De eerste dagbladpers in Indië


Het was Jan Pieterz. Coen die in 1615 gelastte
dat er een blad in Indië moest verschijnen naar
het vaderlandse voorbeeld van de “Courante
nouvelles’, een met de hand geschreven blad
met nieuwstijdingen.

In 1644 draagt dit met de hand geschreven nieuwsblad
de naam “Memorie der Nouvelles”.
Het prototype van het gedrukte nieuwsblad, tevens het
oudste drukwerk van Indië, werd in 1688 op last van de
regering te Batavia uitgegeven.
Het duurde meer dan een halve eeuw voordat er een
echte krant uitkwam. Op 7 augustus 1744 verscheen de
“Bataviasche nouvelles”. Het orgaan had als eerste
octrooi verkregen en vendu-advertenties vormden de
voornaamste bron van inkomsten.
In 1746 verboden de Heeren Zeventien deze krant
wegens vermeende bedreiging voor haar handels-
monopolie.
Als opvolger verscheen pas in 1776 het “Vendunieuws’
dat een licentie van het gouvernement verkreeg.
In 1809 kocht de regering de Stadsdrukkerij op en had
daardoor de berichtgeving weer in eigen hand.
Voortvarend werden in het krantje alle artikelen van het
Reglement op de Landsdrukkerij breedvoerig
uiteengezet, zodanig, dat het arme krantje terstond
onder die zware kost bezweek.
In hetzelfde jaar richtte Daendels de “Bataviasche
Koloniale Courant” op. Onder het Engelse bewind van
Raffles heette het de “Java Governement
Gazette”.
Met de terugkeer van het Nederlandse bewind verdween
de “Java Governement Gazette” weer.

Reizen op VOC-schepen

Vanaf haar oprichting in 1602 tot aan haar
opheffing in 1799 handhaafde de Verenigde
Oostindische Compagnie de regel dat er aan
boord van VOC-schepen geen plaats was voor
buitenstaanders.

Bijna twee eeuwen lang en zonder ooit van de door haar
gestelde regels af te wijken werd alleen eigen personeel
met de schepen van de VOC vervoerd.
Degenen die de overtocht met een Oost-Indië-vaarder
maakten waren daarom in dienst van de Compagnie.
En dat waren onder meer hoge VOC-ambtenaren met
hun families en bedienden, kooplieden, chirurgijns,
predikanten, enzovoorts.
Verder het gewone volk bestaande uit ambachtslieden,
soldaten en matrozen.
De 17de en 18de eeuwse VOC-driemasters waren vnl.
handels-, oorlogs- en troepenschepen die de reis naar
Indië volbrachten in circa 8 maanden.
De schippers kregen telkens nauwkeurige zeilorders mee
van de Heren XVII.
Het zogenaamde “Wagenspoor” gaf specifiek de route
aan die moest worden gevolgd in verband met de
verschillende heersende windrichtingen.
Afwijking van de voorgeschreven koers betekende
onvermijdelijk dat men terecht kon komen in gebieden
met windstilte of dat men te maken kreeg met zware
tegenwinden.
Beide gebeurtenissen zouden langdurig oponthoud
betekenen als gevolg waarvan voorraden opraakten en
ondervoeding en ziekte van bemanningsleden kon
plaatsvinden.

Ontstaan van het Hof van Soerakarta


De Chinezenmoord in Batavia in 1740 had als
gevolg dat de overgebleven Chinese rebellen hun
woede tot uitdrukking brachten in de verovering
van een aantal steden langs de Noordkust van
Java.

Pakoe Boewono II, vorst van Kartasoera, zag heil in de
successen van de Chinese rebellen en schaarde zich
achter hen.
Op deze manier probeerde hij zich te ontworstelen aan
het juk van de VOC.
Het Javaans-Chinese rebellenleger veroverde nog enkele
andere steden, maar bij Semarang mislukte de
belegering.
Pakoe Boewono kreeg zware kritiek over zich heen en
besloot zich weer tot de VOC te wenden onder
spijtbetuiging voor zijn daden.
De rebellen beantwoordden het gedrag van de vorst met
de verwoesting van het paleis in Kartasoera in 1742.
Na hevige strijd werden de rebellen uiteindelijk door de
VOC verslagen en werd Pakoe Boewono II in ere hersteld
als koning over Mataram.
In het contract tussen de nieuwe vorst en de VOC kwam
te staan dat vrijwel het hele rijk Mataram onder
Nederlands gezag was geplaatst
Vanwege de zware beschadigingen die de rebellen aan
het paleis in Kartasoera hadden aangericht, verhuisde de
koning noodgedwongen naar Soerakarta en vestigde hier
het hof van Soerakarta ofwel
de Keraton Soerakarta Hadininggrat.

Chinezenmoord

Rond Batavia ontstond aan het einde van de 17de eeuw een bloeiende suikerindustrie. Verbouw en verwerking waren voornamelijk in handen van Chinezen. Duizenden Chinese immigranten hadden een werkkring in de suikerplantages gevonden.

Begin 1700 werkten er ongeveer 84 suikermolens in de Bataviase Ommelanden.
De suikerexport was voor de VOC een belangrijk onderdeel van de inter-Aziatische handel geworden. De grootste klant was Perzië.
In 1722 viel de leidende dynastie in Perzië. Tegelijkertijd nam de concurrentie met Bengaalse suiker toe. Voor de VOC kwam de klad erin en spoedig daarna werden suikermolens gesloten.
De crisis in de suiker had verstrekkende gevolgen voor de Chinese bevolkingsgroep die in armoede en ellende terechtkwam. Het gebrek aan voedsel gaf spanningen. In oktober 1740 brak een opstand uit en duizenden Chinezen vielen de stad Batavia aan. De aanval werd afgeslagen, maar binnen de stad was men in paniek geraakt door het altijd aanwezige ‘Chinese gevaar’. In een sfeer van verdachtmakingen en uit vrees voor de omvangrijke Chinese bevolkingsgroep in de stad begonnen burgerij en garnizoenssoldaten een dagenlange afslachting onder de weerloze Chinese mannen, vrouwen en kinderen.
In totaal verloren ongeveer 10.000 Chinese inwoners in deze massale slachtpartij het leven.
Naar later bleek hadden zij met de opstand niets te maken
Deze bizarre terechtstelling is de geschiedenis ingegaan als de Chinezenmoord.

