De sandalen van de Orang-Kaja

Als eenzame Binnenlands Bestuursambtenaar in afgelegen streken moest je wel eens een pijnlijke afweging maken t.o.v. een onrechtmatig gepleegde daad door een voornaam lid van de bevolking. In het verhaal hiernaast eisten twee personen om genoegdoening. Wat te doen?

Hij liep langs het strand van zijn tegenwoordige verblijf-plaats op het eiland Gorong. Met zijn volk van woeste Alfoeren was hij verdreven naar dit eiland in de Ceram zee. Hij was de orang-kaja, de vorst van zijn stam.
Nog niet zo lang geleden droeg hij een schaamgordel met bonte koppensnellers attributen, croton-bladeren aan zijn bovenarmen, kakatoea-veren op het hoofd, een speer, een vervaarlijke parang en het smalle Alfoeren schild.
Nadat hij zich bekeerd had tot de Islam, droeg hij nu een lange broek die om zijn benen flapperde, een fez op het hoofd en sandalen aan zijn voeten. Er was maar één paar sandalen op het eiland te vinden en dat waren de voetbekleedselen van de orang-kaja zelf.
Op een dag landde een Arabier met een prauw vol sandalen op de kust van Gorong. In het Alfoerenbrein van de orang-kaja flitste één gedachte op: die sandalen zouden aan al zijn onderhorigen worden verkocht.
En dan zou iedereen geschoeid gaan zoals hij, vorst bij de gratie van Allah, vorst van geslacht op geslacht.
Die prauw vol sandalen zou een revolutie veroorzaken en de bestaande verhoudingen ernstig doen wankelen.
Nu liep hij woedend langs het strand naar de prauw toe en pleegde eigenmachtig snelrecht. Hij liet de prauw zinken in het diepste deel van de baai.
De jammerende Arabier eiste een uitspraak van de eenzame BB-ambtenaar en zo deed ook de orang-kaja, vorst van de ex-koppensnellende eilandbewoners.

De Kolenboer

De stilte van de winterkoude ochtend werd telkens verbroken door een schrapend geluid. Van alle kanten hoorde je datzelfde geluid, een metalen schepje over een cementen vloer.
De kolenkit werd gevuld.

Het kolenhok bevond zich achter het eengezinshuis in of naast het schuurtje. Op elk balkon van de flats of boven-woningen werden kolen opgeslagen in de kolenkast.
Direct achter de kolenkastdeur was een muur van losse planken opgetrokken tot een hoogte van 1 meter 75.
In de smalle ruimte achter de planken werden de kolen bewaard. Onderaan de plankenmuur was een smalle ruimte open gelaten waardoor de kolen zichtbaar waren.
Met een schurend geluid over het cementen vloertje werd het schepje in de kolen geduwd en de kolenkit gevuld. De kolenkolom zakte bij iedere volle schep.
In de maanden augustus of september werd bij de lokale kolenhandel 1 of 2 mud aan kolen besteld.
Op de dag van aflevering werd de vloer van het huis vanaf de voordeur tot aan het kolenhok bedekt met een dikke laag kranten.
De Indische dame, geassimileerd als ze was, zei tegen de zwaar voorover gebukte man: “Môge, kolenman”. Terwijl hij voorbij liep in de richting van het balkon zag ze het kolengruis met wolken uit de jutezak op zijn rug neerdwarrelen. Gelukkig op de kranten, maar toch. . .
“Hoeveel is eigenlijk een mud, kolenman?”. Hijgend veegde hij met zijn hand het zweet van het voorhoofd, waardoor zijn gezicht nu helemaal zwart zag van de kolenstrepen. “Een hectoliter, mevrouw”, en hij sjokte de deur uit voor nog een zak.
En dan begon de schoonmaak van vloeren, wanden, deuren en kasten, alles zat onder het vette kolengruis.

Engelse troepen naar Indië

Pas op 28 september gaan de eerste Britse en Indiase eenheden aan land in Batavia. Mountbatten stuurt drie divisies naar Nederlands-Indië: de 23ste Indian Division en 5de Indian Division gaan naar Java, de 26ste Indian Division naar Sumatra.
Door de politiek explosieve situatie besluit Mountbatten af te zien van de voorgenomen herbezetting van het eiland Java en Sumatra. Hij besluit alleen bruggenhoofden te bezetten (de key-area strategie): Batavia en Soerabaja op Java en Padang, Medan en Palembang op Sumatra. Later worden daar op Java Bandoeng, Buitenzorg en Semarang aan toegevoegd.

De Britse en Indiase troepen zijn er om twee taken uit te voeren: het geven van hulp (voedsel, medicamenten, hulp aan zieken, kleding, enz) aan de ex-geïnterneerden in de Japanse kampen en de evacuatie van de Japanners.
Onder geen beding mogen de troepen worden ingezet tegen de jonge Republiek Indonesië. Om een escalatie te voorkomen verbiedt Mountbatten op 19 november bovendien de landing van Nederlandse troepen op Java en Sumatra.

De eerste Islamitische begraafplaats

Wie kent niet de vooroorlogse foto’s, toen nog kiekjes genoemd, van de Nederlandse gezinnen die met verlof in Nederland waren of van mensen die “het gemaakt” hadden in de Oost en die zich op hun oude dag terugtrokken om de rest van hun leven in Holland te slijten.

Soms treft men op foto’s van ‘Indiëgangers’ tussen de gezinsleden van een familie een typisch Indonesisch gezicht aan. In het onderschrift wordt duidelijk gemaakt dat het hier de meegekomen baboe of djongos betreft, die vele jaren in dienst van de familie als dienstmeid of -knecht heeft doorgebracht.
Alleen al in Den Haag woonden duizenden gezinnen uit Indië. Bij een aantal van die gezinnen woonde ook hun meegekomen Indonesisch personeel in.
De meeste van deze personeelsleden waren moslims die in Nederland vasthielden aan hun eigen geloof, zeden en gebruiken. Evenzeer gold dit ook voor alle in Nederland werkende Indonesiërs (horeca, scheepsbemanning) en studenten bij middelbaar/hoger onderwijs.

