Op zoek naar een noordoostelijke doorvaart


Als vergelding voor het uitroepen van de
Onafhankelijkheid der Nederlandse Noordelijke
provincies werden de havens op het gehele
Iberische schiereiland voor de Nederlandse
schepen gesloten.

De Spaanse embargo’s onthielden de Nederlanders van
de doorvoerhandel in specerijen.
Dan maar “over zee naar de specerijen” werd het motto,
dat wil zeggen over zeeën die niet door Portugezen en
Spanjaarden werden beheerst.
Men zocht naar een noordoostelijke doorvaart, dus om
de Noordkaap bij Noorwegen naar de Oriënt.
Van 1594 tot 1596 werden 3 IJszee-expedities
uitgestuurd. De 1ste expeditie o.l.v. Cornelis Cornelisz.
Nay, bestond uit vier schepen waarvan twee onder bevel
van Willem Barentsz. Deze laatste kreeg bevel om de
route via Nova Zembla te onderzoeken. Barentsz bleef
steken op dit eiland terwijl Nay open water had
gevonden in de Karische zee. De 2de expeditie moest
door ongunstige ijsomstandigheden in dezelfde Karische
Zee terugkeren.
Nadat de 3de expeditie eerst Spitsbergen had ontdekt
voer een van de schepen o.l.v. Jacob van Heemskerck
met Willem Barentsz als wetenschappelijk leider aan
boord, naar Nova Zembla waar het schip werd
ingevroren. De beroemde overwintering volgde. Dit
leidde tot de dood van Willem Barentsz als met open
boten de terugtocht werd aanvaard.
Toen de pogingen van de Nederlanders om via de
noordoostelijke doorvaart Indië te bereiken faalden,
bleef als enige mogelijkheid over om de Portugezen te
verdrijven uit hun vestingen in de Oost.

De eerste ‘Schipvaart’ naar Azië

Ruim 100 jaar nadat Portugal in Azië een
handelsimperium had opgebouwd en daar de
zoete vruchten van had geplukt ondernamen de
Nederlanders in 1595 hun eerste ‘schipvaart’
naar Azië.


Onder leiding van Cornelis de Houtman en Piet Dirkz. de
Keyzer vertrokken op 2 april 1595 vier schepen uit de
haven van Amsterdam; het waren de Mauritius,
Hollandia, Duyfken en Amsterdam.
De reis was goed voorbereid, men had bij twee
Nederlanders, Jan Huygen van Linschoten en Dirk Jansz.
Pomp, alias “China”, beiden in Portugese dienst geweest
en welbekend met Azië, uitgebreide informatie
ingewonnen.
Een jaar later, op 15 juni 1596, lieten de 4 schepen hun
anker vallen in de baai van Bantam.

De heenreis kenmerkte zich door interne ruzies, allerlei
ziekten, gebrek aan leiding, verkeerde beslissingen, en
organisatorische wanordelijkheden.
Na aankomst in de Archipel stapelden de problemen zich
nog meer op door de meer dan botte houding van De
Houtman tegenover de Bantamse inwoners.
Bovendien werden de meegebrachte Europese producten
als ruilwaar afgewezen.
Verder ondervond men enorme tegenwerking van de
Engelse en Portugese kooplieden ter plaatse.

Met een kleine hoeveelheid peper en foelie keerde de
expeditie in 1597 terug met 3 schepen, de Amsterdam
moest worden opgegeven.
De ramptocht eindigde met een financieel verlies.

Onafhankelijkheid voor de Nederlanden


De Nederlanden waren in de 16de eeuw niet meer
dan vazallen van de Spaanse kroon. Echter, de
roep naar onafhankelijkheid werd steeds
sterker, in het bijzonder in de noordelijke
provincies.