Suiker in de Ommelanden van Batavia

In de loop van de 17de eeuw verminderde voor de stad Batavia het gevaar van aanvallen uit de omliggende vijandige koninkrijken Bantam en Mataram. Voorzichtig opende men de stadspoorten.

De eerste burgers uit Batavia die zich buiten de poorten waagden waren voornamelijk Chinezen en enkele ondernemende Compagniedienaren. Zij lieten stukken van de omliggende bossen omkappen.
De vrijgekomen grond werd aangewend voor verbouw van groenten, rijst en rietsuiker.
Vooral de rietsuiker ontwikkelde zich sterk, de aan- plantingen breidden zich meer en meer uit. De eerste molens (fabrieken) begonnen het suikerriet ter plaatse te verwerken.
Tegen het midden van 17de eeuw waren 20 suikermolens in bedrijf. De VOC begreep de voordelen die er voor haar lagen in het suikerbedrijf. De eigenaars van de molens, waaronder vele Chinezen, werden verplicht hun product tegen tevoren bepaalde prijzen aan de Compagnie te verkopen, met uitsluiting van levering aan derden. Even later was de VOC verwikkeld in ernstige conflicten met de koninkrijken Bantam en Mataram. De oorlog met beide staten veroorzaakte een flinke stagnatie in de ‘suikerindustrie’ door gebrek aan arbeidskrachten.
Pas toen de VOC met Bantam had afgerekend en haar positie in de streek genoegzaam had versterkt, namen de aantallen koeli’s weer snel toe.
In 1696 kon de toenmalige landdrost van Batavia en Ommelanden een totaal van 116 molens registreren.

Dagindeling van passagiers naar de Oost

Op de Oost-Indiëvaarders van de VOC mochten geen passagiers mee. Vrije burgers werden niet geduld, slechts dienaren der Compagnie voeren op de schepen mee. Na 1816 kon een ieder die naar Indië wilde per zeilschip de overtocht wagen.

De Nederlandsche Handelsmaatschappij, in zekere zin de opvolgster van de VOC, bouwde vele schepen voor de Indiëvaart.
Omstreeks 1840 duurde de heenreis om de Kaap meer dan honderd dagen.
De hutten waren hokjes, waar naar de wensen van de passagiers de scheepstimmerman nog enige aanpassingen kon aanbrengen, bv. een klaptafeltje of boekenplankje. Van baden kwam zelden iets of het moest zijn dat uit een tropische stortbui het water werd opgevangen in een pierebad van geteerd zeildoek. De dames trachtten hun handen schoon te houden met schijfjes citroen. Een citroen ging lang mee maar ander fruit, vers vlees, verse groenten en wit brood waren na twee weken op.
Voor de kajuitpassagiers restte dan nog de scheepskost van de kok, d.w.z. maandag en donderdag grauwe erwten met zout vlees, dinsdag witte bonen met spek, woensdag zuurkool met aardappelen en spek, vrijdag snert, zaterdag stokvis met aardappelen en zondag soep van vers vlees, want dan werd er een varken geslacht. Men stond vroeg op en dronk een kop koffie en een glas gortwater, om 12 uur een kop chocolade. De maaltijd gebruikte men van drie tot half vijf.
Na tafel verpoosde men zich aan dek en na de thee ging men om negen uur naar beneden om tot bedtijd zich bezig te houden met een bezadigde patience.

Batavia, een Chinese stad

In het economische leven van de stad Batavia speelden Chinezen een uiterst belangrijke rol. Zij werden o.m. ingezet bij de constructie van de stad en bij de belastinginning. Zij vormden een groot deel van de nijverheid en de middenstand bestond uit Chinezen.

Vanaf de stichting van Batavia in 1619 waren er al Chinezen in de stad. Voor de VOC was de handel met China van groot belang.
Deze zogenaamde jonkenhandel bracht uit China producten als thee, porselein en zijde. Verder was er een grote vraag naar Chinese arbeidskrachten, ze waren ijverig en vreedzaam. Al met al werd in korte tijd de Chinese bevolkingsgroep de grootste etnische groepering binnen de stad. Jan Pietersz. Coen benoemde een Chinese vertrouweling tot de rang van Kapitein-Chinees.
Deze functionaris vormde met een aantal luitenants het bestuur van de Chinese bevolking in de stad. Dit bestuur behartigde de Chinese groepsbelangen bij het Nederlandse bestuur.
Elke Chinese inwoner betaalde een persoonlijke belasting, dit ‘hoofdgeld’ moest maandelijks worden voldaan. De belasting werd door Chinezen geïnd.
De Chinezen in Batavia vormden een op zichzelf staande groep, zij vermengden zich niet met de lokale bevolking. Via de bestaande rechtstreekse scheepvaartverbin- dingen met China hielden ze voortdurend contact met hun familie in China. Zij spraken hun eigen taal en hielden hun gewoonten in ere. De meeste Chinezen beschouwden hun verblijf in Batavia als tijdelijk.

Opium

Opium is het gestolde melksap afkomstig van de papaverplant. De harsachtige substantie bevat o.a. het meest werkzame bestanddeel, morfine.