In 1932 werd voor hen de eerste Islamitische Vereniging in Nederland opgericht: Perkoempoelan Islam. Men verkreeg een Koninklijke goedkeuring voor de vereni-ging, die zich ten doel stelde om een Islamitisch bedehuis te vestigen en een aparte begraafplaats voor Islamieten in te richten, los van andersdenkenden.
De Perkoempoelan Islam vervulde allerlei taken, niet alleen bij geboorte, huwelijk, scheiding, ziekte en begrafenis, maar ook bij het schrijven van brieven, vertaalwerk en kontakten met de overheid.
De gemeente Den Haag stelde in december 1932 een stukje grond van de Algemene begraafplaats aan de Kerkhoflaan ter beschikking aan Islamieten.

De Onwankelbare staat Indonesië

In het boekje “Van proclamatie tot onwankelbare staat”, gepubliceerd door de Ambassade van de Republiek Indonesië in Nederland, uitgave 2002”, valt de term onwankelbaar ietwat vreemd op.

De subtitel “De Republiek Indonesië van 1945-1950”, geeft aan dat het boekje handelt over de uiterst wankele, gewelddadige beginperiode van Indonesië op weg naar een onafhankelijke staat. Het beschrijft die periode waarin men nog hevige strijd leverde met de Nederlanders, terwijl men intussen ook intern bezig was met de uitwerking van de staatkundige grondbeginselen voor de nieuwe staat Indonesië, zoals die in 1945 hun beslag kregen in de nieuwe Grondwet, bekend als de UUD 1945 (Undang- Undang Dasar 1945).
Het boekje vermeldt dat in die zomer van 1945 men vastberaden was over de onafhankelijkheid. Naar later bleek, veel vastberadener dan de Nederlanders en de oprukkende geallieerden vermoedden.
Voorbij gegaan wordt aan de drie jaren Japanse bezetting, die het Indonesische volk grondig hadden veranderd. De Japanners betrokken de Indonesische intelligentsia veel meer bij het bestuur dan de Nederlanders hadden gedaan, het zelfvertrouwen van die groep nam toe. De landelijke bevolking werd veel wreder uitgebuit dan de Nederlanders ooit gedaan hadden, de haat tegen overheersing nam toe. Daar kwam nog bij dat de Nederlanders indirect hadden geregeerd d.m.v. de inheemse adel. De Japanners heersten direct tot diep in elke kampong en vernielden daarmee het effect van het traditionele gezag door de regentenklasse. Nooit eerder was de bevolking bereid om te strijden voor een onwankelbare onafhankelijkheid.

Banjuwangi, een legende

Uit het boek, Indonesische Sagen en legenden van Nènèk Dongeng, komt de legende van de rivier Banjuwangi en de gelijknamige stad in de Oosthoek van Java. De naam werd ontleend aan de legende van Putri Surita en Raden Banterang.

Surati, de knappe koningsdochter van de vorst van Kelungkung was gevlucht voor het geweld van de strijd. Haar vader en broer waren daarbij gesneuveld. De machtige vorst van het aan de overzijde van de Straat Bali gelegen koninkrijk had Kelungkung in bezit geno-men. Die vorst had een zoon, Raden Banterang. Ofschoon hij de ideale zoon was, had hij één gebrek: hij kon zijn drift moeilijk beheersen.
De prins trof Surati bij een beekje in het bos en werd op slag verliefd op het schone schepseltje. Hij luisterde ontzet naar het verhaal van haar vlucht. Met zoete woorden overtuigde hij haar dat hij niets met de strijd te maken had. Zij geloofde hem en stemde even later in met een huwelijk.
Zij werd Putri Surati.
Op een dag ontmoette zij een bedelaar. Hij maakte zich bekend als haar broer. Hij was niet dood en wilde zich nu wreken op de moordenaars van hun vader. Putri Surati wees de hulp af die hij haar vroeg. Boos ging de bedelaar heen om een dag later het pad van Raden Banterang te kruisen. De prins kreeg te horen hoe Surati met haar nog levende broer moordplannen beraamden.De prins ontstak in woede en ontbood Surati naar de rivier. Surati ontkende en zei:
“Het water zal getuigen van mijn onschuld. Zodra mijn lichaam in de golven verdwijnt, zal een welriekende geur opstijgen”.
Zij sprong in het water en er steeg een welriekende geur op.
De prins rook de geur en zei met bevende stem:
”Banju wangi, het water geurt! Ze was onschuldig”.

Zaterdagavond


Op zaterdagavond ging men uit, saterdaynight fever. Elke grote stad kende vele aparte dans-gelegenheden met levendige jazzbands in alle stijlen, van vrolijke Westcoast dixieland tot snelle Eastcoast bop.

Indische jongelui deden uitbundig mee aan het uitgaans-leven, het dansen en jiven zat hun in het bloed.
Maar meer nog bezochten zij de vele huisfeesten, waar bekenden van elkaar een zogenaamde Indofuif gaven.
De gastheer ontving thuis zo’n 30 personen, die in de loop van de avond op muziek dansten van LP’s en EP’s met de nieuwste songs. In de voorkamer zat men te praten of te drinken, in de spaarzaam verlichtte achter-kamer werd gedanst en in de keuken vond men drank en hapjes. Het was een vast patroon.
De oudere generatie repatrianten deed dapper mee met hun kinderen of gingen bij vrienden op bezoek. Geen probleem als de buren maar waren gewaarschuwd.
Ach, het werd weleens luidruchtig als er werd gejived op (Indo)rockmuziek, om daarna over te gaan in rustige closedancing waarbij de dansparen nagenoeg niet van hun plaats kwamen, romantic music for romantic people.
En altijd was er volop eten, lemper, risolles, Indische pasteitjes, spekkoek, of zelfs een mankok nasi goreng. Dan laat de Indische cultuur zich gelden, de voedsel-keten is een belangrijk onderdeel van het feest.
Ver na middernacht was men moe gedanst en de gasten trokken zich terug in de zitkamer. Bij gedempt licht werd geconverseerd, gelachen, geflirt, gevreeën, de laatste drankjes gedronken of weer wat gegeten.
Tegen de ochtend maakten de gasten zich op om naar huis te gaan, de vogeltjes kwinkeleerden al en de flauwe dageraad deed heel zacht zijn intrede. “Adios, thanks”.

