Al !


All good things comes to an end.

De verhalenkist van Hans Oosterwijk is leeg.
Op ! Per 31 maart dezer.
We zijn tot de bodem gegaan en …. néks.
Hans, veel dank !

Wie wilt kan in het archief van 930 verhaaltjes rondneuzen .

Zwavel van de Kawa Ijen

Vanaf de plaats Banyuwangi in Oost-Java bereikt men met een gehuurd minibusje de voet van de Kawa Idjen. Daarna moet de 2800 meter hoge top beklommen worden om vervolgens in een weeë stank van rottende eieren af te dalen naar het lager gelegen, turkooisblauwe kratermeer.

Vanaf de top van de Kawa Idjen (2800 m.) gaat een bochtige vervallen trap door een doolhof van kolossale rotsblokken naar het 300 meter lager gelegen kratermeer. Even boven dit meer aan de linkerkant van de krater is de helgele zwavelwand zichtbaar. Op de brede richel bij deze wand werken tientallen arbeiders.
Vanuit de verspreid liggende gaten in de warme wand stroomt ’s nachts de zwavel in gasvorm naar buiten. De zwavel wordt door condensatie vloeibaar en hoopt zich op rond elke gasopening, koelt vervolgens af en veroorzaakt enorme, stevige zwavelafzettingen.
Een arbeider hakt met een stalen staaf op de ’s nachts gevormde sedimenten in en maakt er kleinere brokken van. Anderen zoeken de brokken bij elkaar, vullen hun draagmanden ermee en sjouwen de zwavelbrokken op hun rug de kraterwand op naar de top van de Kawa Idjen. Vandaar komen de zwavelbrokken naar de zwavelfabriek in Jambu. Op en rond de centrale ovens liggen hopen helgele zwavel die in de ovens wordt hersmolten. De gesmolten zwavel wordt via filters gereinigd van onzuiverheden en met een pannetje uitgegoten op een natte cementvloer. Door het koude water stolt de vloeibare zwavel tot dikke, platte platen die vervolgens worden vermalen om als kleinere stukjes in zakken te worden gestopt.
De zwavel wordt gebruikt als explosief goedje voor vuur-werk, lucifers, enz. Verder in de chemische industrie en als geneesmiddel, maar vooral om rietsuiker te bleken.

Desa Suriname’ op Sumatra

Van de 33.000 Javanen die als contractarbeider naar Suriname werd vervoerd, keerden ± 8.500 na afloop van hun 5-jarig contract terug. De grote meerderheid wisselde hun recht op een betaalde terugtocht in tegen 100 Sur. guldens voor de aankoop van een stukje land.

Doordat hun levensomstandigheden na de contract-periode niet echt verbeterde, bleef de wens om terug te keren naar Java altijd doorwoekeren.
Sommigen van hun verkozen bij de openbare verkiezin-gen in 1950 niet voor het Nederlanderschap maar voor terugkeer naar het onafhankelijk geworden Indonesië.
Een van de organisaties die zich beijverde voor de terug-keer naar Java was de “Yayasan ke tanah air” (Organisa-tie voor terugkeer naar het vaderland) van S.M. Hardjo en J.W. Kariodimedjo.
Op 4 januari 1954 vertrok een groep van 300 gezinnen uit Paramaribo, in totaal 1014 man, waarvan 646 perso-nen in Suriname geboren zijn. Vooraf aan het vertrek werden tijdens vele bezoeken goede afspraken gemaakt met Indonesische functionarissen.
Java als bestemming was niet mogelijk. Het werd het land van de Minangkabau, Sumatra, 180 km van Padang alwaar hun ongeveer 1500 ha grond was toegezegd.
Midden in de rimboe verrees na jaren van hard werken de model desa Tongar. Ze was ruim van opzet en ieder huis had een flinke tuin. Een welvarende desa was het.
Heden ten dage ligt Tongar nog steeds aan de voet van de Boekit Barisan. De eerste repatrianten (30) zijn ouder geworden. Vele anderen zijn uitgevlogen en hebben elders in Indonesië een bestaan opgebouwd.
Eens werd hier gedanst op Zuid-Amerikaanse muziek als uit alle windstreken de families bijeenkwamen om feest te vieren en Pom te eten.

Permesta in Noord Celebes

In 1955 werd bij de algemene verkiezingen de communistische partij de 4de partij in het land. Dit tot bijzonder groot ongenoegen van de leger- en vele burgerautoriteiten in de gewesten buiten het eiland Java. Zij eisten van Soekarno autonome vrijheid van handelen.

Omstreeks de tijd dat in Sumatra een opstand uitbrak (eind 1956) tegen de centrale regering in Jakarta, kwam met dezelfde intenties in Noord Celebes een beweging op gang, die bekend werd als de Permesta-revolte. De Piagram Perjuangan Semesta (Charter van de universele strijd), werd op 2 maart 1957 uitgeroepen door militaire en burgerlijke leiders. Het centrum was gevestigd in Menado en de leider van de beweging was kolonel Ventje Sumual.
De initiatiefnemers waren voornamelijk legerofficieren, die als ware krijgsheren hun macht ontleenden aan de wanordelijke, weke, instabiele en communistisch getinte politiek van de achtereenvolgende kabinetten in Jakarta. Gedurende die jaren van Liberale Democratie, hadden legerofficieren zich een lucratieve verdienste weten toe te eigenen door op grote schaal te smokkelen in ruwe rubber en copra.
De opstandelingen hoopten dat meerdere commandan-ten zich bij hen aansloten. Dat lukte slechts ten dele.
Echter, de CIA meldde zich als strijdmakker en bevoor-rade hen met moderne wapens en vliegtuigen. Er was zelfs sprake van een Permesta luchtmacht van 15 B26 bommenwerpers compleet met CIA-piloten en onder-houdsdienst op het vliegveld Menado. De luchtaanvallen richtten zich op steden in handen van de centrale overheid, Balikpapan, Makassar en Ambon.
De Permesta en de PRRI in Sumatra sloten een verbond en trokken gezamenlijk op tegen Centrale regering.

Hitachi en Hibachi

Welhaast in alle keukens van een gerepatrieerd Indisch gezin stond de rijststomer op het fornuis. Een tweedelige pan, waarvan de bovenste pan een geperforeerde bodem had. De vooraf goed gewassen rijst werd eerst in een andere pan met water halfgaar gekookt (‘geliwet’).

De elektrische Hitachi rijstkoker moest halverwege de jaren 60 maar eerst bewijzen dat hij net die kwaliteit voortbracht die men verlangde van een goed bord warme rijst uit de tweedelige rijststoompan. Maar schoorvoetend won hij terrein in de Indische huishouding in Holland, “lekker snel en vooral gemakkelijk, toch”.