<

De Spaanse Landvoogd, Fernando Alvarez de Toledo,
Hertog van Alva, kwam in 1568 naar de Nederlanden
om de ketterij uit te roeien en de rooms-katholieke
kerkelijke indeling in het hele gebied te verzekeren.
De Tachtigjarige Oorlog begon.
Nog tijdens het hardvochtige bewind van Alva
bestookten de Watergeuzen de hoge Spaanse galjoenen
vanaf hun kleine scheepjes en verdreven de Spanjaarden
uit de Hollandse wateren.
De inname van Den Briel in 1572 was het sein voor de
algemene opstand der noordelijke provincies.
Onder aanvoering van Prins Willem van Oranje
verklaarden de Zeven Verenigde Provinciën zich in 1584
onafhankelijk van Spanje.
Dit had grote gevolgen voor de handel in specerijen. De
doorvoerhandel van specerijen was voornamelijk in
handen van de Hollanders.
In Lissabon haalden zij hun vracht op en verscheepten
de specerijen naar de noordelijke landen.
Het uitroepen van de onafhankelijkheid van Spanje was
voor de Spaanse autoriteiten aanleiding om alle havens
van het Iberische schiereiland voor de Nederlanders te
sluiten.
Nu moesten de Hollanders zelf naar “de Oost”.

Afslag gemist


De uitreis van de VOC-schepen naar Azië duurde
gemiddeld acht à negen maanden. De
thuisreizen, dankzij gunstige zuidoostelijke
winden en een kortere route, gemiddeld zeven
maanden.

<

De heenreis voerde door het Kanaal de Atlantische
Oceaan op. Om scherpe tegenwinden bij de Afrikaanse
kust ter hoogte van Senegal te vermijden voer men via
de Kaapverdische eilanden de oceaan op in de richting
van Zuid-Amerika om vervolgens met een grote boog in
de richting van Kaap de Goede Hoop te varen.
Daar aangekomen werd vervolgens de gunstige
westelijke windengordel benut, die in 1610 door Henrick
Brouwer werd ontdekt.

Eenmaal op koers in de westelijke windengordel ging het
rechtstreeks door de Indische Oceaan in de richting van
Java. Ten zuiden van Java moest worden afgeslagen om
via Straat Soenda Batavia te bereiken.

Miste men deze ‘afslag’ en zeilde men rechtdoor langs de
zuidkust van Java dan kwam men onherroepelijk terecht
op de barre Westkust van Australië met zijn gevaarlijke
riffen.
Dit gebeurde met het bekende VOC-schip Batavia dat in
1629 op deze kust schipbreuk leed.
Het was één van de grote ‘retourschepen’ die een grote
ladingcapaciteit combineerde met een enorme
vuurkracht.
In reconstructie is dit schip herbouwd in Lelystad.

Moessons


De windkracht van de heersende halfjaarlijkse
moessons bepaalde in de Aziatische wateren de
richting waarin de handelstransporten met
zeilschepen plaatsvonden.


De moesson komt vnl. in Zuid- en Zuid-Oost Azië voor.
De Moessoncirculatie hangt samen met de jaarlijkse
wisseling van de temperatuur (winter en zomer). De
westmoesson, die op Java tijdens de winter op het
noordelijk halfrond waait, ontstaat ook niet in Indonesië,
maar uit een samenspel van de hoge druk boven Azië
(China en India) en de lage druk boven Australië in dat
jaargetijde.
De scheepsroutes in de Indonesische archipel werden
beheerst door de noordwestmoeson en de zuidoostmoesson.
De noordoostmoesson stelde schepen uit de Indiase en
Arabische havens in staat om van maart tot mei naar
Malakka te zeilen en vervolgens de Javaanse
kustplaatsen te bereiken. Deden ze dat niet, dan
moesten zij vanwege de dwarsliggende zuidwestmoesson
tot oktober op een gunstige wind wachten.
De noordoostmoesson bracht ook de reusachtig Chinese
jonken in de vaart op weg naar de zuidelijke gebieden.
Van mei tot september stelde de zuidoostmoesson deze
schepen weer in staat om terug te keren.

De Indische Oceaan met daarop aansluitend de Rode
Zee en de Perzische Golf, de Indonesische wateren en de
Zuid- en Oost-Chinese Zee vormde een eeuwenoud
maritiem handelsnetwerk dat zowel het Midden-Oosten
als geheel Azië omvatte.

Marco Polo als leidsman naar Azië


Van zijn tochten naar en door Azië legde Marco
Polo verantwoording af in zijn Il Milione.
Zijn relaas diende als reisgids en handelsvademecum
voor de Portugese en Spaanse
zeevaarders op hun eerste tochten naar Azië.