Rapwi

De RAPWI (Recovery Allied Prissoners of War and Internees) slaagde erin op Java en Sumatra 23.250 ex-Japanse geïnterneerden op te vangen en te verzorgen. Op 26 januari 1946 wordt de RAPWI op Java officieel opgeheven, hulpdiensten vielen onder AMACAB, een Nederlandse bestuursorganisatie, voorheen NICA.

Pas na de komst van de eerste RAPWI-teams lopen de spanningen op en vinden steeds meer incidenten plaats. Eind september 1945 nemen Indonesische jongeren (pemoeda’s) in Djokjakarta, Solo, Malang, Bandoeng, Soerabaja, Batavia de publieke diensten en overheidsgebouwen over van het Japanse bestuur. Tegelijkertijd wordt een algemene voedselboycot afgekondigd tegen Europeanen en wordt de toevoer van water en elektriciteit naar de interneringskampen afgesneden.
Eind september breekt de Bersiap in alle heftigheid uit. In de grote steden op Java vinden in de maanden oktober, november en december 1945 aan de lopende band ontvoeringen (verdwijningen), beschietingen, berovingen en moorden plaats. Vooral Indo-Europese, Chinese en Molukse families die buiten de kampen verblijven, ongewapend zijn en verspreid van elkaar wonen, zijn slachtoffer van het geweld. De Bersiap bereikt een hoogtepunt in de laatste weken van oktober en in de maand november. In die periode zijn Britse troepen in gevechten verwikkeld met Indonesiërs in Midden-Java en in Soerabaja. Eind december 1945 slagen de Britse troepen in Batavia erin de rust te herstellen maar in Bandoeng blijft het tot maart 1946 onrustig. De schatting van het aantal burgerslachtoffers tijdens de Bersiap loopt sterk uiteen: over heel Java zouden in de drie laatste maanden van 1945 tussen de 3.500 en 20.000 doden zijn gevallen.

De eerste winter in Holland

1948, het jaar dat we in Holland aankwamen.
Het was oktober en de natte herfst was in volle gang. Koud en guur was het en grauw en donker. In “Ataka-kleren” gehuld zaten we rond de zwarte potkachel in de pensionkamer te luisteren naar het gezang van de waterketel op de kachel.

Ik deed verhaal over mijn 1ste winter in Holland. Mijn tienerkleinkinderen en een paar vriendjes hoorden aan:
“En ’s morgens weer vroeg op, rillend van de kou, de ijsbloemen op de ruiten belemmerden het uitzicht naar buiten”.
“Ja, hoor Opa, ijsbloemen op de ruiten? Heb jij soms gedronken? Wij hebben nog nooit ijsbloemen op de ruiten gezien”.
“Nee, dank je de koekoek”, zei ik geërgerd door de onderbreking, “nu hebben we dubbelglas en de winters zijn niet meer zo koud als vroeger. Kort en goed, na het ontbijt pakte je de fiets om naar school te gaan”.
“De fiets? Werden jullie niet met de auto gebracht?”.
“Nee, niemand had een auto of een ijskast of een wasmachine of een douche of een telefoon, en zeker geen auto.
Wij gingen op de fiets, goed ingepakt tegen de snijdende wind die kloven openscheurde in je gezicht, waartegen wij een Talibanachtige wollen ijsmuts droegen en dikke wanten aan de handen. En op school gekomen drong je met z’n allen om de grote kolenkachel in het klaslokaal om wat warm te worden”.
In de ogen van de kinderen weerspiegelde “Wat zielig”, en dan klonk het “maar waarom bleef je niet in. . . . “.
“Omdat daar het vagevuur van de hel brandde voor Nederlanders en Indische mensen, wij allen liepen grote kans om vermoord te worden”.

Kangkoeng

Het bladgewas van de kankoengplant wordt in Indonesië en in veel andere tropische landen dagelijks als groenten gegeten. Niet in de laatste plaats om de hoge voedings-waarde van het bladgroen en de geneeskrachtige waarde ervan.
De Ipomoea aquatica of water-spinazie is een snel tot een hoogte van 2 à 3 meter groeiend knolgewas, dat overal langs de waterkanten groeit. De plant laat zich gemakkelijk stekken.
Kangkoeng kent enkele variëteiten. Niet alle kangkoeng is smakelijk. Als ze niet bitter is, dan is Kangkoeng echt lekker. Zowel de holle stengels als de blaadjes worden gegeten.

De geneeskrachtige werking van de plant wordt in de kruiderij nog steeds aangewend bij zwangere vrouwen en buikziekte (knolsap drinken), bij eelt (knolsap inwrijven) en bij hoofdpijn (bladsap).

Chinezen noemen het Ong Choy, in India heet het Kalmua en in Thailand zegt men Pak Boong.

Toemis kangkoeng (recept)
Snij 2 sjalotjes, 5 partjes knoflook en 2 rode lomboks fijn. Hak de lente-uitjes in stukjes. Verhit 4 eetlepels olie in een wok en fruit de sjalotjes, de knoflook en de lombok samen met 2 theelepels trassi ongeveer 3 minuten. Voeg 500 gr. kangkoeng toe en bak het 1 minuut. Voeg zout, lente-uitjes en 125 ml water toe en laat het sudderen tot de groenten is gekookt.