Door inkerving van de onrijpe zaaddozen van de papaverplant komt sap vrij. Het gestolde sap noemt men opium. De kleverige substantie wordt in kleine hoeveelheden gedroogd. In dit stadium heet het ruwe opium. Het ingedroogde sap wordt tot bollen van circa ½ kg geslagen, in bladen gewikkeld en zo in de handel gebracht.
Voordat het product geconsumeerd kan worden wordt het in water opgelost, gezuiverd van vezels en andere verontreinigingen en ingedroogd tot een pasta. Deze pasta wordt in kleine hoeveelheden met tabak gerookt. Opium wordt heden ten dage gebruikt als geneesmiddel, vooral vanwege het meest belangrijke bestanddeel morfine. Als genotmiddel heeft opium echter grote bekendheid verkregen. Het opiumschuiven geeft enige tijd een roes van welbehagen aan de gebruiker.
De VOC betrok de opium voornamelijk uit Bengalen. Deze opium was bestemd voor Java waar het een populair genotmiddel was onder de Javanen. Nadat omstreeks 1760 de Engelsen politieke macht kregen over Bengalen werd het voor de VOC moeilijker om de opium te vervoeren.
Door de hoge prijs voor een relatief kleine hoeveelheid werd opium zeer winstgevend als smokkelwaar.

Batavia, Europese bevolkingsopbouw

Pogingen om van Batavia een Europese stad te maken mislukten door te weinig animo vanuit Holland en slechte ervaringen met de overkomst van Hollandse vrouwen en meisjes.

De Compagnie bemoedigde het samenwonen of huwelijk van compagniedienaren met Aziatische vrouwen of mestizo-vrouwen, dat zijn dochters van een Europese vader en een Aziatische moeder. In later stadium werd deze groep nakomelingen aangeduid met de term Indo-europese of Indische vrouwen.
Het lag in de bedoeling van de Compagnie om in ieder geval een blijvende toplaag in de bevolking te vormen die trouw aan de VOC de handel in Azië zou kunnen uitvoeren. Op deze wijze is het de Portugezen in eerder stadium gelukt om het personeelsprobleem in de havensteden in Azië op te lossen.
De nieuw aangekomen Europeanen in de 17de en 18de eeuw waren voornamelijk mannen. Zij konden zich een huwelijkspartner zoeken uit de kleine groep Europese vrouwen, uit de groep Indische vrouwen en uit de Aziatische vrouwen.
Een beperking was dat de huwelijkspartner christelijk moest zijn. De regels van de christelijke Compagnie vereisten voor niet-christelijke vrouwen eerst onderricht in catechismus om daarna gedoopt te worden. Die weg vonden velen te lang.
En groot aantal mannen koos daarom het concubinaat met Aziatische vrouwen, in de praktijk een wijdverbreid verschijnsel.

Boodschappen komen pas 2 jaar later aan.

De handelsverbinding tussen Nederland en de
Oost geschiedde via bepaalde zeeroutes die,
afhankelijk van de heersende windrichting, door
VOC-schepen op bepaalde tijden van het jaar
werden bevaren.

Jaarlijks vertrokken 3 vloten uit Nederland naar Azië:
– de Kermisvloot die in september vertrok en in maart,
april van het jaar daarop in Batavia arriveerde,
– de Kerstmisvloot die in december of januari vertrok
om in juni aan te komen, en

– de Paasvloot die in april uitzeilde en in oktober de rede
van Batavia bereikte.
Aan de hand van de eigen behoefte in Nederland en de
resultaten op de veilingen waar Aziatische producten
werden verkocht, gaven de Heren XVII bestellingen mee
aan de vloten.
Een bestelling deed er ruim twee jaren over alvorens de
aflevering plaatsvond.
Bijvoorbeeld: een bestelling meegegeven met de
Kerstvloot in december 1700 kwam omstreeks de zomer
van 1701 in Batavia aan.
Als alles goed werd afgewikkeld werden de bestelde
goederen meegenomen met één van de twee
retourvloten:
óf die van december om in de zomer van 1702 in
Nederland aan te komen,
óf met de retourvloot van april die ongeveer eind 1702
arriveerde.

Cornelis Matelief de Jonge


De VOC berustte er in dat daar waar in Azië
contracten met de plaatselijk vorsten werden
gesloten, het vrijwel nergens lukte om het
monopolie op de aankoop van producten te
verkrijgen en andere buitenlandse handelaren
uit te sluiten.

Matelief verbleef in Indië van 1605–1608 als admiraal
van de vloot en bestreed daar de Portugezen en
Spanjaarden op velerlei fronten.
In die jaren kreeg hij te maken met de mate waarin
rondtrekkende VOC vloten via scheepsraden telkens op
individuele wijze beslissingen namen ten aanzien van
handelsrelaties en oprichting van steunpunten en
handelsposten.
Hij doorzag de noodzaak van een centraal beleid en een
centrale organisatie met duidelijke prioriteiten.
De blauwdruk die Matelief voor het komende beleid van
de VOC ontwierp hield het volgende in:

– de Compagnie zou zich eerst op de Molukken moeten
concentreren teneinde daar te trachten een monopolie te
verwerven,

– naar het Portugese voorbeeld zou een centrale,
effectieve organisatie moeten worden opgezet onder
leiding van een Gouverneur-Generaal. Deze zou vanuit
een permanent, centraal hoofdkantoor moeten opereren
van waaruit de in Azië verworven producten naar Europa
worden verscheept.
– eveneens naar Portugees voorbeeld zou de VOC een
economisch systeem moeten ontwikkelen gebaseerd op
de inter-Aiatische handel (aan- en verkoop binnen Azië
moet winst genereren en deze gebruiken voor aankoop
van goederen voor Europa).

VOC-afspraken met Aziatische vorsten


De VOC was in Azië niet uit op territoriaal bezit,
noch op het vestigen van een territoriaal
imperium. De VOC was qua organisatie,
structuur en doeleinden primair een
handelsorganisatie.

