu op stapel staande schepen te exploiteren.
Recentelijk werd wel aangetoond dat een zending verse vis uit de wateren rond Biak per Hollandboot in Nederland goed is aangekomen.

Verdwijning van Michael Rockefeller

Merauke (Nieuw-Guinea) was op 18 november 1961 wereldnieuws. Koortsachtig werd door Neptunes, helicopters, (marine)vaartuigen en ruim 2000 stamleden van de Asmatpapoeas gezocht naar de zoon van Nelson Rockefeller, Michael Rockefeller. Hun catamaran werd in open zee gevonden, één bemanningslid werd gered, Michael is waarschijnlijk verdronken.

Na grondige studie en interviews met ooggetuigen van de gebeurtenis rond Michael Rockefeller deed schrijver Antonie van Kampen hiervan verslag.
De catamaran vertrok begin oktober 1961 uit Agats, een Papoeadorp in het leefgebied van de Asmats. Aan boord bevonden zich Michael Rockefeller, René Wassing (etno-loog en begeleider) en twee Asmatjongens, die als gids dienden. Doel was om Atsj te bereiken aan de Zuidelijk Eilanden Rivier. Iedereen waarschuwde hun niet te gaan.
Zij gingen overzee en bereikten de monding van de Zuidelijke Eilandenrivier. Op dat moment trad de eb in en het water uit de rivier stroomde krachtig naar zee. Hun catamaran werd meegezogen naar open zee. Door de hoge golven liepen de holle boomstammen waar de catamaran op dreef vol zeewater. Het hozen hielp niet veel. De jonge Asmatters werden bang en sprongen in zee om de kust zwemmend te bereiken, zij beloofden hulp te halen. Tot overmaat van ramp sloeg de catama-ran door een hoge roller om en dreef als vlot verder. Zo werd het avond en vervolgens nacht. De volgende dag konden ze land zien. Met stukken hout probeerden ze naar de kust te roeien, maar de stroming landafwaarts was te sterk. Michael stelde voor te zwemmen, Wassing raadde dat sterk af. Desondanks sprong Michael te water met twee lege benzineblikken als steun. De 2 jonge Asmatters sloegen alarm, tijdens een grootscheepse zoekactie werd Wassing gered, van Michael ontbrak elk spoor. Ja, toen kwamen de indianenverhalen tot leven.

De boottrein

De eerste bootrein, de “Nederland-Express” van de Stoomvaart Maatschappij Nederland vertrok uit Genua naar Amsterdam op 12 juni 1926. Op 17 maart 1927 verliet de ‘Lloyd Rapide” van de N.V. Rotterdamse Lloyd de haven van Marseille op weg naar Rotterdam.

Sinds 1926 werd de boottrein bij Indische verlofgangers populair. Met de boottrein werd de reis van Indië naar Nederland aanzienlijk bekort. Dit gold ook voor verlofgangers die uit Nederland terugkeerden naar Indië.
Om concurrentiemotieven, dus om de meest betalende passagiers der eerste klasse te lokken, waren het treinen met een ongekende luxe aan boord. Beide boottreinen hadden iets van de beroemde Oriënt-Express.
Zitcompartimenten van ten hoogste 6 personen, een-en tweepersoonscoupés in aparte wagon-lits, een diningcar met brede ramen, leren fauteuils, schemerlampen op de tafels en een uitgebreid aanbod van luxe gerechten.
De “Nederland-Express” vertrok uit Genua en reed via Milaan, Basel en Keulen naar Utrecht en Den Haag. De route van de “Lloyd Rapide” liep van Marseille via Parijs, Brussel en Antwerpen naar Rotterdam en Den Haag.
Een bijkomend voordeel was dat bij de grensovergangen niet hoefde te worden gestopt voor een douane-onderzoek. In- en uitklaring van bagage was al door de scheepsmaatschappijen verzorgd.
Latere cijfers over de percentages van verlofgangers dat op uitreis (naar Indië) en thuisreis (naar Holland) van de boottreinen gebruik maakte, gaven aan dat de thuis-komers in de meerderheid waren. Deze hadden kennelijk meer haast om hun familie in Holland te ontmoeten. En dan kan het gebeuren dat ontwenning van hun woon-streek of van hun verwanten in Holland tijdens het 6 maanden- verlof noopte tot een vervroegd afscheid.

Scheepsverbinding Nederland naar Indië

De passagiersschepen van twee Nederlandse rederijen die vooral verlofgangers vervoerden van Nederland naar Nederlands-Indië vice-versa waren de N.V. Rotterdamse Lloyd en de Stoomvaart Maatschappij Nederland.

Tussen de twee wereldoorlogen in, grofweg van 1920 tot 1940, verzorgden schepen van 2 maatschappijen de “Lloyd” en de “Nederland” het vervoer van passagiers uit Nederland naar Nederlands-Indië en vice-versa. Het overgrote deel van de passagiers bestond uit Europese gouvernementsambtenaren (burger- en militair) die hun werkkring hadden in Nederlands-Indië. Rechtspositioneel werd hun het recht verleend op een buitenlands verlof voor de duur van 6 maanden na 6 onafgebroken arbeidsjaren in Indië. Hun passagebiljetten werden geregeld via de departementale dienst van het Ministerie van Koloniën, het bureau van de Gecommitteerde voor Indische Zaken. Deze dienst zorgde voor een billijke verdeling van de passages over de beide scheepvaart-maatschappijen.
Zo’n strikte regeling gold niet voor passagiers uit de niet-ambtelijke sector. Hun passages werden naar vrije keuze geboekt door de handels- en cultuurondernemin-gen zelf.
Beide scheepvaartmaatschappijen waren dus in hoge mate verzekert van een zeer regelmatig aanbod van passagiers voor zowel de heen- als de terugreis.
Vanaf 1920 groeide dit aanbod naar mate het ambtenarenbestand zich uitbreidde, met als gevolg een toenemende stroom verlofgangers.
Ook de toenemende vraag naar Europees personeel in de particuliere sector maakte een constante stroom van personeelsuitzendingen vanuit Nederland noodzakelijk.