De vijf principes van de Pantja Sila

In zijn eerste Pantja Sila rede op 1 juni 1945, gericht tot vooraanstaande leiders van de onafhankelijkheidsbeweging, betoogde Soekarno zijn vijf principes waarop hij de toekomstige staat Indonesië zou willen grondvesten.

1. Nationalisme. Vanuit geopolitiek oogpunt zal het Indonesische volk alle mensen omvatten die door de Almachtige God zijn neergezet in de hele Indonesische archipel, van de noordelijkste punt van Sumatra tot het zuidelijkste deel van Nieuw-Guinea.

2. Humanisme. Met verwijzing naar de woorden van Gandhi “ïk ben een nationalist, maar mijn nationalisme is humaniteit” moet niet alleen de vrije staat Indonesië worden gesticht maar moet men zich ook bezighouden met het vormen van één enkele volkerenfamilie.

3. Representatieve regering. Gebroken zal worden met krachten die graag een Islamitische theocratie wilden instellen. De zetel van de volksvertegenwoor-diging is de plaats om de eisen van de Islam door te zetten. Hierin zullen naast alle andere de Islamitische afgevaardigden de meerderheid van de zetels innemen.

4. Sociale rechtvaardigheid. Geen politieke democratie á la het Westen maar een politiek-economische democratie, waarbij de sociale rechtvaardigheid van “Ratoe Adil”, de Javaanse godin der gerechtigheid, zal heersen.

5. Geloof aan God. De Indonesische staat moet een staat zijn waar elk individu in vrijheid tot zijn God kan bidden. . . zonder religieuze ijverzucht; het belijden
van elke godsdienst. . . met wederzijds respect.

Insulindiër

Toen Multatuli in 1860 zijn grote boosheid afreageerde in zijn boek Max Havelaar noemde hij de archipel: Insulinde, dat zich slingert rond de evenaar als een gordel van smaragd. Insulinde, eilandenrijk (Insula=eiland), een juiste omschrijving voor de Indonesische Archipel.

“Waarom noemen wij ons geen Insulindiër? Dan ben je hier in Holland gelijk af van dat gezeur dat je telkens moet uitleggen dat je een Indische Nederlander bent en geen Indonesiër”.
“Ja, en het woord Indo-Europeaan zegt ze al helemaal niets. Maar dat lijkt ook moeilijk te begrijpen, dan moet jij hun vervolgens iets van hun eigen koloniale geschiedenis bijbrengen”.
“Insulinde kennen ze toch wel?”
“Nou, dat betwijfel ik. Ach, je ziet ze wel denken: hé, bruine, hou jij ’s effe op met je fratsen. Immers, aan de huidskleur meten ze af of je in staat bent hun te volgen, want hoe blanker je bent hoe meer je gelijkgesteld wordt, hoe donkerder hoe meer ze jou tot een lagere diersoort rekenen.
In Nieuw-Guinea was het omgekeerd, de blanken die probeerden contact te leggen met de bevolking werden in een kindertaaltje aangesproken omdat de bevolking de witmens geen grote intelligentie toekende”.
“ Haha, en de BB-ambtenaren schreven in hun rapporten dat de Papoea-stammen een simpel taaltje spraken”.
“De Amerikanen hadden een kernachtige interpretatie voor de herkomst van de vele Indische mensen die naar de USA emigreerden. Voor hen als immigratiegroep in de USA gold de term: South-East Pacific Dutch”.
“Goed zeg, dat geeft een duidelijk onderscheid. Dus, Insulindiër lijkt mij een mooie term voor een aanduiding van een aparte en unieke bevolkingsgroep in Holland”.

Ikan

Ikan brèngkès is een geroosterde vislekkernij van fijngehakt gekookt visvlees dat samen met fijngestampte kruiden laag voor laag in een pisangblad wordt geschept waarover een schepje santen. Het pakje wordt geroosterd op arangvuur.

“Wat eet jij daar?”.
“Gewoon, ikan brèngkès. Lekker pedis, deze. Ga maar halen bij die ouwe vrouw. Ze is goed in visgerechten”.
“Ik heb haar nog nooit eerder gezien hier op de pasar. Zit zij vaak op deze plaats?”.
“Een keer per week zit ze daar met haar anglo’s. Die plaats is van haar dochter. Maar die verkoopt alleen groenten en fruit van haar eigen erfje”.
“En die ouwe zit daar op zaterdag te masak masak?” “Ja, ze is de kokkie van mijn tante. Daarom ken ik haar. In het weekend gaat mijn tante altijd naar haar zoon die een plantage in de bergen heeft en dan is kokkie vrij”.
“En hoe komt ze aan de vis voor haar gerechten?”.
“Uit haar vijver. Ze heeft in plaats van vruchtbomen een grote vijver in haar tuin. Ze kweekt twee soorten zoetwatervis, dat zijn goudvis en goerami”.
“Het lijkt mij in onderhoud niet gemakkelijk”.
“Zij zegt van wel. Je moet alleen voor stromend water zorgen. Nou, dat is bij haar gemakkelijk, haar desa ligt langs de rivier en ze hoeft alleen maar water af te tappen en weer terug te voeren in de rivier. In haar vijvers kweekt ze ook bibit (jong broedsel) voor andere desa-vijvers”.
“Ze hoeft dus nooit vis op de pasar te kopen?”. “Jawel, als mijn tante wel eens kakap (schelvis) of tongkol (tonijn) wil eten, dan koopt kokkie tijdens haar dagelijks bezoek aan de pasar ook die vis voor Tante”.

Johan Fabricius


Johan Fabricius (1899 – 1981) behoort tot de
meest gelezen schrijvers in Nederland.
In boeken over Nederlands-Indië spreekt zijn
liefde voor zijn geboorteland, waarheen hij
enkele malen in zijn leven voor korte tijd is
teruggekeerd.