In de eerste helft van de 17de eeuw werd in Oost
Indonesië de handel in kruidnagelen, nootmuskaat en
foelie met geweld afgedwongen. Later breidde de VOC
haar territoriaal bezit uit, zowel rond Ambon als om
Batavia.
Om hun commerciële belangen zo goed mogelijk te
behartigen knoopte de VOC relaties aan met vorsten
van Indonesische rijken en andere Aziatische staten.
Daarbij kregen zij te maken met verschillende vormen
van Aziatisch feodalisme, maatschappelijke stucturen
die qua karakter sterk afweken met die van Europa.
Langdurig werd bijvoorbeeld gevochten in Midden- en
Oost-Java, waar de VOC betrokken raakte bij de talrijke
opvolgingstwisten in het rijk van Mataram.
Afspraken die de VOC maakte met diverse vorsten
betroffen veelal een politiek-militair bondgenootschap
tegen een gemeenschappelijke vijand. De VOC leverde
militaire steun en bescherming tegen contracten voor
leveranties van producten.
Afspraken met een economische grondslag hielden in dat
in ruil voor bepaalde financiële vergoedingen de vorst
aan de VOC bescherming bood evenals toestemming om
commerciële activiteiten te ondernemen.
Deze contracten werden door de vorsten strikt als
tijdelijk beschouwd en bepaalde ‘monopolies’ waren niet
meer dan in omvang begrensde leveranties tegen
vastgestelde prijzen.

Java-Koffie


Aanvankelijk werd koffie als genotmiddel
populair in de Islamitische wereld. Pas in de 18de
eeuw werd koffie in Europa algemeen aanvaard
en veelal geconsumeerd in een groeiend aantal
koffiehuizen.

Koffie komt oorspronkelijk uit het gebied ten zuiden van
de Rode Zee, met name uit Jemen.
Mokka, de Jemenitische havenstad, ontwikkelde zich
destijds als de grootste koffiemarkt van de wereld.
De VOC had omstreeks 1660 een handelskantoor in
Mokka en was in een felle concurrentieslag verwikkeld
met de Oost-Indische compagnieën uit Engeland en
Frankrijk
De vraag uit Europa bleef gestadig groeien.
Einde 17de eeuw lukte het Nederlandse kooplieden
enkele koffieplantjes uit Jemen mee te nemen.
In de berglanden van West-Java, de Preanger, werd met
succes geëxperimenteerd met de koffieplantjes.
Enkele jaren later was op Java de koffiecultuur een feit,
vele boeren verbouwden de koffie en ontvingen daarvoor
een hoge prijs.
Volgens het gangbare VOC-concept werden de boeren
via hun Inheemse hoofden verplicht alle koffie aan de
VOC te leveren.
De Javakoffie werd in de Republiek der Nederlanden
goed ontvangen en overvleugelde zelfs de Mokkakoffie.
Met de groeiende productie van de Java-koffie werd
omstreeks 1740 de handelspost van de VOC in Mokka
opgeheven.

Het koninkrijk Mataram in drieën verdeeld

Onderlinge twisten tussen familieleden van de Soesoehoenan van Mataram, Pakoe Boewono II, duurden voort. In de verdeel- en heerspolitiek van de VOC werd het koninkrijk Mataram verdeeld onder de ruziënde belanghebbenden.

Het koninkrijk Mataram werd sinds 1742 geleid door de Soesoehoenan van Soerakarta, Pakoe Boewono II. De steun van het Nederlandse gezag was hierbij onontbeerlijk, want ontevreden familieleden van de koning voerden nog altijd oorlog tegen het bewind van de VOC en daarmee tegen Pakoe Boewono II.
Bij het overlijden van Pakoe Boewono II in 1749 wakkerde de oorlog opnieuw op toen de VOC zijn zoon Pakoe Boewono III als de wettige troonopvolger van Mataram erkende. Een oom van de nieuwe vorst, Hamengkoe Boewono, liet zich in Djokjakarta óók tot Soesoehoenan van Mataram uitroepen.
In de verdeel- en heerspolitiek van de VOC paste het om na de dood van Pakoe Boewono II in 1749, Mataram te verdelen onder de ruziënde belanghebbers.
De VOC bewerkstelligde een verdeling van Mataram tussen beide vorsten, waarbij ook neef, Mas Said, aan bod kwam met het door hem beheerde deel van het rijk.

Het koninkrijk Mataram werd in 1755 definitief gesplitst in twee grote hoven, nl.
de Kasoenanan van Soerakarta o.l.v. Pakoe Boewono III en de Kasoeltanan van Djokjakarta o.l.v. Hamengkoe Boewono I.
Een derde, kleiner, Hof van Mangkoenegaran kwam in 1757 tot stand o.l.v. Mas Said, een neef van beide vorsten

Batavia een Europese stad

De stichting van Batavia in 1619 had maar met één ding te maken, de Compagnie wilde voor haar hoofdkwartier in Azië een centrale plaats hebben binnen het netwerk van zeeverbindingen.

Het was toen zeer zeker niet de bedoeling om vanuit Batavia het hele eiland Java te veroveren. Sterker nog, tot ver in de 17de eeuw hadden de compagniedienaren in Batavia geen notie van het omringende achterland. Men had buiten de wallen ook niets te zoeken. De blik was op zee gericht. Alle voedsel werd over zee aangevoerd met eigen schepen uit Europa, met jonken en prauwen uit Mataram op Java en uit India en Thailand.

Naar de ideeën van de roemruchte stichter van de stad, Jan Pieterzoon Coen, moest Batavia een overwegend Europese stad worden. De bevolking zou uit mannen en vrouwen moeten bestaan die voornamelijk uit Holland werden binnengehaald, een volledig Europese kolonie zou het moeten zijn.
Op die manier, zo dacht men, zou er een elite klasse van vrije burgers ontstaan die onder streng toezicht van de VOC de inter-Aziatische handel kon verzorgen. Dit model bleek niet haalbaar, dienstneming bij de VOC was in Nederland niet populair.
Een poging om alleenstaande vrouwen en weesmeisjes te laten overkomen werd een mislukking. Het ‘zedelijk karakter’ van de vrouwen en meisjes bleek niet te kunnen leiden tot een vaste gezinsopbouw.