Het oorspronkelijk ritueel van het rijststomen op Java omvatte de volgende handelingen: men waste de rijst, overgoot haar met kokend water en deed haar in de koekoesan (puntig uitlopend mandje) dat in de dandang (koperen kookpot) hing. Met een deksel op de koekoe-san stoomde men de rijst tot ze samenhang vertoonde. In een grote kom overgeschept, overgoten met water uit de dandang, kregen de rijstkorrels een kwartier lang de tijd om het water in zich op te nemen (sedoe). Daarna ging de rijst weer in de koekoesan en boven het hete water in de dandang moest de rijst nog een uur stomen.

Het Hibachi rooster werd met grote vreugde door de Indische gemeenschap ontvangen. Daarmee ging men het balkon op of de tuin in. Weldra stegen er grote rookwolken op gevuld met scherpe geuren van gemarineerd, geroosterd kippen-, varkens-, of lams-vlees. Afhankelijk van de marinade werden op slag alle deuren en ramen van boven- en naaste buren gesloten.
Om de gemoederen te bedaren werden vriendelijke buren voorzien van saté’s, geroosterde speklapjes en karbonades. De pindasaus deed zijn intrede in Holland.

‘Staatsblad-Europeanen’

Wim Walraven was naar eigen zeggen “geketend aan Indië, geketend aan zijn Soendanese vrouw Itih, geketend aan zijn 8 Indische kinderen”. Maar ook in Holland had hij niets meer te zoeken. Hij hekelde de toestanden in Dirksland, zijn geboortedorp, dat hij ontvluchte voor Indië.

In zijn brieven aan familieleden in Holland beschreef de auteur W. Walraven hoe hij zich ergerde aan de in zijn ogen verwaande opvattingen van de Indo-Europeanen. “Deze gedroegen zich plus royaliste que le roi, meer Europeaan dan de Europeanen zelf. Zij vormen een zelfbewuste klasse, die ter onderstreping van dit pseudo- Europeaanschap een hooghartige houding tegen de inheemse bevolking aannemen. Deze staatsblad-Europeanen hebben veelal een minderwaardigheids-complex, dat zich soms kan uiten in overdreven brutaliteit, soms ook in overdreven bescheidenheid en schuwheid. Ze zijn karig met woorden, althans als er een blanda aanwezig is. Indo-Europese vaders zijn zelf hun leven lang ondergeschikte geweest, hetgeen geen waarborg gaf voor een goede behandeling van hun (inheemse) ondergeschikten, want slaven zijn dikwijls op hun beurt de grootste tirannen als ze de kans krijgen.
Indo-Europeanen drijven bovenop de inheemse samenleving als een vlies op de melk.
Er is oppervlakkig contact met de inheemse bevolking waarin zijzelf hun oorsprong hebben, merendeels was er zelfs geen contact met de eigen inheemse familieleden”.

Walraven is hier geciteerd om aan te geven dat de Indo’s zich als afzonderlijke bevolkingsgroep manifesteerden. Elke poging om een versmelting met de Indonesische samenleving te bewerkstelligen is te allen tijde mislukt.

Gijzeling of eigen veiligheid

Voor zover er nog twijfel is onder de 46.000 Nederlanders en Indo-Europeanen die door Indonesiërs in de Bersiaptijd in 400 kampen werden gestopt, over de vraag of ze voor hun eigen veiligheid werden opgepakt of als gijzelaars dienden, gaf Mary van Delden in haar boek ‘De Republikeinse kampen in Nederlands-Indië’, een uitsluitend antwoord.

De beoordeling van deze prangende kwestie werd getoetst aan de hand van 4 momenten waarop de Indonesische autoriteiten daadwerkelijk gebruik hadden kunnen maken van gijzeling als wapen, namelijk
-het moment van internering
-bij de Brits-Indonesische onderhandelingen over de evacuatie van de kampen
-bij de uitvoering van de evacuatie
-bij de onderhandelingen over een zelfstandig Indonesië.
Op geen van deze momenten hebben de Indonesische autoriteiten gebruik gemaakt om iets voor elkaar te krijgen. Er is dan ook geen sprake van gijzeling.
Waarom wordt dan tot op heden hardnekkig over gijzeling gesproken?
Wel, dat is te wijten aan de Nederlandse regering die wel degelijk misbruik heeft gemaakt van de situatie. Zij hadden er baat bij dat de indruk bleef bestaan dat de geïnterneerden gegijzeld werden. De Nederlandse regering wilde immers dat de Britse troepen die verantwoordelijk waren voor de afwikkeling van de gevolgen van de oorlog, zolang mogelijk op Java bleven. Bovendien wilden de politici de Nederlandse publieke opinie beïnvloeden ten gunste van uitzending van militairen naar Nederlands-Indië.
Wat geheel overeind blijft zijn de gevoelens van de geïnterneerden die op bruuske wijze in de kampen werden opgesloten met te weinig eten en drinken. Zij hebben dat ervaren als verlenging van de oorlog.

Na 5 jaar de eerste verkiezingen in Indonesië


Voorafgaande aan de algemene verkiezingen in september 1955, hadden 17 coalitie- en crisis-kabinetten Indonesië geen goed gedaan.
Vanaf het veelbelovend begin in 1945 had door te weinig gemeenschapszin en vakkennis de liberale democratie geen kans gekregen.

De eerste algemene verkiezingen na de overdracht van soevereiniteit vonden plaats op 29 september 1955. Circa 38 miljoen stemgerechtigden brachten hun stem uit.
De PNI, Soekarno’s Nationale Partij, won met 22,3% van de stemmen en 57 zetels in het Huis van Afgevaardigden. De zeer democratische Masjoemi Partij kreeg met 20, 9 % van de stemmen ook 57 zetels.
De mohammedaans-conservatieve Nahdatoel Oelama die zich in 1952 van de Masjoemi Partij had afgesplitst, won 18,4 % en 45 zetels. De PKI, Communistische Partij, kreeg een verrassende 16,4 % en 39 zetels. De rest van de stemmen kwam toe aan talrijke spinterpartijen.
De Masjoemi Partij bracht op de kleinst mogelijke basis een kabinet samen o.l.v. premier Harahap.
Dit kabinet toonde toenadering tot Nederland en het Westen om de nog niet opgeloste Nieuw-Guinea kwestie op te lossen. Maar Nederland bleef onvermurwbaar en had Nieuw-Guinea in de “ijskast” gezet.
Eindelijk werd in december 1955 te Bandoeng de lang verwachte Wetgevende Assemblee ingesteld die de provisorische parlementaire constitutie van 1950 moest voltooien. Later zou blijken dat de vergaderingen geen verheffend schouwspel moeten zijn geweest. Men kwam over een enkel artikel in maanden niet tot overeenstemming. Ook hier kwam de parlementaire democratie door hardnekkige verdeeldheid (Islam of Pancasilla als leidinggevende filosofie) niet tot besluiten.