Hij is geboren op 24 augustus 1899 in een oudindisch
huis aan de Bragaweg 2 in Bandoeng als zoon van de
toneelschrijver Jan Fabricius. Vanaf 1902 verbleef het
gezin in Holland om in 1910 voor vier jaren weer terug
te keren naar Indië.
In 1914 woonde het gezin Fabricius in Parijs waar Johan
zijn talent voor tekenen ontwikkelde.
In 1918 nam hij les op de Academie voor Beeldende
Kunst in Den Haag. Schilderen, vooral het portretschilderen,
werd een passie voor hem. Leuker dan
schrijven, vond hij eerst, schrijven is werken.
De drang om te schrijven bleek sterker te worden na de
uitgave van zijn eerste boek ‘Eiko van de Reigershof’ in
1922.
Zijn bekendste boeken zijn o.a. de klassiekers
‘De scheepsjongens van de Bontekoe’, ‘Kommedianten
trokken voorbij’ en ‘Het meisje met de blauwe hoed’.
Hij schreef een kleine honderd boeken, historische
verhalen en jeugdboeken, en baseerde zijn hoofd-
personen veelal op mensen die hij tijdens zijn vele reizen
over de hele wereld ergens had ontmoet.
Telkens als hij in Indië kwam voelde hij zich thuis, hij
kende er ook veel personen.
Zo schreef hij ondermeer ‘Schimmenspel’ geïnspireerd
door de Javaanse dichter Noto Soeroto en ‘ Eiland der
demonen’, vanwege Polok, de Balinese vriendin van
schilder Le Majeur.

Koeboe

Een stomme streek uitgehaald? Een domme opmerking geplaatst? Maar al te vaak werd de veroorzaker van een ongepaste daad of gebeurtenis hartgrondig uitgemaakt voor “Koeboe”.

Vermoedelijk zijn de Koeboe afkomstig uit India of Sri Lanka, zij worden beschouwd als de oudste bewoners van Sumatra.
Eeuwen geleden trokken ze de oerwouden in van Centraal en Zuid-Sumatra. Zoveel mogelijk vermeden zij contact met de inwoners van de hen omringende islamitische sultanaten om zich op die wijze te onttrekken aan onderwerping.
Als bosnomaden leefden zij in kleine groepen van 15 tot 30 personen.
Hun onderkomens waren niet meer dan een bladerdak op palen, vaak in de buurt van een riviertje.
De mannen maakten jacht op wilde zwijnen, apen, bosschildpadden en andere kleine dieren. Zij gebruikten daarvoor een eenvoudige houten speer met ijzeren punt, maar ook strikken.
Muziekinstrumenten, liederen en dansen kenden de Koeboe niet. De Koeboe waste zich nooit, vuil werd met bladeren afgewreven. De huid van de Koeboe is vaak schurftig, hard en vol huidaandoeningen. Ook een natuurgeneeswijze is de Koeboe totaal vreemd.
Nu nog leven er enkele tientallen families als nomaden in het oerwoud. De meeste Koeboe hebben zich thans gevestigd in de omgeving van Jambi.
De mannen werken in de rubbertap of houtkap tegen betaling van afgedankte kleren, zaklantaarns, sarongs en tabak.

Huizenbouw in de VOC-tijd

De woonomstandigheden in het Batavia van de VOC waren blijkbaar van ondergeschikt belang voor de Europese bevolking van Batavia. Het verblijf was veelal maar tijdelijk en er moest in de eerste plaats fortuin worden gemaakt.

In de 17de en 18de eeuw huisde de Europese bevolking van Batavia in woningen die qua architectuur een specifiek Nederlands karakter droegen. Ook het wooncomfort werd geheel aangepast aan de maatstaven van thuis in Holland.
Zonder rekening te houden met het tropisch klimaat, bouwde men dicht op elkaar staande huizen van steen, met dezelfde indeling als de huisjes in het vaderland. Het voorhuis met zijkamer en erachter een grote kamer met kelderkamer waren allen voorzien van kleine ramen met glasruiten.
Op de binnenplaats was de waterput. Aan die binnenplaats was ook de keuken te vinden met daarachter de kleine bijgebouwtjes voor de slaven.
De ventilatie in huis was slecht. Bovendien hield men doorgaans de ramen de gehele dag gesloten. Het rook dan ook muf.
Doordat men bij de bouw van de huisjes de muren direct op de moerasachtige grond bouwde kon het ook niet uitblijven dat door het optrekkende vocht de muren een groenachtige aanslag kregen.
En vochtig bleef het in huis doordat zoals gezegd de ramen dicht bleven en er nooit werd gelucht.
Het dak liet men gelukkig wat verder uitlopen in overstekende dakranden, zodat men enigszins werd beschermd voor de stekende zon en hevige slagregens.

Dajaks

Dajak betekent binnenlander of landbewoner. De Dajaks vormden de niet-islamitische bevolkingsgroep van Borneo. Terwijl de geïmmigreerde Islamieten de kustvlakten bewonen leven de Dajakstammen in het bergachtige binnenland.

Volgens etnologen zijn de Dajakvolken in drie verschillende emigratiegolven vanuit het Zuid-Aziatische vasteland op Borneo terecht gekomen. Tot de eerste groepen die zich op Borneo vestigden, behoorden de Poenan, Klemantan en Kenja. Daarna volgden de Kajan en Moeroet en tenslotte de Iban. De Kajan en Kenja stammen komen vermoedelijk uit het huidige Tibet en Birma. Zij bewonen nu gebieden in Oost-Borneo.

De Poenan, Klemantan, Iban en Moeroet zijn vermoedelijk afkomstig uit Zuid-China en Noord Vietnam, zij vertonen verwantschap met Filippijnse stammen.
De Poenan zijn woudnomaden in Centraal Borneo.
De Klemantan behoren tot de Dajakstammen woonachtig in West-Borneo.
De Iban zijn Zee-Dajaks en een van de grootste Dajakvolken. Zij leven in Noord-west Borneo en Serawak en zijn vanouds zeer beruchte zeerovers.

