De eerste dagbladpers in Indië


Het was Jan Pieterz. Coen die in 1615 gelastte
dat er een blad in Indië moest verschijnen naar
het vaderlandse voorbeeld van de “Courante
nouvelles’, een met de hand geschreven blad
met nieuwstijdingen.

In 1644 draagt dit met de hand geschreven nieuwsblad
de naam “Memorie der Nouvelles”.
Het prototype van het gedrukte nieuwsblad, tevens het
oudste drukwerk van Indië, werd in 1688 op last van de
regering te Batavia uitgegeven.
Het duurde meer dan een halve eeuw voordat er een
echte krant uitkwam. Op 7 augustus 1744 verscheen de
“Bataviasche nouvelles”. Het orgaan had als eerste
octrooi verkregen en vendu-advertenties vormden de
voornaamste bron van inkomsten.
In 1746 verboden de Heeren Zeventien deze krant
wegens vermeende bedreiging voor haar handels-
monopolie.
Als opvolger verscheen pas in 1776 het “Vendunieuws’
dat een licentie van het gouvernement verkreeg.
In 1809 kocht de regering de Stadsdrukkerij op en had
daardoor de berichtgeving weer in eigen hand.
Voortvarend werden in het krantje alle artikelen van het
Reglement op de Landsdrukkerij breedvoerig
uiteengezet, zodanig, dat het arme krantje terstond
onder die zware kost bezweek.
In hetzelfde jaar richtte Daendels de “Bataviasche
Koloniale Courant” op. Onder het Engelse bewind van
Raffles heette het de “Java Governement
Gazette”.
Met de terugkeer van het Nederlandse bewind verdween
de “Java Governement Gazette” weer.

Advertenties

Reizen op VOC-schepen

Vanaf haar oprichting in 1602 tot aan haar
opheffing in 1799 handhaafde de Verenigde
Oostindische Compagnie de regel dat er aan
boord van VOC-schepen geen plaats was voor
buitenstaanders.

Bijna twee eeuwen lang en zonder ooit van de door haar
gestelde regels af te wijken werd alleen eigen personeel
met de schepen van de VOC vervoerd.
Degenen die de overtocht met een Oost-Indië-vaarder
maakten waren daarom in dienst van de Compagnie.
En dat waren onder meer hoge VOC-ambtenaren met
hun families en bedienden, kooplieden, chirurgijns,
predikanten, enzovoorts.
Verder het gewone volk bestaande uit ambachtslieden,
soldaten en matrozen.
De 17de en 18de eeuwse VOC-driemasters waren vnl.
handels-, oorlogs- en troepenschepen die de reis naar
Indië volbrachten in circa 8 maanden.
De schippers kregen telkens nauwkeurige zeilorders mee
van de Heren XVII.
Het zogenaamde “Wagenspoor” gaf specifiek de route
aan die moest worden gevolgd in verband met de
verschillende heersende windrichtingen.
Afwijking van de voorgeschreven koers betekende
onvermijdelijk dat men terecht kon komen in gebieden
met windstilte of dat men te maken kreeg met zware
tegenwinden.
Beide gebeurtenissen zouden langdurig oponthoud
betekenen als gevolg waarvan voorraden opraakten en
ondervoeding en ziekte van bemanningsleden kon
plaatsvinden.

Ontstaan van het Hof van Soerakarta


De Chinezenmoord in Batavia in 1740 had als
gevolg dat de overgebleven Chinese rebellen hun
woede tot uitdrukking brachten in de verovering
van een aantal steden langs de Noordkust van
Java.

Pakoe Boewono II, vorst van Kartasoera, zag heil in de
successen van de Chinese rebellen en schaarde zich
achter hen.
Op deze manier probeerde hij zich te ontworstelen aan
het juk van de VOC.
Het Javaans-Chinese rebellenleger veroverde nog enkele
andere steden, maar bij Semarang mislukte de
belegering.
Pakoe Boewono kreeg zware kritiek over zich heen en
besloot zich weer tot de VOC te wenden onder
spijtbetuiging voor zijn daden.
De rebellen beantwoordden het gedrag van de vorst met
de verwoesting van het paleis in Kartasoera in 1742.
Na hevige strijd werden de rebellen uiteindelijk door de
VOC verslagen en werd Pakoe Boewono II in ere hersteld
als koning over Mataram.
In het contract tussen de nieuwe vorst en de VOC kwam
te staan dat vrijwel het hele rijk Mataram onder
Nederlands gezag was geplaatst
Vanwege de zware beschadigingen die de rebellen aan
het paleis in Kartasoera hadden aangericht, verhuisde de
koning noodgedwongen naar Soerakarta en vestigde hier
het hof van Soerakarta ofwel
de Keraton Soerakarta Hadininggrat.

Chinezenmoord

Rond Batavia ontstond aan het einde van de 17de eeuw een bloeiende suikerindustrie. Verbouw en verwerking waren voornamelijk in handen van Chinezen. Duizenden Chinese immigranten hadden een werkkring in de suikerplantages gevonden.