Nieuw-Guinea-conferentie 1950.


Den Haag, 4 december 1950. In de Trèveszaal werd de Nieuw-Guinea-conferentie gehouden. De Indonesische delegatie werd geleid door
M. Roem, minister van Buitenlandse Zaken.
De minister van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen, Van Maarseveen, voerde de Nederlandse delegatie aan.

Nederland weigerde de soevereiniteit van Nieuw-Guinea tegelijk met de rest van Nederlands-Indië af te staan. Dit ter genoegdoening van de belangrijk grote oppositie in het Nederlandse parlement tegen de totale overdracht.
Om toch tot overeenstemming te geraken stemden de Indonesische onderhandelaars in met de Nederlandse eis over Nieuw-Guinea op voorwaarde dat het gebied één jaar in Nederlandse handen zou blijven en dat binnen die periode een oplossing diende gevonden te worden over status ervan.
Een jaar later kwam men weer in Den Haag bij elkaar.

De eerste Islamitische begraafplaats

Wie kent niet de vooroorlogse foto’s, toen nog kiekjes genoemd, van de Nederlandse gezinnen die met verlof in Nederland waren of van mensen die “het gemaakt” hadden in de Oost en die zich op hun oude dag terugtrokken om de rest van hun leven in Holland te slijten.

Soms treft men op foto’s van ‘Indiëgangers’ tussen de gezinsleden van een familie een typisch Indonesisch gezicht aan. In het onderschrift wordt duidelijk gemaakt dat het hier de meegekomen baboe of djongos betreft, die vele jaren in dienst van de familie als dienstmeid of -knecht heeft doorgebracht.
Alleen al in Den Haag woonden duizenden gezinnen uit Indië. Bij een aantal van die gezinnen woonde ook hun meegekomen Indonesisch personeel in.
De meeste van deze personeelsleden waren moslims die in Nederland vasthielden aan hun eigen geloof, zeden en gebruiken. Evenzeer gold dit ook voor alle in Nederland werkende Indonesiërs (horeca, scheepsbemanning) en studenten bij middelbaar/hoger onderwijs.

In 1932 werd voor hen de eerste Islamitische Vereniging in Nederland opgericht: Perkoempoelan Islam. Men verkreeg een Koninklijke goedkeuring voor de vereni-ging, die zich ten doel stelde om een Islamitisch bedehuis te vestigen en een aparte begraafplaats voor Islamieten in te richten, los van andersdenkenden.
De Perkoempoelan Islam vervulde allerlei taken, niet alleen bij geboorte, huwelijk, scheiding, ziekte en begrafenis, maar ook bij het schrijven van brieven, vertaalwerk en kontakten met de overheid.
De gemeente Den Haag stelde in december 1932 een stukje grond van de Algemene begraafplaats aan de Kerkhoflaan ter beschikking aan Islamieten.

Nogmaals de capitulatie van Indië

In de vooroorlogse dagen heerste in Nederlands-Indië de opvatting dat een slagvaardige expeditiemacht beter in staat zou zijn de Japanse agressie te weerstaan dan een verdediging van de kustlijnen. De Nederlandse regering hield vast aan een defensieve oorlogsvoering.

In de meidagen van 1940 bleek spoedig hoe slecht Nederland had geanticipeerd op een verdedigingsoorlog tegen Duitsland. In Indië verloor men dan ook elke illusie om een Japanse overmacht te kunnen weerstaan.
De Nederlandse regering in ballingschap in Londen, met name de minister van koloniën Gerbrandy, vaardigde instructies uit met het volgende dringende verzoek:
De Gouverneur-Generaal Van Starkenborgh, volgens de Indische staatsregeling opperbevelhebber van het KNIL, diende het commando over te dragen aan generaal Ter Poorten, bevelhebber van het KNIL. Dit om twee redenen: 1. mocht de GG in vijandelijke handen vallen dan zou Ter Poorten de oorlog kunnen voortzetten en eventueel tot guerrilla-oorlogvoering kunnen overgaan. Daarmee zou 2. een totale capitulatie kunnen worden voorkomen, want met Ter Poorten als ondercommandant kon volgens de regels alleen over gedeeltelijk capitulatie worden gesproken. Deze “Londense” instructies getuigden volkomen van gebrek aan realiteitszin.
Van Starkenborgh werd op een zijspoor gezet door de Japanse generaal Imamura en Ter Poorten tekende in Kalidjati voor totale capitulatie, onder zware druk van de bedreiging dat bij niet inwilliging van de eis, de hele ‘Europese’ stad Bandoeng tot puin zou worden gebom-bardeerd. Ter Poorten kreeg later de zwarte Piet toegespeeld, maar volgens het bovenstaande treft het KNIL geen blaam, het waren de toenmalige Nederlandse autoriteiten die alweer slecht hadden geanticipeerd.