Tot de bovengenoemde groepen behoren zo’n 300 stamgroepen die hun namen meest ontlenen aan de rivier waarlangs zij wonen.

Vervoer van krijgsgevangenen over zee

Een aantal van de krijgsgevangenen transportschepen werd door de Geallieerden tot zinken gebracht zonder dat hun lading bekend was. De schepen waren op weg naar doelen o.m. in de Indonesische archipel, Thailand, Birma en Japan.

Voor de aanleg van wegen, vliegvelden, verdedigingswerken, spoorwegen en de grondstoffenwinning hadden de Japanners ontzettend veel arbeidskrachten nodig.
Krijgsgevangenen waren voor de Japanners goedkope arbeidskrachten. Er waren er lang niet genoeg. Met wervingsacties of via razzia’s werden Romusha’s in dienst genomen, op Java alleen al zo’n 290.000.
De goedkoopste manier van transport was over zee waar geallieerde duikboten vele schepen torpedeerden.
Een aantal wordt hieronder genoemd:

Circa 15.000 Geallieerde- en Nederlandse krijgsgevangenen en een onbekend aantal Romusha’s hebben hun leven op zee gelaten.

I.M. Hans Oosterwijk

oosterwijk
!
Pas nu bereikt ons het bericht dat Hans Oosterwijk overleed in augustus 2012.
Roki.info had het al enige tijd geleden gemeld. Hans maakte 2 Indische kalenders voor de jaren 2009 en 2010. Daarna schreef hij het boek de Indieje connectie.
De kalenders brachten voor elke dag een nieuw verhaal uit de Indonesische archipel.
Veelal stukjes geschiedenis omtrent Nederlanders toen het nog Indische archipel heette.

Hij wilde zijn verhalen op het internet zetten, maar een website bouwen was te veel technisch gedoe en Hans verzocht Indisch4ever het voor hem te doen.

Dat werd de subweblog :
Het gebeurde ergens in de Indonesische archipel

bigheadrArchipelklein

Eindejaars-conversatie

Bij de overgang naar het nieuwe jaar vierde Indië feest. Overdag waren er o.m. sportwedstrijden en feestelijke verenigingsactiviteiten en ‘s avonds klonk in alle toonaarden het feestgedruis door de nacht, onderbroken door een spetterend vuurwerk.

“Ik zag jou vanmorgen in de kerk zitten. Je had heel veel aandacht voor de preek. Vond je ‘m goed?”.
“Nee. Elk jaar hetzelfde geluid, vrede in Christus zijn koninkrijk. Wat toch vrede, door maar oorlog. In alle koninkrijken op aarde zijn er niet zoveel burgeroorlogen geweest als in dat van Christus”
“Nou zeg. Gaan we wijsgerig doen? Dat humeur van jou heeft zeker te maken met deze laatste dag van het jaar”.
“Heb ik gelijk of niet?”.
“Dat van oorlog en vrede? Ja. Maar dat is het risico van het leven. Mens zijn is een hard vak, niet iedereen kan zijn hartstochten bedwingen. Je zou kunnen zeggen dat sommige nationale of geestelijke leiders zo hartstochtelijk naar vrede verlangen dat ze er een oorlog voor over hebben”.
“Je moet niet spotten, lo”.
“Soeda. Wat doe jij vanavond met Oud en Nieuw?”.
“Oh, ik heb al kaarten voor de bios, de nieuwste film van Dorothy Lamour. En daarna fuiven bij Boebie en Doortje in hun nieuwe huis, tegelijk is dat hun selamatan. En jij, wat?”
“Oh, traditiegetrouw eerst het tennistoernooi afronden, dan een afzakkertje halen in de Jachtclub, eten in de Soos en aansluitend het Oudejaars-galabal”.
“Volgens mij ligt jouw ‘black and white’ al klaar, ik doe mijn swinghemd maar aan. Zalig uiteinde, ja”.

Oud-Javaanse Cultuur

“Men heeft alom begrepen dat, hoezeer de studie der westerse wetenschappen ook gewenst is, de overplanting van deze in eigen bodem niet kan geschieden zonder grondige bewerking van de grond, waaruit het nieuwe leven moet ontspruiten”
Noto Soeroto

De wetenschappelijke bestudering van de Oud-Javaanse cultuur berustte voornamelijk bij Europeanen.
Zonder degelijke kennis van het Javaans zelf zullen nooit de nieuwere Europese wetenschappen in eigen taal vertolkt kunnen worden, meende de schrijver Noto Soeroto, bij de eerste uitgave van het driemaandelijks verschijnende ‘Orgaan van het Java-Instituut’.
“Studie van de moderne Javaanse taal en beschaving was bij de Javanen zeer achteruit gegaan, hoewel de belangstelling voor het eigene niet was gestorven.
De laatste tientallen jaren werden de meeste krachten aangewend om volledig meesterschap over de Hollandse taal te verwerven en om daardoor toegang te verkrijgen tot de Europese cultuurwereld.
Er is nog veel kennis van de Javaanse taal en cultuur onder allerlei Javanen verspreid, maar ze is persoonlijk of tot kleine kring beperkt.
Men kent op Java nog niet genoeg het uitwisselen van gedachten over kwesties om daarmee het eigen inzicht te verruimen.
In Europa wordt zowel het Europese als het vreemde bestudeerd als natuurlijke voortzetting van de studie van wat men zelf bezit. Een Javaan, die dan ook het Javaans zou verachten heeft van Europa nog veel te leren.
Hij zal nimmer het Europese tot in de diepte kunnen beschouwen omdat hij wankel staat op eigen grond”.