Aziatische handelslijnen van de VOC


Hoogtepunt in het Bataviase leven waren de
feesten bij de aankomst en het vertrek van de
retourschepen van en naar het moederland.

Het scheepvaartverkeer in Azië werd georganiseerd
vanuit Batavia. De stad was in alle seizoenen goed
bereikbaar en had scheepswerven voor het onderhoud
van de schepen en grote magazijnen voor de opslag van
goederen.
Alle lijnen van het handelsnetwerk in Azië kwamen
samen in Batavia. Van daaruit voeren 50-100 grote en
kleine schepen, die permanent in Azië verbleven, naar
allerlei bestemmingen om tenslotte weer in Batavia terug
te keren. In afwachting van vervoer naar Nederland
werden de aangekochte producten daar opgeslagen.
Een belangrijke handelsstroom was die met India. Hier
werd textiel opgekocht met edelmetaal uit de Republiek
en verscheept naar de Indië. Van de opbrengst van de
textiel werden specerijen gekocht.
Koopvaarders van de Compagnie zeilden met
Indonesische specerijen naar Formosa (Taiwan) om daar
Chinese zijde in te slaan en spoedden zich vervolgens
naar Japan, waar de zijde werd verruild voor zilver.
Daarmee werden in de Indonesische Archipel nieuwe
specerijen gekocht, die vervolgens in Arabië en Perzië
konden worden ingewisseld tegen gommen en harsen,
zijden garens en tapijten. Het ging in deze gevallen om
producten waar zowel in Azië als in Europa vraag naar
was. Sommige producten werden uitsluitend in Azië
verhandeld, zoals onder meer: rijst, arak, sojabonen,
rotan, sandelhout, eetbare vogelnestjes, enz.

Mardijkers


Een grote bevolkingsgroep in de eerste decennia
van Batavia werd gevormd door de Mardijkers.
De naam is afgeleid van het Maleise woord
‘Merdeka’ (= vrijheid).

De eerste groep Mardijkers was afkomstig uit India.
Het waren merendeels soldaten die in de Portugese en
Spaanse oorlogen gevangen zijn genomen en daarna in
aparte compagnieën werden ondergebracht of als slaven
verder werden verhandeld.
Bij de vrijmaking uit de slavenstatus werd de hele groep
aangeduid als Mardijkers (in vrijheid gestelde).
Zij hadden zich allen tot het Christendom bekeerd, eerst
tot het Rooms-katholieke geloof, maar daarna in de 17de
eeuw tot het Protestantisme.
Ze kleedden zich Europees en spraken een creools-
Portugees als voertaal.
Deze groep werd later voortdurend aangevuld met
vrijgelaten slaven van Europese, Euraziatische en
Chinese eigenaren.
Doordat de later vrijgelaten slaven afkomstig waren uit
de Indonesische Archipel, zoals Bandanezen,
Ambonezen, Makassaren, Buginezen, Balinezen, enz.,
kregen de Indonesische cultuurelementen steeds meer
invloed. Toch bleef heel lang het creools-Portugees de
voertaal van deze groep.
In 1670 werd voor hen de Portugese kerk in Batavia
gebouwd. Door hun christelijk geloof kregen zij bepaalde
privileges in de stad, zoals recht op armen-zorg en recht
op scholing.
Zij waren veelal in dienst van de VOC als soldaat, als
werkman of als klerk.

VOC en de eilanden van Banda


Uit brieven blijkt dat de Heren Zeventien het
grootste belang hechtten aan de bezetting van
de Banda-eilanden.

Al spoedig na de oprichting van de V.O.C. volgde er een
lange reeks van veroveringen van Portugese forten en
andere versterkingen in de Oost.
De in verval geraakte fortificaties werden gerenoveerd
en kregen Hollandse namen. Er werd een bezetting
gestationeerd en in de directe omgeving ontstond soms
een Hollandse nederzetting.
Hoe belangrijk de Banda-eilanden werden gevonden
blijkt uit een lastbrief die de bewindvoerders in
Nederland op 26 maart 1608 schreven aan hun hoogste
dienaar in Azië, de admiraal Pieterszoon Verhoeven:

“. . . . . De eylanden van Banda in de Moluques is het
principaele wit, waernaer wij schieten . . . . .Wij kunnen
U.E. niets gewissers ordoneeren, dan alleenlyck op het
hoochste deselve soeckende met tractaet ofte gewelt
aan de Compagnie te verbinden vóór den 1sten
September ofte eerder, oock op elck landt een cleen
fortres opwerpe, met eenich crijghsvolk besettende . .. .”

Ze moesten ze hebben, want in een andere ambtsbrief
van 11 april 1608 werd Verhoeven er nogmaals aan
herinnerd om
“de Moluques en de eylanden van Banda boven àlle te
bezetten om zodoende de specerijeneilanden in handen
te krijgen”.

Hongi-tochten


De hongi is de Molukse vloot van oorlogsprauwen
(kora-kora’s), waarvan de 30-koppige
bemanning van elk der boten zwaar bewapend
was.
Hongi-tochten tussen Indonesiërs onderling
kwamen nog tot 1930 voor.

In de tijd dat de VOC een ijzeren greep op de Molukse
eilanden hield, werden door de gouverneurs van de
Molukken ‘hongi-tochten’ ondernomen om gemakkelijker
toezicht op de aanplant van nootmuskaat- en
kruidnagelbomen te kunnen houden en daardoor ook de
aanvoer in de gaten te houden.
Veelal plantte de inheemse bevolking de vruchtbomen
clandestien op verstolen plaatsen, waardoor smokkel van
de vruchten soms ernstige vormen kon aannemen.
Daar waar op de eilanden vruchtbomen buiten de
geregistreerde plantages werden aangetroffen, ging men
over tot grondige vernieling van de aanplant.
Overvloedige aanplant van de specerijen kon de VOC
ernstig benadelen en uitroeiing van de clandestien
geplante vruchtbomen was noodzakelijk om de prijs op
de Europese markt op peil te houden.
Hongi-tochten werden ook ondernomen om geschillen
tussen verschillende bevolkingsgroepen op te lossen en
de inwoners (Alfoeren en Makassaren), die zich aan
smokkel hadden schuldig gemaakt, te tuchtigen.
De hongi-tocht met het doel aanplant te vernietigen
werd in 1824 afgeschaft.