Portugezen en Spanjaarden lieten zich op hun eerste
tochten naar Azië leiden door de nauwkeurig beschreven
ervaringen van Marco Polo.
Vele eeuwen daarvoor ontwikkelden zich in Azië vele
machtige rijken, die ieder op zich bolwerken vormden
van uiteenlopende culturen en vele miljoenen inwoners.
Rijken die machtiger en welvarender waren dan de
Europese landen in die tijd.
Marco Polo getuigde hiervan in zijn relaas van de reis
door de landen die hij bezocht op weg naar China.
Toen de eerste Europeanen in Azië arriveerden bestond
het subcontinent India uit machtige staten met diverse
culturen en een florerende wetenschap.
In het Noorden boven India had zich het omvangrijke
Mogol-Rijk gevormd, samengesteld uit vele welvarende
keizerrijken.
De Indonesische Archipel had afwisselend kleinere en
grotere rijken met bloeiende culturen gekend die op Java
de boeddhistische Boroboedoer en de hindoeïstische
Prambanan hadden voortgebracht.
Het Islamitische sultanaat Mataram op Java dat een
groot deel van Java zou beheersen was zich aan het
ontwikkelen.
Tussen de rijken in Azië was sinds eeuwen een
nauwsluitend handelsnetwerk ontstaan met vastgelegde
maritieme routes en karavaanwegen over land.

Prins Hendrik de Zeevaarder

Omstreeks 1500 behoorden Vlaanderen en Italië tot de meest ontwikkelde handelscentra in Europa. De handel tussen de beide regio’s verliep over zee en precies op het kruispunt van deze bloeiende kustvaart lag Portugal.

In Azië waren China en India hoogbeschaafde landen. Het waren de Arabieren die uit deze landen rijke handelswaar via karavanen over land naar het Midden Oosten brachten. In beperkte hoeveelheden en tegen woekerwinsten werden specerijen, zijde, porselein, tapijten en kostbare edelstenen doorverkocht aan handelaren in Venetië en Genua.
Om in deze koopwaar te kunnen handelen moest men een weg over zee trachten te vinden.
In Portugal had omstreeks 1415 een jonge prins zich gevestigd in het plaatsje Sagres, in Zuid-Portugal. Prins Hendrik de Zeevaarder richtte daar een centrum op voor studie van de zeevaart.
Onder zijn bezielende leiding bestudeerden wetenschappers, scheepsbouwers, cartografen en zeelieden alle facetten van de zeevaart.
Telkens stuurde hij schepen de zee op om zoveel mogelijk informatie te vergaren. Verkenningstochten langs de kusten van het onbekende Afrika maakten de Portugese zeelieden vertrouwd met zeestromingen en windrichtingen en de technieken van het meten van breedte- en lengtegraden.
Met de dwarsgetuigde vierkante zeilen van de Arabieren werden hun driemasters uitgerust. Alle schepen werden voorzien van kanonnen voor een effectieve oorlogsvoering op zee.
In 1460 stierf Prins Hendrik de Zeevaarder.

Europeanen in de Indonesische archipel

Om economische redenen zochten in de oudheid diverse volkeren naar betere leefomstandigheden. Door middel van verkennings- en veroveringstochten vonden ze elders een beter bestaan en vestigden zich dan ter plaatse.

Zoals eerder de ‘Noormannen’ over de grote zeeën uitzwermden op zoek naar gebieden met betere leefomstandigheden, zo zochten omstreeks 1500 de Portugezen via de zeeën naar nieuwe handelsmogelijkheden in vreemde landen.
Waar het bij de ‘Noormannen’ ging om economische redenen door overbevolking van de Scandinavische kustgebieden, waren de Portugezen uit op vergroting van hun overzees handelsnetwerk.
In 1487 was het Bartholomeus Dias, die de Kaap de Goede Hoop rondde, gevolgd door Vasco da Gama, die in 1498 India bereikte.
Onder de bezielende leiding van hun Prins Hendrik “de Zeevaarder” trokken Portugese zeilschepen in het spoor van Vasco da Gama verder Azië binnen. In 1505 werd Goa aan de Westkust van India in bezit genomen. Hier werd later hun commercieel centrum gevestigd.
Vanuit Goa trok in 1513 een expeditie, onder leiding van Francesco Serrão, de Indonesische archipel binnen op zoek naar de specerijeilanden Ambon en Banda. De Portugezen waren de eerste Europeanen die op het Molukse eiland Ternate met de sultan een verdrag sloten waarbij zij het recht op de handel in kruidnagelen op de specerijeilanden verkregen.