De Mentawai-archipel

Westelijk van Sumatra, ter hoogte van Padang, liggen in de Indische Oceaan de 4 middelgrote eilanden van de Mentawai-archipel. Door de ‘Indonesianisering’, het overheidsbeleid voor de buitengewesten, dreigt de lokale cultuur van de Mentawai-archipel in de verdrukking te komen.

Het grootste eiland is Siberut met een omvang gelijk aan Bali. Zuidelijk volgen Sipura, Noord Pagai en Zuid Pagai, de laatste twee vroeger de Nassau eilanden genoemd.
Het hoofdeiland Siberut bestaat voor 65% uit primair oerwoud. Maar tegenwoordig wordt er stevig aan houtkap gedaan.
Op Siberut woont het grootste deel van de Mentawai-samenleving. Tot voor kort leefde de uit circa 7000 leden tellende Sakuddei-stam vrij geïsoleerd in het binnenland. Zij woonden in kleine groepen van 5-10 gezinnen in gemeenschapshuizen, Uma geheten (Uma staat voor zowel gemeenschapshuis als verwantengroep).
Door het grote isolement waarin zij leefden zijn veel gebruiken en tradities goed bewaard gebleven.
Sago vormt het hoofdvoedsel. Het planten, onderhouden en oogsten in de sagoplantages wordt door mannen gedaan, het bereiden, koken en drogen van pasgeklopte sago is een taak voor de vrouwen. Verder worden bananen, taro (knolgewas) en kokos verbouwd.
Men vist in de riviertjes en jaagt in de bossen op zwijnen, herten en apen. De jungle geeft de Mentawai de garantie om te overleven.
Transportmiddel is de kano of kleine boot, want er zijn nauwelijks aangelegde wegen of paden. Men loopt langs smalle, provisorische paden. Als gevolg hiervan merkte de antropoloog Schefold op, dat de Mentawai nooit geleerd hebben naast elkaar te lopen, zelfs op de brede stranden van Siberut loopt men in een rij achter elkaar.

Een terugreis vol onzekerheden

Onder het motto “de baas beslist en anders niet” kregen uit Holland terugkerende verlofgangers pas op het laatste moment tijdens de bootreis naar Indië te horen waar en op welke standplaats de toekomstige functie voor 6 jaren zal moeten worden vervuld.

Aan boord van de passagiersschepen naar Indië kreeg een terugkerende verlofganger een plaats in de eetzaal aangewezen voor de duur van de reis. Aan tafel bemerkte hij dat hij was ingedeeld bij mensen die eenzelfde beroep uitoefenden of aan dezelfde maat-schappij verbonden waren of een zelfde soort ambtelijk functie bekleden.
Een belangrijk deel van hun tafelgesprek handelde over de toekomstige 6 werkzame jaren in Indië. Voor zowel particulieren als ambtenaren kwam dat neer op hun nieuwe plaatsing. Waar zullen ze worden geplaatst? Op welke onderneming? In welk gebied?.
Immers, tijdens het buitenlands verlof, ruim 8 maanden inclusief heen en terugreis, werd hun vroegere plaats in de Indische werkkring niet opengehouden. Op die plaats kwam, uit oogpunt van promotie, meestal een ander terecht. Voor de van buitenlands verlof terugkerende functionaris was het nu een kwestie van afwachten.
Dat afwachten gebeurde aan boord tijdens de reis naar Indië. Omstreeks de laatste week van de reis werden door het Gouvernement van Indië en door de directies van handels-, landbouw- en mijnondernemingen telegrammen verzonden met de exacte gegevens over de vervulling van de nieuwe posten en standplaatsen. De onzekerheid is voorbij, men weet nu wat er te wachten staat. Maar waarom niet eerder deze berichtgeving? Mogelijke achterliggende gedachte was dat men met de wetenschap van de nieuwe standplaats of functie niet meer in staat was om hiertegen te protesteren.

Nahdlatul Ulama

Nahdlatul Ulama (NU) betekent “het ontwaken van de Ulama”. De beweging is gevormd in 1926 door Javaanse Ulama’s (Schriftgeleerden), die de traditionele Islam sterker wilden maken en de Indonesische moslims wilde verenigen tegen de opkomende invloed van nationalisme en communisme.

Nahdlatul Ulama (NU) is in Soerabaja in 1926 opgericht door K.H. Muhammad Hasyim Asy’ari (1871-1947).
Het is een van de grootste religieuze organisaties in Indonesië die zich richt op het belang van de hele samenleving. NU richt zich speciaal op de bevordering van de solidariteit tussen de traditionele Ulama’s van 4 klassieke wetgevende scholen binnen de Sunni Islam.
De kracht van NU ligt op het platte land, in het bijzonder in Oost-Java, en in alle traditionele Mohammedaanse scholen, de Pesantren, waar studenten les krijgen van
een kyai (religieus leider) die de klassieke Arabische teksten hanteert.
NU bezit 6000 scholen, moskeeën, weeshuizen, armen-huizen, landbouw- en handelsgemeenschappen, alsmede kleine industrieën.
De NU werd politiek actief tijdens de strijd voor onafhan-kelijkheid. Het bemoedigde Indonesische deelname aan politieke structuren onder Nederlandse leiding.
Nog onder Japanse leiding koos NU als lid van Masyumi (Majelis Syura Muslimin Indonesia), een modern inge-richte koepel van Islamitische organisaties, voor het voeren van een heilige oorlog tegen de geallieerden.
In 1952 werd NU een onafhankelijke politieke partij, die het wereldlijk geestelijke karakter van de Masyumi volledig afwees.
Bij de verkiezingen van 1955 werd het een populaire partij, die later onder Suharto’s staatsideolgie koos voor het 1ste principe van de Pantjasilla, “geloof in één God”.

Chinezen in Indonesië na 1950

Generaties lang woonden de Paranakan Chinezen al in Indonesië. Zowel op het sociale vlak als in het zakelijk verkeer was er sprake van een goed onderling contact tussen Peranakan Chinezen en de Indonesische bevolking.