De hongi-tocht is vernoemd naar de platte oorlogs-
prauwen die in de Molukken uit die tijd een geducht
gevaar opleverden voor de veel hogere en tragere
zeilschepen van de Hollandse vloot.

Stadsontwikkeling van Batavia

Batavia groeide in de 17de en 18de eeuw uit tot één van de mooiste steden in Azië en verkreeg zelfs de naam ‘Koningin van het Oosten’.

Gesticht in 1619 door Jan Pieterzoon Coen werd eerst aandacht geschonken aan de bouw van het alles dominerende Kasteel van Batavia.
De latere stadsopbouw vond, evenals de bouw van het fort, plaats volgens de richtlijnen van de mathematische principes van de vestingbouwer Simon Stevin, wat betekende dat volgens een schaakbordpatroon rechthoekige huizenblokken aan rechte straten en grachten lagen. Met het oog op de brandveiligheid werd een voorschrift uitgevaardigd om in baksteen te bouwen.
Bouwmaterialen als baksteen, dakpannen, stenen en marmeren vloertegels en vensterglas werden ten dele vanuit de Molukken aangevoerd en voor de rest vanuit Nederland naar Indië verscheept als ballast voor de schepen die vrijwel leeg naar Azië uitvoeren. Langs de brede straten en grachten werden statige huizen gebouwd in Hollandse stijl.
Merendeels waren het getrouwe kopieën van de huizen in het vaderland en qua bewoning niet geschikt voor de hitte in de tropen.
De aanleg van de grachten was typisch Nederlands. Met de aarde uit de grachten werden de wallen om de stad opgehoogd.
In de regentijd vervulden de grachten een nuttige functie bij de afvoer van het hevig neervallende regenwater.

Perkeniers van Banda


Na de afslachting van een belangrijk deel van de
bevolking van Banda onder leiding van J.P.Coen
werden 68 ‘Tuinen’ of ‘Perken’ ingesteld om de
nootmuskaatproductie nieuw leven in te blazen.

Over het algemeen waren de eerste Hollandse Perkeniers
vrijgevochten typen die het niet zo nauw namen met
Christelijke normen en zeden.
Veel lokale vrouwen, vaak (voormalige) slavinnen,
baarden buitenechtelijke kinderen van perkeniers en
mede daardoor ontstond een mengelmoes van diverse
bevolkingsgroepen.

Ook zagen zij al snel in hun werkgever (VOC) een vijand
die te weinig betaalde voor de nootmuskaat en hun
tevens het recht onthield om eigenaar te worden van
hun eigen perk.
Er ontstond een levendige smokkel in nootmuskaat.
Pas in 1864, de VOC was in 1799 failliet gegaan en de
hoge handelswaarde was min of meer verleden tijd,
mochten de perkeniers de plantages kopen en hun
producten op de vrije markt aanbieden.
Ze verdienden niet zo veel meer, maar kregen van
Chinese en Arabische geldschieters voldoende krediet
om een weldadig leven te leiden en uit Nederland de
meest uiteenlopende luxegoederen te bestellen.

Omstreeks 1900 begonnen de perkeniers Banda te
verlaten. Degenen die achterbleven konden wel
overleven, maar de tijden van pracht en praal waren
voorgoed voorbij.

Jacob van Neck

Ondanks de verliesleidende eerste expeditie van Cornelis de Houtman, was de belangstelling van de Hollanders voor een schipvaart naar Azië groot.

Tussen 1589 en 1601 was de belangstelling voor een ‘schipvaart’ naar Azië zeer groot.  Door acht verschillende compagnieën in Holland werden 14 vloten naar Azië uitgezonden. Sommige van deze vloten probeerden met wisselend succes alternatieve routes te vinden, anderen volgden het spoor van Cornelis de Houtman.
Admiraal Jacob van Neck boekte met zijn expeditie een groot succes. In 1598 bereikte zijn expeditie Bantam in het westelijke gebied van het eiland Java.

Rond dat tijdstip had Bantam zich tot een internationaal knooppunt in het Aziatische handelssysteem ontwikkeld. Tevens was Bantam een belangrijk leverancier van peper.
Een deel van het eskader van Van Neck onder leiding van Wijbrand van Warwijck en Jacob van Heemskerk voer in 1599 door naar Ambon, Banda en Ternate, een gebied dat de Hollanders toen nog niet kenden.
Daar groeiden de fel begeerde specerijen, de kruidnagelen, de foelie en de nootmuskaat, die in de keukens van de welgestelde bourgeoisie in Europa zo gewild waren en tegen zeer hoge prijzen werden verhandeld.

Met een rijke retourlading keerde de expeditie van Van Neck terug naar Holland. Deze gebeurtenis werd bij aankomst op uitbundige wijze gevierd.

Na de slachting op Banda

Na de Banda-eilanden van hun bevolking te hebben “gezuiverd", liet Jan Pieterszoon Coen spoedig de specerijhandel herleven.

Het productieve land, met ongeveer een half miljoen nootmuskaatbomen, werd verdeeld in 68 'Perken', percelen van elk 1,2 hectare, waarvoor Nederlandse planters, zogenaamde "Perkeniers", een vergunning konden krijgen.
Het waren voornamelijk Nederlandse vrijburgers, militairen of handelaren, die hun contract met de VOC hadden uitgediend en besloten hadden in Indië te blijven.
Zij verplichtten zich tot de zorg van de nootmuskaatbomen en het oogsten van de noten. Maar bovenal moesten de noten tegen een vastgestelde prijs aan de VOC worden geleverd.  In ruil daarvoor werden zij door de VOC voorzien van slaven, afkomstig uit verschillende delen van Indië. Er waren immers geen ‘Bandanezen’ meer om de plantages te bewerken.