Gouverneur-Generaal in de VOC-tijd

De vorstelijke status die `Zijn Hoog Edelheid`, de Gouverneur-Generaal in stand hield moest gebeuren van een traktement van 1400 gulden plus 400 gulden tafelgeld. De glamour en chic betaalde hij van geheime emolumenten.

Zijn Hoog Edelheid (titel van de Gouverneur-Generaal) hield een min of meer vorstelijke status op.
Zijn opperstalmeester was tevens bevelhebber van het corps dragonders dat als lijfwacht was aangesteld. Tot dit corps behoorde ook de chef de cuisine van de Gouverneur in de rang van luitenant.
Naast de lijfwacht had Zijn Hoog Edelheid nog een bijzondere wacht bestaande uit een dozijn hellebaar- diers. Zij droegen protserige kleding bestaande uit scharlakenrode pantalons of rokken met gouden biezen en een buis van geel damast met zilveren knopen. Zij droegen zilveren hellebaarden en een degen met zwaar zilveren gevest in een leren draagband met zilver bezet.
Als hij zich naar de vergadering van de leden van de Raad van Indië begaf zat hij in een groot rijtuig met zesspan, gemend door een koetsier in groot galahellebaardiers- uniform, voorafgegaan door vier inheemse lopers in gala tenue en begeleid door acht dragonders en vier bereden officieren, van elk wapen één.
Iedereen die de GG zag aankomen moest stilstaan of opstaan en een diepe buiging maken.
Kwam men op bezoek bij de GG dan was een ieder gezeten volgens de rang die de echtgenoot bekleedde. Port of Madeira werd niet geschonken.
Men kreeg thee met gebak gepresenteerd op zilveren schalen.

De VOC in de 18de eeuw

Begin van de 18de eeuw was de expansiedrift van de Verenigde Oost-Indische Compagnie tot rust gekomen. Het was tijd om de vruchten te plukken van de noeste arbeid van haar pioniers, die tot stand is gekomen onder J.P. Coen tot en met Cornelis Speelman.

Geen uitbreiding van territoir meer. Wel werd getracht het in bezit zijnde land intensief te exploiteren , o.m. door het aankweken van nieuwe in Europa veel gevraagde producten.
Zo werd de aanplant van koffie gestimuleerd en na enkele tegenslagen werd het een groot succes. Andere proeven zoals het aanplanten van verfhout of de invoering van zijdeteelt op Java mislukten.
Dat overigens in de 18de eeuw de Compagnie op commercieel gebied het niet kon halen bij de voorgaande eeuw had verschillende oorzaken.
In Voor-Indië ontwikkelde zich naast een Engels ook een Frans koloniaal rijk. Beide rijken verdrongen met hun handelsvloten de VOC van de eerste plaats. Voorts had de zucht tot persoonlijke rijkdom vele ambtenaren er toe gebracht hun Compagnie te saboteren en haar belangen achter te stellen bij hun eigen belang.
Twee GG’s hebben getracht aan deze misstanden een eind te maken. Baron van Imhoff was een man vol goede wil en originele denkbeelden. Hij wilde van alles te veel en bleek niet opgewassen te zijn tegen de indolentie en eigenbaat.
Na hem trachtte Jacob Mossel het scheepje van de Compagnie nog vlot te houden. Hij slaagde evenmin. Vervolgens gleed de Compagnie langzaam weg om op 31 december 1799 van het toneel te verdwijnen.

Rumphius

Rumphius heeft zich als wetenschapper een naam verworven door de omvangrijke studiën die hij op het eiland Ambon maakte van welhaast elk detail van de natuurlijke leefomgeving waarin hij leefde en werkte.

Georg Everhard Rumphius is bekend geworden door zijn toentertijd tot standaardwerk verheven boekwerken “Ambonsche Historie” en “Herbarium Amboinense”, later vertaald in het Nederlands onder de titel: “Het Amboinsch Kruidboek” en de “Amboinsche Rariteitenkamer”.
Geboren in Hanau in 1628 vertrok hij in 1653 als adelborst in dienst van de Oost-Indische Compagnie naar Indië.  Hij werd in Ambon (Amboina) geplaatst.
Een aantal jaren later aanvaardde hij de betrekking van koopman in dienst van de Compagnie met verblijfplaats Hitoe op het noordelijk schiereiland van Ambon.