In algemene zin kon men stellen dat daar waar veel Peranakan Chinezen woonden, deze zich hadden aange-past aan de Indonesische omgeving.
Echter, tot een volledige assimilatie is het nooit gekomen. Door verschil in normen en waarden bleef duidelijk een afbakening bestaan tussen de Indonesische bevolking enerzijds en de Chinese populatie anderzijds.

Na de Onafhankelijkheid van Indonesië nam de overheid maatregelen die het handelen van Chinezen beperkte. Het waren discriminerende maatregelen. Een en ander had te maken met de opkomst van een Indonesische ondernemersklasse.
Nadrukkelijker dan voorheen kwam naar voren dat een groot deel van de Islamitische Indonesische samenleving niet genegen was de Chinese populatie te accepteren. Zij waren immers de kapitalistische klasse én geen Moslim.
Van regeringswege werd de economische positie van de Chinezen verzwakt terwijl de Indonesische ondernemers meer faciliteiten kregen. De Chinese bedrijven moesten voortaan een Indonesische directeur in dienst nemen. Ook werden bepaalde licenties, benodigd voor de in- en uitvoer van producten, alleen toegekend aan autochtone ondernemers.
In reactie daarop werd de Badan Permusjawaratan Keturunan Indonesia (BAPERKI) opgericht. Dit orgaan wilde de discriminatie bestrijden en uitvoering geven aan het bij wet vastgelegde gelijkheidsbeginsel.

De eerste Televisie

Vanaf 1952 kwamen schoorvoetend de eerste TV’s in de handel. Ongeveer in dat jaar werd de Nederlandse Televisie Stichting (NTS) opgericht, waarin 4 omroepen waren verenigd, AVRO, VARA, KRO en NCRV. Wat later kwam de VPRO.

Het televisiekastje met het kleine scherm van 22 cm en 4 knoppen daaronder was bepaald geen sieraad om naar te kijken. Maar daar ging het ook niet om, het oplichtend scherm had alle aandacht. Men zag mensen spreken, zingen, toneel en muziek beoefenen, allemaal dingen die zich ergens anders afspelen.
Even vóór achten ’s avonds ging de televisie aan.
Er kwam een testbeeld. Om 8 uur precies verscheen een van de omroepsters (Tanja Koen NCRV, Hannie Lips KRO, Vertie Dixon VPRO, Ageeth Scherphuis AVRO, Karin Kraaikamp VARA). Zwart-wit beelden. Drie maal per week TV voor een apparaat dat 1000 gulden kostte.
In de straat waar wij vanaf 1950 woonden hadden twee
oude Indische tantes van mij een TV gekocht. Zij waren de helden van de straat. Iedereen mocht om de beurt een avond komen kijken. Als de bezoekers vertrokken waren ontstond vaak een debat tussen de beide dames.
“Als het bordje storing is opgehangen, waarom wacht Tom Manders dan niet even met zijn grappen?”.
“Hoe vaak moet ik jou nog zeggen, Toet. Die man zijn programma is al ‘s morgens opgenomen. Dus hij weet toch niet dat er storing komt ’s avonds”.
“Maar de weerman die wacht wél. Hij kletst niet verder”.
“Adoe Toet, die man is toch immers in de studio, en bij storing wordt hij getipt, . . Kop dicht. . . Storing”.
“Eigenlijk leuker als Tom Manders ’s morgens ook een paar keer gaat stoppen voor storing, en dan wachten, en dan weer verder met zijn conferenties, toch?”

De boottrein

De eerste bootrein, de “Nederland-Express” van de Stoomvaart Maatschappij Nederland vertrok uit Genua naar Amsterdam op 12 juni 1926. Op 17 maart 1927 verliet de ‘Lloyd Rapide” van de N.V. Rotterdamse Lloyd de haven van Marseille op weg naar Rotterdam.

Sinds 1926 werd de boottrein bij Indische verlofgangers populair. Met de boottrein werd de reis van Indië naar Nederland aanzienlijk bekort. Dit gold ook voor verlofgangers die uit Nederland terugkeerden naar Indië.
Om concurrentiemotieven, dus om de meest betalende passagiers der eerste klasse te lokken, waren het treinen met een ongekende luxe aan boord. Beide boottreinen hadden iets van de beroemde Oriënt-Express.
Zitcompartimenten van ten hoogste 6 personen, een-en tweepersoonscoupés in aparte wagon-lits, een diningcar met brede ramen, leren fauteuils, schemerlampen op de tafels en een uitgebreid aanbod van luxe gerechten.
De “Nederland-Express” vertrok uit Genua en reed via Milaan, Basel en Keulen naar Utrecht en Den Haag. De route van de “Lloyd Rapide” liep van Marseille via Parijs, Brussel en Antwerpen naar Rotterdam en Den Haag.
Een bijkomend voordeel was dat bij de grensovergangen niet hoefde te worden gestopt voor een douane-onderzoek. In- en uitklaring van bagage was al door de scheepsmaatschappijen verzorgd.
Latere cijfers over de percentages van verlofgangers dat op uitreis (naar Indië) en thuisreis (naar Holland) van de boottreinen gebruik maakte, gaven aan dat de thuis-komers in de meerderheid waren. Deze hadden kennelijk meer haast om hun familie in Holland te ontmoeten. En dan kan het gebeuren dat ontwenning van hun woon-streek of van hun verwanten in Holland tijdens het 6 maanden- verlof noopte tot een vervroegd afscheid.

Onderwijs in Indonesië

De Japanse bezetters hebben in Indonesië het onderwijsstelsel veranderd. Zij maakten een einde aan het naast elkaar bestaan van uiteenlopende schooltypen voor verschillende etnische groepen. In plaats daarvan werd de zes klassen tellende basisschool ingevoerd

De basisschool (‘sekolah dasar’) vormt nog steeds de basis van het Indonesische onderwijsstelsel. Het basisonderwijs is in principe verplicht, vrij toegankelijk en gratis. In 1987 werd de leerplicht ingevoerd voor alle kinderen tussen 7 en 12 jaar. In 1989 ging 98% van de leerplichtige kinderen naar het basisonderwijs.
Hierna volgen scholen voor het driejarig lager voortgezet onderwijs ( ‘sekolah lanjutan tahap pertama’) en driejarig hoger voortgezet onderwijs (‘sekolah lanjutan tahap atas’).
De meeste kinderen die naar de middelbare school gaan, bezoeken de algemeen vormende lagere middelbare school (‘sekolah menengab pertama’), te vergelijken met de vroegere Nederlandse MAVO. Leerlingen die nog verder willen leren, kunnen terecht bij de voortgezette middelbare school (‘sekolah menengab atas’ SMA).
Een minpunt in het Indonesische onderwijsstelsel is het geringe aantal lagere scholen voor beroepsonderwijs. Indonesië heeft voor het hoger onderwijs een zeer divers aanbod, dat wel geconcentreerd is op Java. Er zijn veel beroeps- en technische opleidingen, lerarenopleidingen en universiteiten. Er zijn op dit moment 76 staats-universiteiten en bijna 1600 particuliere universiteiten en hogescholen. De kwaliteit van veel particuliere univer-siteiten is echter niet best. Goede particuliere univer-siteiten zijn de protestants-christelijke Satya Wacana Universiteit in Salatiga en de katholieke Parahyangan Universiteit in Bandung.