Om zeker te zijn van een winstmarge van 300%, betaalde de VOC de perkeniers 1/.222 ste deel van de gangbare nootmuskaatprijs in Nederland. Toch boerden ook de planters goed.
De kooplieden, die de kosten hadden gedragen van de Banda-oorlog, begonnen woekerwinsten op te strijken. Banda was, zo meldde een verslag de "helderste ster aan het firmament van de VOC"

De bloedige verovering van Banda

1621 was het jaar dat Jan Pieterszoon Coen vanuit Batavia naar Banda voer met een vloot van 13 grote en 30 kleinere schepen, bevolkt met 1600 Europese soldaten, een aantal huurlingen uit Ambon, Javaanse gevangenen en zo'n 90 Japanse huurlingen.

Na felle gevechten werd Lonthor, het grootste eiland van de Banda-groep, veroverd. Het verzet leefde voort en een geladen sfeer nam bezit van de eilanden. Coen trad pas op toen een samenzwering werd ontdekt en een opstand dreigde. Wat volgde was een bloedbad.
Op alle Banda eilanden werden strafexpedities uitgevoerd en welhaast de hele lokale bevolking werd gedood, naar schatting 10.000 Bandanezen werden op brute wijze vermoord.
Enkele tientallen 'Orang Kaya' (dorpshoofden) werden later veroordeeld wegens samenzwering. Japanse huurlingen gewapend met samoerai-zwaarden onthoofden de veroordeelden, van wie de lichamen werden gevierendeeld.
De hoofden en andere lichaamsdelen van degenen die waren vermoord werden op bamboes gespietst en te kijk gezet.
Circa duizend dorpelingen overleefden het bloedbad van 8 mei 1621, zij werden op transport gezet naar Batavia, waar zij als slaven werden verkocht.

Tot zover was fase 1 van het 'masterplan' van J.P.Coen ten uitvoer gebracht, de eilanden van Banda waren ontvolkt. De notenmuskaat was nu VOC-bezit.
Fase 2 omvatte de exploitatie van de nootmuskaat. Het was tijd om nieuwe arbeidskrachten te werven.

Hollanders als vrachtvaarders

Op initiatief van Prins Maurits en de raadspensionaris Van Oldenbarnevelt werd in 1602 de Verenigde Oostindische Compagnie opgericht.

Oorspronkelijk waren de Hollanders alleen de vrachtvaarders in Europa. Ze vervoerden de handelswaar, die de Portugezen uit de Oost gehaald hadden, vanuit Lissabon verder naar andere Europese havens.
Daar kwam een einde aan toen in 1580 Philips II Spanje en Portugal onder één kroon verenigde. Hij sloot alle havens voor Hollandse handelsschepen.

Dan besluiten de Hollanders zelf de zeeweg te zoeken naar Oost-Indië, die de Portugezen al honderd jaar tevoren hadden gevonden.
De te volgen weg was bekend doordat twee manschappen: Jan Huijgen van Linschoten uit Haarlem en Dirck Gerritse Pomp uit Enkhuizen ervaring hadden opgedaan tijdens hun vaartochten in Portugese dienst. Via de Kaap bereikten zij de Oost.  Hier ontmoetten zij behalve een vijandige bevolking ook nog hun erfvijanden, de Spanjaarden en Portugezen, en vooral de Engelsen, die al van oudsher afgunstig waren op de bloeiende handel van de Hollanders.

Aanvankelijk begonnen verschillende Hollandse vloten elkaar in de Oost flink te beconcurreren maar hier kwam een eind aan doordat de V.O.C. vanaf 1602 alle handel in Oost-Indië, waar Hollanders bij betrokken waren, beheerste.

Kasteel van Batavia

Engelsen, Bantammers en Jacatranen hadden zo hun eigen belangen bij de belegering van het kleine handelsstadje Jacatra, waar de VOC een vestiging voor opslag van VOC-goederen had.

Gebruikmakend van de onderlinge verdeeldheid bij de grote belegeringsmacht van Jacatra versloeg de toenmalige Gouverneur-Generaal van Oost-Indië, Jan Pieterz. Coen zijn lastige vijanden. Op de puinhopen van Jacatra stichtte hij de nieuwe stad Batavia.  Aan de monding van de Tjiliwoeng rivier verrees op de linkeroever het Kasteel van Batavia.
Het fort werd gebouwd volgens het zogenaamde veelhoekige fortificatie-systeem, de wallen werden aangelegd langs de zijden van een vierhoek en op de hoeken werden de wallen onderbroken door vijfhoekige bastions.
Vanaf deze bastions had men een perfect zicht op de wallen. De verdedigende artillerie had daardoor een zo groot mogelijk schootsveld.
Het ontwerp van het Kasteel werd uitgevoerd volgens de nieuwste richtlijnen van Simon Stevin, mathematicus en vestingbouwkundige. Zijn ideeën nam hij over van Italiaanse architecten, die zich sinds de Italiaanse renaissance bezig hielden met het ontwerpen van een “cità ideale”.
Binnen de wallen van het Kasteel bevonden zich de grote pakhuizen met VOC-goederen en de gebouwen die voor bestuurlijke doeleinden werden gebruikt, evenals de woonvertrekken van de hogere ambtenaren. Tevens was het garnizoen er gelegerd.

Godsdienstonderricht door de VOC

Gedwongen door omstandigheden verplichtte de
VOC zich om geld uit te geven voor scholing van
de intussen tot 16.000 aangegroeide katholieke
Molukkers. Nergens anders in de archipel liet de
VOC een dergelijke situatie toe.