In Hitoe benutte hij zijn veelzijdige kunde en kennis door zich te wijden aan analytische beschrijvingen van zoveel mogelijk natuurkundige en biologische aspecten van de planten, dieren en mensen die hem omringden. Zijn vergaarde kennis legde hij vast in talrijke geschriften. Vele jaren later werd hij blind.
Van de Compagnie werd hem vanwege zijn uitzonderlijke verdiensten een zittend ambt aangeboden met behoud van rang en gage.
Als blinde man zette hij, gesteund door zijn zoon Paul August, zijn studiën voort.
Op 15 juni 1702 overleed Rumphius in zijn geliefde Ambon. Zijn nalatenschap is van onschatbare waarde.

Opium

Opium is het gestolde melksap afkomstig van de papaverplant. De harsachtige substantie bevat o.m. het meest werkzame bestanddeel, morfine.

Door inkerving van de onrijpe zaaddozen van de papaverplant komt sap vrij. Het gestolde sap noemt men opium. De kleverige substantie wordt in kleine hoeveelheden gedroogd. In dit stadium heet het ruwe opium.
Het ingedroogde sap wordt tot bollen van circa ½ kg geslagen, in bladen gewikkeld en zo in de handel gebracht. Voordat het product geconsumeerd kan worden, moet het in water worden opgelost, gezuiverd van vezels en andere verontreinigingen en ingedroogd tot een pasta. Deze pasta wordt in kleine hoeveelheden met tabak gerookt.
Opium wordt heden ten dage gebruikt in de geneesmiddelenindustrie, met name het meest belangrijke bestanddeel, Morfine.
Vooral als genotmiddel heeft opium echter de grootste bekendheid verkregen. Het opiumschuiven geeft enige tijd een roes van welbehagen aan de gebruiker.

De VOC betrok de opium voornamelijk uit Bengalen. Deze opium was bestemd voor Java waar het een populair genotmiddel was onder de Javanen.
Nadat omstreeks 1760 de Engelsen politieke macht verkregen over Bengalen werd het voor de VOC geleidelijk aan moeilijker om de opium te vervoeren. Door de hoge prijs voor een relatief kleine hoeveelheid werd opium zeer winstgevend als smokkelwaar.

De VOC en de ontbossing

De VOC sloot met de Javaanse vorsten contracten voor het vruchtgebruik van al het hout in die streken waarover de Compagnie in meer of mindere mate soeverein was.

Omstreeks 1710 waren in de Bataviase Ommelanden 130 suikermolens vol in bedrijf, daarmee werk biedend aan duizenden mensen.
Op primitieve wijze werd het sap uit het suikerriet geperst door de molenstenen in beweging te houden met behulp van karbouwen als trekdieren.
Vervolgens werd het verkregen sap ingedampt in open pannen.
Dit proces vereiste enorme hoeveelheden brandhout. Het gevolg was een ware plundering en uitroeiing van hout in de bossen die in de onmiddellijke omgeving van de 130 suikermolens lagen.

Bekend is dat in de 18de eeuw zich meer slib ging vastzetten in de grachten van Batavia-stad.  Dit slib was voornamelijk afkomstig uit de gebieden stroomopwaarts waar de ontbossing een vergaande erosie van de bodem veroorzaakte.
Opeenvolgende gouverneurs-generaal vaardigden om ecologische redenen besluiten uit tegen overmatige houtkap, evenals bevel tot herplanting.
Op straffe van 500 rijksdaalders boete werd de uitvoer van hout uit de Ommelanden verboden.
Herhaaldelijk werden in de verdere duur van het bestaan van de Compagnie besluiten uitgevaardigd om het kappen van hout “met oordeel te doen geschieden, opdat de suikerteelt niet kome te vervallen”.

Leven in de buitenkantoren van de VOC

Het bijwonen van de godsdienstoefeningen was voor alle Compagniedienaren verplicht. Men hield de hand aan de Sabbatviering en de heiliging van de zondag. Dan was er zowel aan de wal als op een op de rede liggend schip twee maal een kerkdienst.