Papoea vrouwen

Vrouwen werden bij vele stammen door mannen als gevaarlijke wezens beschouwd, die voor een groot deel van hun leven onrein zijn. Verder werden zij geacht over magische krachten te beschikken, waartegen mannen veel taboes en ingewikkelde riten in acht moesten nemen.

Hoewel het in de Baliemvallei koud kan zijn, de temperatuur daalt soms tot 5˚C, droegen de Dani tot voor kort geen kleren. De meisjes droegen rieten rokjes, getrouwde vrouwen omwikkelden zich met een gevlochten koord en de mannen droegen een lange, buisvormige peniskoker van gedroogde gele kalebas.
De krampachtige pogingen van missionarissen en zende-lingen om Papoea’s te leren hun naaktheid te bedekken, liepen op niets uit. Later zag men gelukkig in dat “zedelijkheid” een cultuur gebonden begrip was, dat niet door de ene cultuur met dwangmaatregelen aan de andere cultuur kon worden opgelegd.
Hieronder volgt, waar een en ander toe kon leiden?
Een Australische bestuursambtenaar wilde met zijn vrouw een Papoea nederzetting bezoeken in de buurt van Port Moresby. Het hoofd van de plaatselijke politie was belast met de organisatie van de ontvangst- plechtigheid. Indachtig de in zijn ogen Victoriaanse preutsheid van de blanke vrouwen, vroeg hij de Papoea-vrouwen uit het dorp om op de grote dag hun borsten te bedekken, anders zou de blanke dame te veel geschokt worden.
De Papoea-vrouwen voldeden graag aan dit verzoek.
Op de bewuste dag hadden zij zich, op verzoek van het ontvangstcomité, naast elkaar in één lijn opgesteld.
Zodra de blanke dame in zicht kwam, tilden zij allemaal tegelijk hun rokjes hoog op om er hun borsten mee te bedekken.

Solex versus Kaptein Mobylette

De eerste Solexen werden vanaf 1 augustus 1948 verkocht door de Rotterdamse handelsonder-neming R.S. Stokvis. De Nederlandse Solex, werd gemaakt door de Haagse firma Van der Heem.
In 1949 begon in Arnhem de kapteinfabriek met de productie van de Kaptein Mobylette voor de Nederlandse markt.

Begin 1950 ging men over tot het gemotoriseerd rijden op een eigenaardig vervoermiddel, de Solex. Een soort fiets maar dan met een motortje op de voorband die het voorwiel aandreef. Aan dat motortje zat een hoge hendel die je naar je toe trok. Trappend op de pedalen werd vaart in het vehikel gezet en op een bepaald moment de hendel naar voren gedrukt zodat de aandrijfrol van het motortje op de band van het voorwiel drukte en de 49 cc motor aansloeg. En rijden maar, met een topsnelheid van 20-25 km per uur!! Bij harde tegenwind moest worden meegetrapt. Oh ja, en. . . Solexrijders groeten elkaar toen nog door handopsteking.
Indische jongelui gaven meer de voorkeur aan de Kapitein Mobylette. Da’s meer macho.
Een achterwielaandrijving via een heuse tweetact motor onder aan het buizenframe. Precies een echte motorfiets, toch? En in het slechte Hollandse weer kon de Kaptein Mobylette jou, met je meisje achterop, makkelijk trekken. Het contact tussen jongen en meisje werd met de latere buddy-seat zelfs een stuk intiemer.
Midden jaren ’50 importeerde de Delftse Motorenhandel in Den Haag vanuit Oostenrijk de befaamd geworden Puch bromfiets.
Vooral onder middelbare scholieren werd dit merk mateloos populair, maar dan met hoog stuur en uitlaat- potje. Het motortje kon gemakkelijk worden opgevoerd. Hij kostte in die dagen zo’n 650 gulden.

NICA

Op 3 april 1944 werd in Australië de NICA (Netherlands Indies Civil Administration) opgericht. De organisatie was verantwoordelijk voor het burgerlijk bestuur en de rechtspraak in de Nederlands-Indische gebieden die op de Japanners heroverd werden.

Luitenant-Gouverneur-Generaal H.J. van Mook en generaal Douglas MacArthur, opperbevelhebber SWPA, kwamen begin 1944 overeen dat de Amerikaanse troepen in de heroverde gebieden van Nederlands-Indië voor de bestuurstaken de NICA zou inzetten.
Het personeel van de NICA was militair of gemilitariseerd en droeg een uniform.
In april 1944 gingen de eerste NICA-detachementen aan land in Nieuw-Guinea (Hollandia, Biak, Noemfoer en Manokwari), de Molukken (Morotai) en Borneo (Tarakan en Balikpapan).
Bekend werd dat na 15 augustus 1945 Nederlands-Indië (minus Sumatra) naar het Britse bevelsgebied van SEAC werd overgeheveld.
De herbezetting van Borneo, Celebes, de Molukken en de andere eilanden in Oost-Indonesië was nu een Australische en de herbezetting van Sumatra, Java, Bali en Lombok een Britse verantwoordelijkheid.
Op 24 augustus werd daarom met de Britten een nieuwe Civil Affairs Agreement gesloten.
In september 1945 kwamen de eerste NICA-vertegen-woordigers in Batavia aan.
Omdat de Indonesiërs fel reageerden op de komst van de NICA (met in de naam Netherlands Indies) werd in januari 1946 de naam gewijzigd in AMACAB (Allied Military Administration, Civil Affairs Branch). Ondanks haar naam bestond de organisatie volledig uit Nederlands-Indische ambtenaren.

Scheepsverbinding Nederland naar Indië

De passagiersschepen van twee Nederlandse rederijen die vooral verlofgangers vervoerden van Nederland naar Nederlands-Indië vice-versa waren de N.V. Rotterdamse Lloyd en de Stoomvaart Maatschappij Nederland.