Oud-Hollandse schilders in Indië

Over Hollandse schilders, die gedurende de 17de eeuw naar Indië zijn gegaan, is weinig bekend. Wel is komen vast te staan dat op sommige schilderstukken het onderwerp van dien aard is dat deze alleen in Indië kunnen zijn geschilderd.

Dat er in de tweede helft van de 17de eeuw Hollandse schilders gedurende langere of kortere tijd een bezoek hadden gebracht aan bv. Perzië of Hindoestan was genoegzaam bekend geraakt uit literaire tijdschriftartikelen. Maar over Hollandse kunstenaar in het Indië uit die tijd weet men nauwelijks iets.
Wel bekend zijn de lotgevallen van Isaac Koedyck, schilder en koopman, die in 1650 naar Indië was vertrokken. Hij kwam – niet in dienst van de VOC – in 1651 te Batavia aan om daarna naar Agra door te reizen, naar het hof van de Groot Mogol Shah Jehan.
Deze had indertijd een dringend verzoek gedaan aan de Gouverneur–Generaal en de Raden van Indië om hem een in de schilderkunst ervaren persoon te zenden. Door ziekte kon Koedyck echter niet naar Agra gaan.
Als opperkoopman in dienst van de VOC voer hij in 1659 met de retourvloot naar Holland terug. Van Koedyck zijn geen schilderstukken bekend die hij in Indië geschilderd zou hebben.
Er is een portret bekend van “Sayfoedin, Koning van Tidore”. Over de onbekende schilder, die de mensenschuwe koning op het afgelegen eiland moet hebben geportretteerd, is niets bekend.
Van de schilder Jacob Koeman of Coeman zijn twee schilderstukken bekend, een van Gouverneur-Generaal Johan Maetsuyker en een familieportret geschilderd in Batavia in 1664.

Javaans koperwerk

Een reiziger uit Nederland, die Indië bezocht in 1920, verzamelde daar Javaanse koperen kunstvoorwerpen die later thuis zijn woning sierden. Bij nabestelling van een koperen vaas kreeg hij van zijn kennis in Indië een droevige brief terug.

“Het voorwerp dat U ‘vaas’ noemt en waarvan U een goede foto stuurde, heet in laag Javaans ‘Tempòlòng’, in deftig Javaans ‘Pengìdon’. Het is bepaald onze oud- Hollandse en Vlaamse ‘Kwispedoor’ en in de vorm waarin U hem bezit, prijkt hij in de ‘Pendopo’ of voorgalerij van de Inlandse adel.
Een deftige Regent van de oude stempel had hem naast zijn stoel staan als hij zich het genoegen van een sirihpruim veroorloofde. Vroeger werden in de werkplaatsen mooie koperen voorwerpen, ook pengìdons, gemaakt. Maar de Westerse beschaving heeft de laatste 20 jaren verlammend en dodend gewerkt op de Javaanse beeldende kunst.
Vroeger kreeg een jong bruidspaar van de wederzijdse familie ten geschenke mooie batikwerken, kaïns, slendangs, sarongs, sirihstellen, pengìdon, schenkbladen en ketels in geel koper uitgevoerd en rijk versierd. Bij het bruiloftsfeest klonk de gamelan en werden oeroude pantoens gezongen.
Tegenwoordig wordt een bruidspaar gelukkig gemaakt met gedrukte katoentjes uit Leiden of Manchester, blikken wekkerklokjes, een fiets made in Japan, een grammofoon!! En op de bruiloft verschijnen als gehuurde gasten vijf kerels gewapend met klarinet, fluit, trombone en trommels. Leve de Europese invloed op de Oosterse gebruiken! Nee, helaas, U moet zich tevreden stellen met de pengìdon in uw bezit”.

Charles Edgar du Perron

Charles Edgar du Perron (1899-1940), geboren en getogen in Nederlands-Indië, wordt gerekend tot de Nederlandse literaire schrijvers. De Koninklijke Bibliotheek bezit een vrijwel complete verzameling van de werken van Du Perron.

Eddy Du Perron behoorde tot de eerste Nederlandse schrijvers die geboren en getogen waren in Indië.
In 1935 verscheen zijn boek “Het land van herkomst”. Du Perron beschreef in de verpersoonlijking van Arthur Ducroo diens heimwee naar de Indische jeugd en daarmee naar het land dat hij op 22-jarige leeftijd verliet.
Met deze roman werd het eerste en grootste koloniale nostalgie-dokument in de Nederlandse letterkunde geschreven. Het boek beschrijft zowel de Indische als de Europese jaren van Ducroo.
Du Perron publiceerde aanvankelijk vrijwel uitsluitend onder het pseudoniem Duco Perkens. De volledige werken van Duco Perkens zijn in 1926 uitgegeven onder de titel “Bij gebrek aan ernst”.

De recessie in Europa bracht hem in 1936 weer in Indië, waar hij enkele jaren als freelance journalist werkzaam was.
In die tijd vormde zich rond Du Perron een groep schrijvers die zich aangetrokken voelde tot het Indonesische nationalisme. Du Perron zelf werkte mee aan ‘Kritiek en opbouw’, een tijdschrift dat het recht op onafhankelijkheid erkende.
In 1939 vertrok Du Perron weer naar Europa waar hij zich in Bergen vestigde. Op 14 mei 1940, vlak na de Duitse inval, overleed hij.

Wonen in de koloniale stad

Sinds de grote omslag in het Nederlandse denken over de positie van de kolonie, trok men begin 1900 in groten getale, al of niet met het hele gezin naar Indië, het land van de onbegrensde mogelijkheden.