In Batavia werkte men wel degelijk, vooral in de lagere rangen. Indien men geen relaties had met ‘hoge omes’ betekende vooruitkomen werken. Voor meerderen toonde men eerbied die vaak aan kruiperigheid en slaafsheid deed denken. In de gunst komen en blijven was het begin en einde van alle wijsheid.
Was dit het geval in Batavia, nog veel meer gold dit voor de zogenoemde “buitenkantoren”, waar de Compagnie werd vertegenwoordigd door hoofden of directeuren.
Deze hadden maar één ding voor ogen, het tegenover andere naties steeds uitdragen van het welzijn en de roem van de Compagnie. Door dat streven geleid waren deze directeuren onveranderlijk kleine despoten voor hun personeel. Wie zich daar tegen verzette kon ’gaan’.
De titel van zo’n directeur was “Resident”, die terzijde werd gestaan door de assistent of boekhouder, ook “Tweede” genoemd. Het lager personeel moest schipperen tussen de twee chefs als deze een onderling conflict hadden.

Het leven op de buitenkantoren was uiterst vervelend. Men wist zich met de tijd geen raad, want alleen bij aankomst en vertrek van een schip had men het druk. Daarna was er weer niets te doen dan een half uurtje schrijfwerk per dag.
De rest van de dag werd wat gelummeld, geroddeld, gegeten en dan een lange siësta.

De VOC en de suikerboeren

Tot in de wijde omgeving van Batavia had zich omstreeks de jaren 1700 een welvarende suikerindustrie ontwikkeld.

De landrost van Batavia en Ommelanden kon met groot genoegen zo’n 116 suikermolens registreren.
Echter, er waren gegronde redenen om aan te nemen dat het werkelijke aantal molens hoger moest uitvallen. Vanwege de wurgcontracten met de VOC, die het inkooprecht van het suikerproduct opeiste, trachtten vele eigenaren de aangifte van hun molens daadwerkelijk te ontduiken.
Toen de Compagnie daarvan de tastbare bewijzen in handen had, verkondigde ze dat “wie de aangifte ontdook een boete opliep van minimum tweehonderd rijksdaalders”, waarbij werd aangetekend dat de Compagnie zich het recht voorbehield om alles wat los en vast zat in de suikermolen met de grond gelijk te maken.
Verder meende de Compagnie dat, nu het de suiker- lords zo voor de wind ging, zij wel genoodzaakt konden worden eens een extra bijdrage te leveren door gelden te storten voor de op- of herbouw van de Compagnieswoningen.
Aan het op grond van het nieuwe reglement ontstane gepruttel stoorde de Compagnie zich in het geheel niet.
Heel kalmpjes werd de inning van de voorgeschreven extra bijdragen nauwgezet uitgevoerd. Immers, de particulieren hadden in die dagen zonder meer te offeren en verder niets!

Het vrouwelijk element in Batavia

De meeste kolonisten waren geboren en getogen in de onderste lagen van de Nederlandse maatschappij, zodat het niet verwonderlijk was dat de conversatie en het vermaak zich op een zeer laag niveau bevond.

Van enig fatsoenlijk cultureel amusement was in de dagen van de Compagnie totaal geen sprake.
Men liet zich leiden door de woorden van J.P. Coen “onse natie moet drincken of sterven”. Velen gaven daar gehoor aan en het drankgebruik van de “zuypgierigen”, die na tafel aan allerlei ‘prikkelende dranken’ hun hart ophaalden, was zeer hoog.
Er werd zo veel gedronken dat velen nog in de bloei van hun leven stierven.
Gelijke tred met het ongeëvenaarde drankgebruik werd de liefde bedreven. Kuisheid was in de 17de eeuw een eigenschap die men bij vrouwen in Indië slechts zelden aantrof, onverschillig of zij zuiver Europees dan wel gemengd bloed in de aderen hadden.
De Europese vrouwen in Indië waren in de 17de en ook grotendeels in de 18de eeuw van zeer nederige afkomst.
Hun levenswandel was ook verre van onberispelijk.
Velen van hen hadden in Holland als meid of schoonmaakster gediend of nog achter de fruitkar gelopen.
Zij kwamen naar Indië om hun heil te zoeken in een huwelijk, bij voorkeur met Compagniesdienaren die een betrekking aan de wal hadden.
Lukte dat, dan waren ze ‘binnen’.
Lukte het niet dan verzeilden velen van hen in het ‘schandaleuse, vuyle en ongebonden’ leven om later terecht te komen in het tuchthuis.