Tussen de twee wereldoorlogen in, grofweg van 1920 tot 1940, verzorgden schepen van 2 maatschappijen de “Lloyd” en de “Nederland” het vervoer van passagiers uit Nederland naar Nederlands-Indië en vice-versa. Het overgrote deel van de passagiers bestond uit Europese gouvernementsambtenaren (burger- en militair) die hun werkkring hadden in Nederlands-Indië. Rechtspositioneel werd hun het recht verleend op een buitenlands verlof voor de duur van 6 maanden na 6 onafgebroken arbeidsjaren in Indië. Hun passagebiljetten werden geregeld via de departementale dienst van het Ministerie van Koloniën, het bureau van de Gecommitteerde voor Indische Zaken. Deze dienst zorgde voor een billijke verdeling van de passages over de beide scheepvaart-maatschappijen.
Zo’n strikte regeling gold niet voor passagiers uit de niet-ambtelijke sector. Hun passages werden naar vrije keuze geboekt door de handels- en cultuurondernemin-gen zelf.
Beide scheepvaartmaatschappijen waren dus in hoge mate verzekert van een zeer regelmatig aanbod van passagiers voor zowel de heen- als de terugreis.
Vanaf 1920 groeide dit aanbod naar mate het ambtenarenbestand zich uitbreidde, met als gevolg een toenemende stroom verlofgangers.
Ook de toenemende vraag naar Europees personeel in de particuliere sector maakte een constante stroom van personeelsuitzendingen vanuit Nederland noodzakelijk.

Staatsbestel in Indonesië

Indonesië is een republiek met een presidentieel stelsel, waarbij de uitvoerende macht berust bij de president en bij de ministers. De ministers worden door de president benoemd en zijn alleen aan hem verantwoording schuldig.

De basis van de grondwet is de door president Soeharto ingestelde officiële staatsfilosofie Pantjasila, die vijf grondbeginselen van de Indonesische eenheidsstaat omvat: het geloof in één God, een eenheidsstaat, menselijkheid, sociale rechtvaardigheid en een democratie geleid door (mushawara), de wijsheid van overleg en vertegenwoordiging.

De president en de vice-president worden voor vijf jaar gekozen, vanaf 2004 via directe verkiezingen, en zijn daarna weer herkiesbaar (president Soeharto heeft bijvoorbeeld vijf volle termijnen geregeerd). Hij of zij beschikt over het vetorecht inzake wetsvoorstellen (‘Keputusan Presiden’) en heeft verder grote volmachten, met name omdat hij of zij de noodtoestand in het hele land kan uitroepen en tevens opper-bevelhebber van het leger is.

De wetgevende macht berust bij het 500 leden tellende parlement (Dewan Perwakilan Rakyat of DPR). Deze parlementsleden worden direct door het volk gekozen.

Het hoogste orgaan is het gekozen Raadgevend Volks-congres (Malejis Permusyawaratan Rakyat), dat bestaat uit leden van het Huis van Volksvertegenwoordigers en de Regionale Vertegenwoordigers Council; het komt ten minste eens in de vijf jaar bijeen, stelt de politieke richtlijnen vast en kiest de president.

Peranakan Chinezen

Peranakan betekent Afstammeling in het Indone-sisch; met Peranakan Chinezen worden bedoeld de afstammelingen van Chinezen die zich in de loop der tijden in Indonesië gevestigd hebben. Zij zijn in Indonesië geboren en stammen in lijn af van de eerste generatie Chinese immigranten.

De migratie van Chinezen naar Indië kwam pas goed op gang in het midden van de 19de eeuw. Vanaf 1860 -1930 steeg de Chinese populatie van 220.000 naar 1.233.000. (noot: Indonesië telde in 1930 ± 61 miljoen inwoners)
Zij kwamen als contractarbeiders en als vrije migranten.
De contractarbeiders voornamelijk voor het werk in de tabakscultures op Sumatra en de tinmijnen in Bangka en Biliton.
De vrije migranten vestigden zich op Java en Madura vooral in de grote steden. Ze ontplooiden zich actief in het handelsverkeer. Ruim 60% van de Chinezen was omstreeks 1930 werkzaam in de handel en vormde daarmee een belangrijke schakel tussen de inheemse maatschappij en het grote Europese handelsverkeer.
Regel was dat de Chinees òf zelfstandig was, òf bij een andere Chinees in dienst stond en alles wat de Chinees produceerde aan de Europeaan werd verkocht.
De Chinezen waren verdeeld in twee kampen, de Peranakans, die geen Chinees meer spraken, en de Totok-Chinezen, de ‘singkehs’, die de Chinese taal en cultuur hoog in het vaandel hadden.
Wel was het zo dat de hele Chinese populatie aan de Europeaan was gelijkgesteld. Dat hield in dat voor alle Chinezen het Europese Burgerlijke Recht van toepassing was verklaard.
Sinds de laatste volkstelling in 1930 is de totale Chinese bevolking gegroeid tot meer dan anderhalf miljoen in 1940, waarvan ± de helft Peranakan Chinezen waren.

Emigratie naar de States


Wist jij dat er. . zo’n 50.000 Indo-personen naar de USA zijn geëmigreerd. . . . Emigratie naar de States
.
.
“Hé, Tjalie, wat doet jouw vader eigenlijk?”.
“Hij is in de schuur”.
“Ja maar, wat doet jouw vader?”.
“Hij is iets aan het zagen”.
“Ik bedoel, wat doet jouw vader als hij niet in de schuur
is?”.
“Dan zaagt hij niet meer”.
“Adoe, volgens mij verlak jij de kluit. Ik probeer jou te vragen, hoe komt jouw vader aan de kost?”.
“Oh, zijn kost? Hij lust geen groenten”.
“Hè, geen groenten? Wat eet hij dan bij zijn rijst?”.
“Hij slikt multivitaminen”.
“Dat is toch niet gezond alleen pilletjes slikken”.
“Daar zit toch alle vitamien in en één pilletje per dag is altijd goedkoper dan één tomaat, zegt mijn vader”.
“Een eigenaardig type die vader van jou. Ik zou toch graag willen horen wat jouw vader hier in Holland voor werk doet”.
“Hij doet de Rijkswerkplaats. Veel Indo’s daar. Leren voor lasser of metaaldraaier voor straks in Amerika”.
“Oh, jullie gaan emigreren naar The States?”.
“Niet ach, California”.
“Had jouw vader in Indië al een technisch beroep?”.
“Niet, zijn job was onderwijzeres op mijn schooltje”.
“En jij, spreek jij al een beetje Engels?”.
“Sie de piramids elong de Nail, sie de sunrais in een tropic ail. Je weet wel, Jo Stafford, ik leer haar liedjes”.