Begin 1700 werkten er ongeveer 84 suikermolens in de Bataviase Ommelanden.
De suikerexport was voor de VOC een belangrijk onderdeel van de inter-Aziatische handel geworden. De grootste klant was Perzië.
In 1722 viel de leidende dynastie in Perzië. Tegelijkertijd nam de concurrentie met Bengaalse suiker toe. Voor de VOC kwam de klad erin en spoedig daarna werden suikermolens gesloten.
De crisis in de suiker had verstrekkende gevolgen voor de Chinese bevolkingsgroep die in armoede en ellende terechtkwam. Het gebrek aan voedsel gaf spanningen. In oktober 1740 brak een opstand uit en duizenden Chinezen vielen de stad Batavia aan. De aanval werd afgeslagen, maar binnen de stad was men in paniek geraakt door het altijd aanwezige ‘Chinese gevaar’. In een sfeer van verdachtmakingen en uit vrees voor de omvangrijke Chinese bevolkingsgroep in de stad begonnen burgerij en garnizoenssoldaten een dagenlange afslachting onder de weerloze Chinese mannen, vrouwen en kinderen.
In totaal verloren ongeveer 10.000 Chinese inwoners in deze massale slachtpartij het leven.
Naar later bleek hadden zij met de opstand niets te maken
Deze bizarre terechtstelling is de geschiedenis ingegaan als de Chinezenmoord.

Suiker in de Ommelanden van Batavia

In de loop van de 17de eeuw verminderde voor de stad Batavia het gevaar van aanvallen uit de omliggende vijandige koninkrijken Bantam en Mataram. Voorzichtig opende men de stadspoorten.

De eerste burgers uit Batavia die zich buiten de poorten waagden waren voornamelijk Chinezen en enkele ondernemende Compagniedienaren. Zij lieten stukken van de omliggende bossen omkappen.
De vrijgekomen grond werd aangewend voor verbouw van groenten, rijst en rietsuiker.
Vooral de rietsuiker ontwikkelde zich sterk, de aan- plantingen breidden zich meer en meer uit. De eerste molens (fabrieken) begonnen het suikerriet ter plaatse te verwerken.
Tegen het midden van 17de eeuw waren 20 suikermolens in bedrijf. De VOC begreep de voordelen die er voor haar lagen in het suikerbedrijf. De eigenaars van de molens, waaronder vele Chinezen, werden verplicht hun product tegen tevoren bepaalde prijzen aan de Compagnie te verkopen, met uitsluiting van levering aan derden. Even later was de VOC verwikkeld in ernstige conflicten met de koninkrijken Bantam en Mataram. De oorlog met beide staten veroorzaakte een flinke stagnatie in de ‘suikerindustrie’ door gebrek aan arbeidskrachten.
Pas toen de VOC met Bantam had afgerekend en haar positie in de streek genoegzaam had versterkt, namen de aantallen koeli’s weer snel toe.
In 1696 kon de toenmalige landdrost van Batavia en Ommelanden een totaal van 116 molens registreren.

Dagindeling van passagiers naar de Oost

Op de Oost-Indiëvaarders van de VOC mochten geen passagiers mee. Vrije burgers werden niet geduld, slechts dienaren der Compagnie voeren op de schepen mee. Na 1816 kon een ieder die naar Indië wilde per zeilschip de overtocht wagen.

De Nederlandsche Handelsmaatschappij, in zekere zin de opvolgster van de VOC, bouwde vele schepen voor de Indiëvaart.
Omstreeks 1840 duurde de heenreis om de Kaap meer dan honderd dagen.
De hutten waren hokjes, waar naar de wensen van de passagiers de scheepstimmerman nog enige aanpassingen kon aanbrengen, bv. een klaptafeltje of boekenplankje. Van baden kwam zelden iets of het moest zijn dat uit een tropische stortbui het water werd opgevangen in een pierebad van geteerd zeildoek. De dames trachtten hun handen schoon te houden met schijfjes citroen. Een citroen ging lang mee maar ander fruit, vers vlees, verse groenten en wit brood waren na twee weken op.
Voor de kajuitpassagiers restte dan nog de scheepskost van de kok, d.w.z. maandag en donderdag grauwe erwten met zout vlees, dinsdag witte bonen met spek, woensdag zuurkool met aardappelen en spek, vrijdag snert, zaterdag stokvis met aardappelen en zondag soep van vers vlees, want dan werd er een varken geslacht. Men stond vroeg op en dronk een kop koffie en een glas gortwater, om 12 uur een kop chocolade. De maaltijd gebruikte men van drie tot half vijf.
Na tafel verpoosde men zich aan dek en na de thee ging men om negen uur naar beneden om tot bedtijd zich bezig te houden met een bezadigde patience.

Batavia, een Chinese stad

In het economische leven van de stad Batavia speelden Chinezen een uiterst belangrijke rol. Zij werden o.m. ingezet bij de constructie van de stad en bij de belastinginning. Zij vormden een groot deel van de nijverheid en de middenstand bestond uit Chinezen.

Vanaf de stichting van Batavia in 1619 waren er al Chinezen in de stad. Voor de VOC was de handel met China van groot belang.
Deze zogenaamde jonkenhandel bracht uit China producten als thee, porselein en zijde. Verder was er een grote vraag naar Chinese arbeidskrachten, ze waren ijverig en vreedzaam. Al met al werd in korte tijd de Chinese bevolkingsgroep de grootste etnische groepering binnen de stad. Jan Pietersz. Coen benoemde een Chinese vertrouweling tot de rang van Kapitein-Chinees.
Deze functionaris vormde met een aantal luitenants het bestuur van de Chinese bevolking in de stad. Dit bestuur behartigde de Chinese groepsbelangen bij het Nederlandse bestuur.
Elke Chinese inwoner betaalde een persoonlijke belasting, dit ‘hoofdgeld’ moest maandelijks worden voldaan. De belasting werd door Chinezen geïnd.
De Chinezen in Batavia vormden een op zichzelf staande groep, zij vermengden zich niet met de lokale bevolking. Via de bestaande rechtstreekse scheepvaartverbin- dingen met China hielden ze voortdurend contact met hun familie in China. Zij spraken hun eigen taal en hielden hun gewoonten in ere. De meeste Chinezen beschouwden hun verblijf in Batavia als tijdelijk.