Kerken uit de tijd van de Compagnie.

De twee overgebleven kerken uit de tijd van de Verenigde Oost-Indische Compagnie zijn de Portugese Buitenkerk te Batavia en de Hervormde kerk in de hoofdstad Ambon.

Kerken uit de tijd van de Compagnie. De Hervormde kerk in de hoofdstad Ambon staat nog steeds overeind. Opgetrokken uit hout op een stenen plint en bekroond met twee torens. Een herinneringsplaat naast de voordeur vermeldt de bouw van de kerk in 1780 door Gouverneur Benard van Pleuren (1775-1785).
“ . . .Van heinde en verre stroomden op zondag de gelovigen toe. Ambonese mannen in deftige zwarte pakken en Ambonese vrouwen met de lange zwarte of witte kabaja, in de hand de bijbel of een met kant omzoomde zakdoek . . . “

De Buitenkerk te Batavia is in 1695 speciaal gebouwd voor de Portugese gemeenschap in Batavia. In de Mardijker buurten achter de kerk was men dan ook dankbaar gestemd.
“ . . . .De inwijdingsplechtigheid o.l.v. de Eerwaerde Theodorus Zas geschiedde in aanwezigheid van Zijn Hoog Edelheid, de Gouverneur-Generaal Willem van Outhoorn en zijn gemalin. De kerk zat boordevol hoge functionarissen met hun dames in schitterende pronkgewaden. Een fijn aroom zweefde door de kerk, de geuren van melatti, tjempaka en kenanga, die prijkten in de haarvlechten van de Bataviaasche jufferen, vermengden zich met de akar wangi van neusdoeken en waaiers . . . . .”

Kaneel en de VOC

Naast de specerijen nootmuskaat, foelie, kruidnagel en peper, alle gewassen die in de archipel groeiden, behoorde kaneel eveneens tot de handelsproducten van de VOC. Echter, kaneel groeide in Ceylon, een eiland onder Portugese vlag.

Kaneel groeide op verschillende plaatsen in gebieden van Voor-Indië, vooral in Malabar. Deze soort was echter minderwaardig en werd door de Portugezen “canella da matta” genoemd, waarmee ‘wilde of boskaneel’ werd bedoeld. De fijne en eerste soort pijpkaneel kwam uitsluitend uit Ceylon.
Dit eiland werd door de Portugezen omstreeks het midden van de 16de eeuw veroverd op de keizer van Kandi. Niet het hele eiland viel in Portugese handen, maar juist de Ceylonnese kuststreken waar de kaneelbomen groeiden. Vanaf dat tijdstip handhaafden de Portugezen hun monopolie over de kaneelhandel.
De VOC keek al lange tijd begerig naar de kaneelhandel in Ceylon. Toch zou het nog lang duren voordat getracht werd om met geweld (het credo van de VOC) die handel in handen te krijgen.
Pas in 1656 viel na zware strijd de hoofdstad Colombo in handen van de Nederlandse Compagnie.
Met de verdere verovering van de Kuststreken op de Portugezen kwam uiteindelijk de kaneelhandel in handen van de VOC.
Het monopolie van de Ceylonnese kaneel heeft de VOC 140 jaar kunnen handhaven.

In 1795 en 1796 hebben de Engelsen op hun beurt Ceylon op de Nederlanders veroverd.

Fort Rotterdam te Makassar

De vesting Rotterdam te Makassar was oorspronkelijk Portugees en heette de Vijfsprong naar de 5 bastions waarmee het versterkt was. Het is het best bewaard gebleven bolwerk uit de VOC-tijd.

Cornelis Speelman, de latere Gouverneur-Generaal (1681-1684) veroverde het fort en gaf het de naam van zijn geboortestad, Rotterdam.
Deze vesting was gedurende lange tijd het sterkste bolwerk van de hele Archipel, zelfs sterker dan het Kasteel van Batavia en het Kasteel Victoria op Ambon.
En met reden, want Makassar gold vroeger als de sleutel van het Oosten en verder hadden de Makassaren de bijnaam van “de haantjes van het Oosten”, want zij waren vechtlustig en stoutmoedig.