APWI en IFTU


In april 1946 sloten de Indonesische autoriteiten met de Britse legerleiding op Java een formeel akkoord over de evacuatie van alle geïnter-neerden vanuit republikeins gebied naar de steden. De Nederlandse autoriteiten werden buiten de besprekingen gehouden.

De eerste Brits-Indonesische bespreking van 9 januari 1946 ging over de begeleiding van APWI uit de binnenlandse kampen door POPDA-manschappen.
Het begrip APWI werd als volgt gedefinieerd: alle ex-Japanse geïnterneerden (dus alle Allied Prisoners of War and Internees). Tegelijk werd onder dezelfde noemer geplaatst de nieuwe groep geïnterneerde Indo-Europeanen die door de Engelsen IFTU (Inhabitants Friendly To Us) werden genoemd.
Dat betekende dat onder het begrip APWI werd begrepen alle totoks en Indo-Europeanen uit Japanse interneringskampen én totoks en Indo-Europeanen die tijdens de Bersiap in Republiekeins kampen waren ondergebracht. In de laatste drie maanden van 1945 werden in totaal circa 46.000 mannen, vrouwen en kinderen geïnterneerd.
Onder de groep van 46.000 personen bevonden zich circa 4.500 blanke Nederlanders (totoks). Na de Japanse capitulatie op 15 augustus hebben zij het geallieerde bevel om in de kampen te blijven genegeerd en zijn op eigen houtje naar hun oude woningen in republikeins gebied teruggekeerd om vervolgens opnieuw te worden geïnterneerd tijdens de Indonesische interneringen in de Bersiap periode.
De Indonesische organisatie POPDA (Panitia Oeroesan Pengangkoetan Djepang dan APWI – Organisatie voor de evacuatie van Japanners en APWI) was nu verantwoordelijk voor de evacuaties.

Nieuw-Guinea-conferentie 1950.


Den Haag, 4 december 1950. In de Trèveszaal werd de Nieuw-Guinea-conferentie gehouden. De Indonesische delegatie werd geleid door
M. Roem, minister van Buitenlandse Zaken.
De minister van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen, Van Maarseveen, voerde de Nederlandse delegatie aan.

Nederland weigerde de soevereiniteit van Nieuw-Guinea tegelijk met de rest van Nederlands-Indië af te staan. Dit ter genoegdoening van de belangrijk grote oppositie in het Nederlandse parlement tegen de totale overdracht.
Om toch tot overeenstemming te geraken stemden de Indonesische onderhandelaars in met de Nederlandse eis over Nieuw-Guinea op voorwaarde dat het gebied één jaar in Nederlandse handen zou blijven en dat binnen die periode een oplossing diende gevonden te worden over status ervan.
Een jaar later kwam men weer in Den Haag bij elkaar.

Darul Islam in West-Java


Darul Islam, afgeleid van Dar al-Islam, is een groep militante moslims, die zich in 1942 verzamelde om hun leider, de radicale politicus Kartosuwirjo. Zij beschouwden de shari’a als de enige bron van wetgeving in het land.

In Bandoeng, West-Java, vond op 4 mei 1947 een grote manifestatie plaats van de Partai Rakjat Pasoendan. Ten overstaan van een grote menigte riep de voorzitter van de partij, Soeria Kartalagawa, het gebiedsdeel West-Java uit als deelstaat Pasoendan (Negara Pasoendan). Iets te voorbarig, want er waren nog twee conferenties en een constituerende vergadering voor nodig om de Staat Pasoendan per 24 april 1948 erkend te krijgen. Staatshoofd werd Wiranata Koesoema, lid van de republikeinse Raad van State in Djokja.
Een en ander geschiedde overeenkomstig de Renville-overeenkomst tussen de Republiek Indonesia en Neder-land tbv. de vorming van de Federale staat Indonesië.

Uit protest tegen de oprichting van Pasoendan riep de radicale politicus Kartosuwiryo West-Java uit tot een Islamitische staat. Vanaf de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië verzette de tot politieke beweging uitgegroeide Darul Islam zich tegen elk compromis met de Nederlanders. De extremistische vrijheidsstrijders streden niet alleen tegen de Hollandse troepen maar ook tegen het Indonesische leger in West-Java.
Het conflict eindigde met de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949. De TNI ontwapende de vrijheid-strijders, maar de voormannen van de Hizbullah en Sabilillah weigerden zich over te geven.
Pas is 1962 werden Kartosuwiryo e.a. gearresteerd en geëxecuteerd.

Ajoen ajoen ajoen

Er zijn verschillende teksten van toepassing op het liedje “Ajoen ajoen”, maar hiernaast staat de meest gezongen tekst vermeld. Ajoen ajoen ajoen

Djangan mandi kali Pesapen (ga niet baden in kali P)
Kali Pesapen banjak lintah-nja (kali P. veel bloedzuigers)
Djangan kawin noni Pesapen (trouw geen meisje van P.)
Noni Pesapen banjak tingkahnja (meisje P. veel nukken)

Refrein:

Ajoen ajoen ajoen in die hoge klapperboom
Ajoen ajoeng mas Mira
Djangan main gila (maak geen gekheid)
Ajoen ajoen ajoen in die hoge klapperboom
Ajoen ajoeng mas Mira
Djangan main gila

Ga niet baden daar in die kali
En ga niet trouwen daar in Pesapen
Laat je raden, mijn kleine Ali
Wanneer ik jou met raad van dienst wil zijn

Want een kaaiman zit in de kali
En ook een kaaiman zit in Pesapen
’t is je schoonma, mijn kleine Ali
Die erop loert dat jij getrouwd zal zijn

Repatriantenzorg

In 1950 bundelden verschillende particuliere hulporganisaties op aandringen van de Overheid hun krachten tot het Central Comité van Kerkelijk en Particulier Initiatief voor Sociale Zorg ten behoeve van gerepatrieerden (CCKP).