Met het op gang komen van de grote toestroom vanuit Nederland veranderde tegelijk ook de woonsituatie van de Europeanen in de grote steden.
In veel steden met een hoog Europees inwonertal ontstonden ruim aangelegde parkachtige buitenwijken voorzien van scholen en ziekenhuizen.
Bouwstijl en woonomgeving hadden zich goed aangepast aan de klimatologische omstandigheden.
De huizen bestonden uit niet meer dan twee bouw- lagen. Ze waren vrijwel alle voorzien van hoge en tamelijk ver uitstekende daken, wit gepleisterde gevels met diepliggende vensters en ventilatieroosters en meestal een open voor- en achtergalerij.
Direct achter het hoofdgebouw lagen de zogenoemde bijgebouwen, die de grote, riante achtertuin aan weerskanten begrensden.
Allereerst was er een langgerekt gebouw gekoppeld aan het woonhuis, bestaande uit een open galerij waaraan de keuken lag en een aantal kamers o.m. voor opslag van goederen (goedang) en een rust- of slaapgelegenheid voor het bedienend personeel. Aan de andere kant van de achtertuin lag een twee-of meerkamer paviljoen voor logés en een grote garage.
Meestal liep de grote voortuin langs het huis over in de achtertuin. De huizen lagen diep naar achter gelegen aan door bomen beschaduwde straten.

Pramoedya A. Toer en het kolonialisme

“Zonder het kolonialisme zou Indonesië niet zijn wat het nu is”, meent de schrijver Toer tijdens een vraaggesprek.

In een korte opsomming vermeldt hij een aantal grote verdiensten van het kolonialisme, zoals de schepping van de infrastructuur, de plaats van de hoofdstad, de juridische wetgeving, maar ook de introductie en cultivering van geïmporteerd voedsel als cassave, maïs, boontjes en niet te vergeten koffie en thee.
Zij brachten veranderingen in het toenmalig machtspatroon en daardoor in de traditionele rolverdeling. Door de efficiëntie veranderde het dagelijkse leven, het bestuur en de handel.

De kwalijkste invloed van het Nederlandse kolonialisme was de verduurzaming van het feodale systeem.
Zij kwamen met kleine aantallen, de Nederlanders, zij waren moedig en werkten effectief, zij gebruikten het feodale systeem om Indonesië te regeren.
Daarin zijn zij geslaagd.
In de koloniale tijd werden de mensen gedwongen de voorschriften te volgen van de Nederlandse regering en haar bestuursapparaat.
En hiertoe behoorde eveneens de feodale klasse, de Indonesische regentenklasse.  De laagste klasse werd twee keer uitgezogen, door de Nederlandse autoriteit én door de eigen heersers.

Sinds de onafhankelijkheid houdt dit feodale karakter nog steeds stand en wordt bovendien tegenwoordig zelfs verheerlijkt.

De Soos

Zoals in Holland het societeits-, café- en kroegleven een vaste plaats had binnen de samenleving, zo was de ‘Soos’ in zowel de grote steden als in de talrijke kota’s in de binnenlanden de enige ontmoetingsplaats voor Europeanen in de tropen.

Het instituut ‘De Soos’ was onverbrekelijk verbonden met menselijk gedrag. De Soos gaf gelegenheid om met elkaar te doen wat diepgeworteld in een ieder aanwezig was, namelijk de drang naar lijfelijke en mentale aanraking met gelijkgestemden van gelijk broedsel met gelijke instincten.
Iedere kota in Indië had zo’n Soos waar mensen uit de omgeving eens in de zoveel tijd bij elkaar kwamen om zich lekker te ontspannen en de druk van het dagelijkse leven even van zich af te wentelen.
Of ze nu de naam Harmonie, Concordia of Huize Rameh droegen, de Soos was er om te ‘mampirren’ en om te ‘koempoelen’, om bij elkaar kruipen
De mannen groepten aan de kletstafels op wipstoelen bij elkaar om te drinken of te zuipen, om te snoeven over sportprestaties bij voetbal of tennis, om des Lands politiek te hekelen of geheel onderuit te halen, om glazig naar de vrouwtjes te koekeloeren, want op Zaterdagavond dan kwamen de mooie meisjes uit de bergen naar de kota, om . . . ach, om zovele zaken .
De vrouwen kwamen er vooral om te zien of gezien te worden, om te flirten of elkaars kleren te beroddelen, om geheimen uit keuken, kinderkamer of slaapkamer uit te wisselen, om de laatste mode of de nieuwste snufjes uit de leestrommel te bekritiseren, om . . .
Ach, het gebeurde maar eens in de week, op zaterdag.

Louis Couperus (auteur)

Louis Couperus (1863-1923) bracht een groot deel van zijn jeugdjaren in Indië door. De Haagse auteur schreef in 1900 de roman “De Stille Kracht” en zorgde hiermee voor een nieuw hoogtepunt in de Indische literatuur.

In zijn roman “De stille kracht” betrekt Couperus de inheemse bevolking wat meer in het verhaal. Dit omdat omstreeks die tijd in Nederland een ethische koers werd benadrukt. Meer aandacht en zorg voor de “Inlander” was het parool. Het streven was gericht op een ‘associatiepolitiek’, waarbij blank en bruin samen zouden gaan, met als uiteindelijk doel een onafhankelijk Indië. In de literatuur werden deze ideeën omstreeks de eeuwwisseling door een groep van schrijvers duidelijk zichtbaar gemaakt.
In De stille kracht beschreef Couperus de Javaanse adel uitvoerig en vol respect.
In het boek gaat Couperus uitvoerig in op de mysteries van het Oosten, de stille kracht of goena-goena, iets dat voor de westerling volkomen onbegrijpelijk was maar tegelijk zo intrigerend.
Als de residentfamilie, Van Oudijck, wordt geconfronteerd met de geheimzinnige kracht, legt de starre resident uiteindelijk het lootje. Berooid en gedesillusioneerd maar vooral vol onbegrip voor het gebeuren blijft hij achter in de desa.
Het boek bekritiseert ook de rol van Nederland in Indië.
Met name het besturen vanuit Nederland met slechts één doel: het uitzuigen van land en volk.
“Ja, en dan zullen eens de Indonesiers dreigend opstaan tegen de druk en minachting van de blanke overheerser”.