Van meet af aan voerde de VOC een beleid dat gericht
was op selectieve spreiding van zendingactiviteiten in de
gehele archipel.
Eigenlijk kwam het er op neer dat tijdens de hele VOCperiode
de zending geen kans kreeg zich ergens in de
archipel te vestigen.
Uitzondering op deze regel vormden gebieden waar
Portugese concurrentie diende te worden bestreden.
Daar werden de rooms-katholieke priesters en
missionarissen verdreven en kregen protestantse
zendelingen de vrije hand. Dit deed zich onder andere
voor in de Molukken.
Rond 1605 sloot de VOC een contract met de islamitische
hoofden van Ambon en omliggende eilanden dat
leidde tot het twee eeuwen durende alleenrecht op
inkoop van Molukse specerijen.
Tegelijkertijd werden de ruim 16.000 katholieke
Molukkers geconfronteerd met de verdrijving van de
Portugese kerkleiding.
Bovendien werd hun de nieuwe God der Hollandse
protestanten opgedrongen. Zij eisten dat de VOC hen in
de nieuwe leer zou onderwijzen.

Zo verplichtte de VOC zich op Ambon, anders dan elders
in de archipel, tot protestants godsdienstonderricht aan
de rooms-katholieke minderheid van Ambonezen.

Banda-eilanden vóór de Europeanen


Weinig is er bekend van de oorspronkelijke
inwoners van de Banda-eilanden vóór de komst
van de Europeanen.

Wel is bekend dat ze leefden in kleine dorpjes langs de
kust en dat ze de Islam aanhingen. De dorpen werden geleid door ‘Orang Kaya’, traditio-
nele dorpshoofden. De dorpelingen leefden van de
opbrengst van nootmuskaat en de foelie, het dunne,
rode vliesje direct om de noot.
De specerijen werden verkocht aan Chinese en Arabische
handelaren die op hun beurt de handel doorverkochten
in Azië en Europa, waarbij telkens de waarde met 100%
toenam bij overgang naar elke nieuwe eigenaar.
Deze kleine eilanden waren de enige leveranciers van
nootmuskaat en foelie in de wereld en als gevolg hiervan
werden ze het doelwit van belangrijke handelsnaties als
Portugezen, Engelsen en Hollanders.
De Portugezen waren de eersten die in 1512 ten tonele
verschenen.
Zij gingen een alliantie met de Sultans van Ternate en
Tidore aan, van welke eilanden de kruidnagel afkomstig
was, en verkregen daarmee vaste voet in de Molukse
specerijhandel waartoe ook de nootmuskaat uit Banda
behoorde.

Bijna 90 jaren dreven de Portugezen in alle rust handel
in de Molukken tot in 1599 vice-admiraal Jacob van
Heemskerk met de Gelria en Zeelandia de Bandaeilanden
aandeed en op het grootste eiland Lonthor een
handelspost inrichtte.

Belang van specerijenvervoer voor VOC


“De eylanden van Banda en de Moluques is het
principale wit waer naer wij schieten”, schreven
de Bewindvoerders van de VOC in 1608 aan Jan
Pieterz Coen, Gouverneur-Generaal in Batavia.

B

Om de kruidnagel en de nootmuskaat zouden vele
oorlogen worden gevoerd en zou veel bloed vloeien.
De winsten op de fijne specerijen waren in relatie tot de
omvang van de te vervoeren hoeveelheden ongehoord
groot en het productiegebied zo beperkt dat de
verleiding groot was om de exclusieve rechten op de
koop in handen te krijgen en andere handelaren uit te
sluiten.

De fijne specerijen en de kaneel maakten op het totale
volume aan goederen dat de VOC in de 17de eeuw naar
Europa transporteerde gemiddeld 15 procent van de
inkoopwaarde uit.
Echter, op de veilingen in Nederland bedroeg de
opbrengst van de specerijen in de 17de tot halverwege de
18de eeuw gemiddeld 26 procent van de totale
verkoopwaarde van alle vervoerde goederen.

Het was echter peper dat als belangrijkste specerij werd
verhandeld.
Peper leverde in waarde tot het midden van de 17de
eeuw maar liefst de helft op van het totale pakket dat de
VOC naar Europa transporteerde, om pas in1670 tot 30
procent te dalen.
Peper gold dan ook als het primaire product waarin met
Azië handel werd gedreven.

Batavia, stichting van de stad


Op de plaats waar eens het kleine
handelsplaatsje Jacatra lag werd aan de
noordkust van Java het centrum van de VOChandel
in Azië gevestigd.

Batavia werd het bestuurscentrum van de Aziatische tak
van het VOC-bedrijf.
De stad lag centraal tussen de verbindingswegen uit
Europa, Straat Soenda en Straat Malakka, en de Zuid-
Chinese zee. Bovendien waren de Molukken niet ver
verwijderd.
Aanvankelijk was Jacatra voor de VOC niet meer dan een
versterkt pakhuis voor opslag en bescherming van de
VOC-goederen.
De dreiging van het machtige Bantam, dat van oudsher
een belangrijke rol vervulde in de Aziatische peperhandel
en de vijandig gestemde Engelsen die hun overwicht in
de Aziatische handel probeerden veilig te stellen,
noodzaakte de VOC om haar vestiging in Jacatra te
versterken.
In 1618 brak er een conflict uit en werd de vestiging van
de VOC door een grote overmacht van Engelsen,
Bantammers en Jacatranen belegerd.
Jan Pieterz Coen maakte gebruik van de onderlinge
verdeeldheid van de tegenstanders en versloeg de
vijand.

Jacatra werd verwoest.
De nieuwe stad Batavia werd gesticht in 1619
Op de plaats van het pakhuis werd het Kasteel van
Batavia gebouwd bestemd als opslagplaats voor VOCgoederen
en verblijfplaats voor bestuur en garnizoen.