En dan gebeurde het toch! Het ontmoedigingsbeleid van de regering werd door de gebeurtenissen achterhaald.
De komst naar Nederland van Indische repatrianten was niet meer te stoppen.
De zorg van de Overheid richtte zich nu op de onaange-pastheid van de “in Indië gewortelden”.
Om die onaangepastheid te bepalen diende als maatstaf het ‘Nederlands burgerlijke ideaaltype’. Als dan ten opzichte hiervan de geaardheid en het sociaal gedrag van Indische mensen niet overeenkwamen met het ideaal beeld, drong zich al heel snel de term onmaatschappelijken op. Moeten dan deze ‘Indische onmaatschappelijken’ worden vergeleken met Neder-landse gezinnen die zich onmaatschappelijk gedroegen?
Het CCKP nam de coördinatie op zich en zette zich in om de aanpassing van repatrianten zo vlot mogelijk te laten verlopen.
Volgens de voorzitter van de CCKP moest de aanpassing of assimilatie van ‘repatriant tot volwaardig lid van de Nederlandse Volksgemeenschap’ in ten hoogste twee jaar worden verwezenlijkt. De maatschappelijke werkers en thuishulpen zwermden uit. Vooral repatrianten die in contractpensions waren gehuisvest kregen op strenge paternalistische wijze de Nederlandse stijl van huishou-den opgedrongen, koken, kleden, spreken, kinderopvoe-ding, budgettering, woninginrichting, enz.
Een gunstig oordeel van de maatschappelijke werkers was bepalend voor het verkrijgen van vrije huisvesting.

RAPWI in Indonesië

In februari 1945 werd de organisatie “Recovery of Allied Prisoners of War and Internees” (RAPWI) opgericht. Admiraal Lord Mountbatten, opperbevelhebber van South East Asia Command (SEAC) beoogde hiermee om RAPWI-teams in te zetten achter de oprukkende geallieerde troepen.

De RAPWI-teams kregen de opdracht om de opvang van krijgsgevangenen en geïnterneerden te verzorgen. Met de plotselinge capitulatie van Japan moest in het hele bevelsgebied van SEAC gelijktijdig alle hulp worden geboden.
Nadat men van de Japanse commandanten op Java en Sumatra de verzekering had gekregen dat zij zich aan het capitulatiebevel zouden houden (handhaving van rust en orde), kwam op 28 augustus de RAPWI op gang. Zowel kampbewoners als Japanners kregen instructies via boven de kampen uitgeworpen pamfletten. Daarna werden contactteams gedropt bij de interneringskampen.
Het eerste team o.l.v. majoor A.G. Greenhalgh landde op 8 september in Batavia. Daarna volgden RAPWI-teams in Magelang, Soerabaja, Bandoeng en Semarang.
Op Sumatra liep de zaak op rolletjes na voorbereidend werk van teams uit het Korps Insulinde. RAPWI-teams leidden de evacuaties vanuit de kampen naar Padang, Medan en Palembang. Eind november waren alle kampen ontruimd.
Op Java werd het werk van de RAPWI-teams in een snel verslechterende politieke situatie bemoeilijkt door het Pemoeda-geweld tegen Nederlanders en Indo’s. Toen in oktober Indonesiërs met Britten en Japanners in strijd raakten, stagneerden de evacuaties vanuit de kampen naar de inmiddels gevormde Engelse bruggenhoofden op Java. Alleen met hulp van goedwillende Indonesische voormannen werd enige voortgang geboekt.

Hollandia omstreeks 1955


Hollandia was midden in de jaren ‘50 als hoofd-stad van Nederlands Nieuw-Guinea eigenlijk een gesplitste stad die over een 40 km groot gebied uit tal van verspreid liggende woningen- en kantorencomplexen was opgebouwd.

De bombardementen voorafgaand aan de Amerikaanse invasie hadden het vooroorlogse Hollandia volkomen weggevaagd, na eind april 1944 was het een complete ruïne. Direct na de invasie bouwde het Amerikaanse leger een omvangrijke basis met codenaam ‘Base G’.  In verband met de bereikbaarheid van Japanse vliegtuigen bouwde men enorme complexen woon- en kantoorruimten, naast opslagruimten voor onderde-len en oorlogsvoorraden op grote afstand van elkaar.
Dit om de trefkans van Japanse bommen te minimaliseren.
Toen de Amerikanen wegtrokken werden de beste complexen door Nederlandse overheidsdiensten in gebruik genomen, omdat die plaatsen de best voorhanden zijnde woon- en kantoorruimten opleverden.
De Nica, Netherlands Indies Civil Administration, werd als bestuurscentrum na enige tijd gevestigd in de plaats Kotabaroe, waar twee vroegere Amerikaanse hospitalen werden vertimmerd tot kantoren en woningen. Deze plaats werd later Hollandia-Binnen genoemd, zo’n 40 km binnenlands van Hollandia-Haven gelegen.
Aldus ontstond de merkwaardige splitsing van Hollandia, de hoofdstad van Nieuw-Guinea.
Dankbaar werd het aangelegde ‘Amerikaanse’ wegennet van totaal 80 km gebruikt voor de onderlinge verbinding van de overheidsdiensten en ambtelijke woongebieden.
Hollandia was toen zuiver een ambtenarenstad; de kleine industrie, werkplaatsen, land- en tuinbouw, alles was gericht op de behoeften van het bestuurscentrum.

Sultan Hamengkubuwono IX

Ten tijde van het Javaanse rijk Mataram vormde de stad Djokjakarta het centrum van het rijk. Men noemde het toen “Negeri Ngayogyakarta Hadiningrat”. Deze term wordt nog steeds gebruikt voor het hele kratoncomplex.

Na de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië op 17/8/’45 ondersteunde Sultan Hamengkubuwono IX, samen met Paku Alam VIII van het vorstendom Paku Alam, de jonge Republiek Indonesië.
Als dank voor zijn steun benoemde de Centrale regering hem voor het leven tot gouverneur van het vorstendom “Negeri Ngayogyakarta Hadiningrat”.
Vorst Paku Alam VIII werd vice-gouverneur.
Het totale gebied werd tot Buitengewoon Gewest binnen de Republiek uitgeroepen en tot de officiële onafhankelijkheidsoverdracht in december 1949 was Djokjakarta ook de hoofdstad van de republiek.
Hamengkubuwono IX (1912-1988) kreeg strikt Westers onderwijs en voltooide later zijn studie in Leiden in Indonesische geschiedenis en Economie.
In 1939 keerde hij terug naar Indonesië en besteeg de troon op 18 maart 1940. In zijn inhuldigingsspeech zei hij “hoewel ik een westerse opleiding heb gevolgd, ben ik en zal ik altijd een Javaan blijven”.
Tijdens zijn regering werd meer democratie ingevoerd en decentralisatie van bevoegdheden voor de dorpshoofden. In de Japanse bezetting bleef hij bij zijn volk.
Tijdens de regering Soekarno oefende hij vele belangrijke posten uit waaronder ministersposten. Later, onder Suharto werd hij benoemd tot vice-president.
In die functie nam Hamengkubuwono het bewind waar als Suharto in het buitenland verbleef.