Binnen het fort liggen om een groot centraal plein de gebouwen uit de 17de en 18de eeuw in oud-Hollandse stijl, met hun typische topgeveltjes en schuin aflopende daken, kleine venstertjes en lage brede deuren.
De kerk, het chirurgijnhuis, de ambtelijke gebouwen, het stadhuis met het balkon waar de strenge heren van het Gerecht zaten te kijken naar de gestraften die op het plein hun vonnis ondergingen. Men sloeg en ranselde op de ruggen van de gestraften, men geselde ‘vijf en twintig met de rotan’, men brandmerkte en deed andere dingen met gloeiende tangen. Alles moest preventief of repressief werken om de braven te laten zien wat het loon der niet-braven was.
De doodstraf werd buiten het fort voltrokken, ten aanschouwe van het toegestroomde volk, dat zich om de galg verzamelde.

Pracht en praal

“Wanneer niet komt tot iet, dan kent iet zich zelven niet” is een gezegde waarvan de waarheid sterk naar voren kwam in de dagen van de Oost-Indische Compagnie in het vroege Batavia.

De eerzaam gehuwde vrouwen van de Compagnie- dienaren kenden geen ander genoegen dan te zwelgen in overtollige pracht van kleding, sieraden, huisraad en rijtuigen. De huishoudelijke artikelen moesten zoveel mogelijk van zilver zijn.
De vrouwen kleedden zich in zijde en satijn en ongeacht de hitte zelfs in fluweel, alles bezet met dure kant.
Om de polsen zware gouden armbanden en aan de vingers flonkerden diamanten.
Maar ook het sterke geslacht kon geen weerstand bieden aan de zucht naar weelde.  Mannen van enige positie droegen een zwart fluwelen kostuum bezet met kant en versierd met gouden knopen. Een dure degen met zwaar gouden gevest prijkte op de zij of men hield een rotan met gouden knop in de hand.
Deze weelde leidde ertoe dat men elkaar probeerde de loef af te steken.
De Bewindhebbers van de VOC legden maatregelen op om het geheel binnen de perken te houden.
Het dragen van juwelen, parelen en gouden versierselen werd streng gereglementeerd, een en ander werd afhankelijk gesteld van de positie van de echtgenoot. Voor verschillende rangen en standen vermelde het reglement ook precies hoeveel slaven er achter de familie mochten lopen, welk soort rijtuig of draagstoel toelaatbaar was en hoe de koetsier moest groeten.

Dagelijks leven in Indië anno 17de eeuw

In de vroege dagen van de Verenigde Oost- Indische Compagnie leefde men binnen de muren van het Kasteel van Batavia. In de straten waar de Europese bevolking woonde leidde men over het algemeen een monotoon en saai leven.

Van de dagindeling van de bewoners van het Kasteel van Batavia kan het volgende gezegd worden.
Bij het krieken van de ochtend verliet men het benauwde slaapvertrek om een koud bad te nemen, hoewel, er waren er die reiniging van het bezwete lichaam twee of driemaal in de week ‘al mooi’ genoeg vonden.
Er werd thee gedronken ter zuivering van de nieren.
Na het ontbijt kauwde men op een sirihpruim om de mond te verfrissen.
De mannen gingen zonder enige haast naar hun werk en de dames zetten de slaven aan het huishouden om dan op bezoek te gaan bij buren. De kinderen werden aan de baboe’s overgelaten.
Tegen 12 uur luidde de gong voor het middagmaal waarna siësta werd gehouden.
Omstreeks 4 uur liep men in de straten mee met de pantoffelparade om te zien of gezien te worden. In het Kasteel van Batavia werd ‘s avonds precies om 7 uur het gebed voorgelezen door een voorganger, gevolgd door psalmgezang begeleid door een orgel.
Tussen 7 en 8 uur werd gedineerd om daarna nog een ‘zoopie’ te drinken voordat men zich terugtrok in het slaapvertrek. Bedden had men niet, men sliep toen nog op matrassen op de grond.

Om 10 uur ‘s avonds daalde de ‘rust’ over de stad, maar de ‘zuypgierigen’ gingen voort met drinken.